Verschuldigde VPL-premies kunnen liquiditeitspositie verder aantasten

17/06/20

Veel werkgevers in Nederland kennen nog een zogenoemde VPL-regeling: voorwaardelijke aanspraken die in de meeste gevallen uiterlijk op 31 december 2020 afgefinancierd moeten worden. Nu de liquiditeitspositie van veel organisaties onder druk staat als gevolg van de coronacrisis, is de timing van een extra uitstroom van kasmiddelen in de tweede helft van 2020 ter financiering van deze VPL-aanspraken op zijn zachtst gezegd ongelukkig te noemen.

De  VPL-regeling: hoe zat het ook al weer?

Per 1 januari 2006 werden de fiscale faciliteiten die het mogelijk maakten om te sparen voor vroegpensioen (VUT en prepensioen) afgeschaft. Aan werknemers die nadeel ondervonden van deze afschaffing, mocht eenmalig aanvullende (voorwaardelijke) aanspraken worden toegezegd. De ‘VPL-regeling’ was geboren.

Een VPL-toezegging is geen pensioen in de zin van de Pensioenwet. De VPL-toezegging krijgt pas het karakter van pensioen als en voor zover er sprake is van opbouw én inkoop van de VPL-aanspraken. Het bijzondere aan deze VPL-regelingen is dat de financiering van de aanvullende toezeggingen niet direct voldaan hoeft te worden. Bij bedrijfstakpensioenfondsen gebeurt het vaak door een opslag op de doorsneepremie waarmee een VPL-bestemmingsreserve wordt gevormd. Bij overige regelingen pas als de aanvullende aanspraken onvoorwaardelijk worden bij pensionering van de werknemer(s) of uiterlijk na vijftien jaar. Gaat een werknemer, anders dan door pensioneren, binnen de vijftienjaarsperiode uit dienst, dan vervalt het recht op deze aanvullende aanspraken.

Voor de meeste VPL-regelingen loopt de vijftienjaarsperiode af per 31 december 2020 (in een enkel geval pas in 2021 of 2022). Voor het deel van de voorwaardelijke aanspraken dat dan nog niet is afgefinancierd, moet per die datum alsnog de financiering plaatsvinden.

Wat betekent dit voor u?

Kent uw organisatie nog een VPL-regeling, wees u er dan van bewust dat in de meeste gevallen de financiering van de aanvullende aanspraken uiterlijk per 31 december 2020 moet plaatsvinden. Afhankelijk van de situatie kan de daarmee gepaard gaande betaling veel hoger zijn dan verwacht. Dit kan gaan om bedragen tot enkele tientallen procenten van de jaarlijkse salarissom. In deze tijden, waarin veel ondernemingen te maken hebben met uitdagende financiële omstandigheden door de gevolgen van het coronavirus, kan dat hoger zijn dan de liquiditeitspositie van de onderneming toelaat.
 

Wat kunt u als onderneming doen?

Is uw VPL-regeling ondergebracht bij een bedrijfstakpensioenfonds, dan zijn de aanvullende risico’s voor u waarschijnlijk beperkt doordat financiering van de VPL-aanspraken veelal al geleidelijk heeft plaatsgevonden. Bovendien hebt u in dat geval als individuele werkgever weinig grip op de afspraken die rondom de VPL-regeling zijn gemaakt of nog worden gemaakt. Deze zijn dan immers onderdeel van het cao-overleg.

Hebt u de VPL-regeling ondergebracht bij een eigen pensioenfonds of bij een verzekeraar, dan hebt u voor deze regeling waarschijnlijk ook een voorziening opgenomen in de jaarrekening. We zien regelmatig dat deze voorzieningen worden vastgesteld op verouderde of minder prudente grondslagen, met als gevolg dat de daadwerkelijke koopsommens die voor het affinancieren van de VPL-aanspraken betaald moeten worden, een stuk hoger zijn dan de getroffen voorziening. U doet er dus goed aan om juist nu een realistische inschatting te krijgen van de verwachte betaling die uw onderneming voor de kiezen krijgt bij affinanciering van de VPL-aanspraken. De extra uitstroom aan kasmiddelen die de huidige voorziening overstijgt, zorgt bovendien voor hogere pensioenlasten in de huidige financiële verslaggevingsperiode.

Als bovenstaande gevolgen onwenselijk zijn voor uw organisatie met het oog op de liquiditeitspositie, is het zaak te onderzoeken welke mogelijkheden u hebt om deze gevolgen alsnog te voorkomen. Een voor de hand liggende oplossing zou zijn om de inkoop en financiering van de VPL-aanspraken verder uit te stellen. Hiervoor is wel aanpassing van wetgeving noodzakelijk omdat de financieringstermijn van vijftien jaar als overgangsmaatregel een uitzondering is op de regel van directe affinanciering.

Bovendien moet u hierover dan overeenstemming bereiken met uw werknemersvertegenwoordiging en uw pensioenuitvoerder. De afspraken met deze partijen moeten schriftelijk worden vastgelegd. U doet er dus goed aan om deze partijen nu al in het proces mee te nemen.

Zonder aanpassing van wetgeving worden de aanspraken op de einddatum onvoorwaardelijk en moeten ze direct worden gefinancierd. Wellicht is het mogelijk om met de pensioenuitvoerder overeen te komen om de financiering (deels) uit te smeren over nog een aantal jaren. Een andere oplossing kan zijn om, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit moment, met de bij de arbeidsvoorwaarden betrokken partijen een versobering van de oorspronkelijke regeling af te spreken.

De komende periode zal duidelijk worden of de wetgever nog met aanvullende maatregelen komt die uitstel van het affinancieren van de VPL-aanspraken mogelijk maakt.

Hoe kan PwC helpen?

Wij helpen u graag bij het vormgeven van een oplossing die het beste aansluit bij uw organisatie en situatie. Wij kunnen u helpen bij het berekenen van de daadwerkelijk verwachte last voor de affinanciering van de VPL-aanspraken. Daarnaast kunnen we u terzijde staan in overleg met werknemersvertegenwoordigers en pensioenuitvoerder om zo ook draagvlak te krijgen voor de oplossingsrichting die u voor ogen heeft en te borgen dat de gekozen oplossingsrichting in overeenstemming is met - al dan niet te wijzigen - wet- en regelgeving. 

Contact

Bastiaan Starink

Bastiaan Starink

Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 375 58 28

Joep van Loon

Joep van Loon

Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 43 47

Volg ons