Uw vennootschap

Algemeen

Uw vennootschap heeft aangifte- en nalevingsverplichtingen voor de Vennootschapsbelasting (Vpb) in Nederland in de volgende situaties:

  1. Uw vennootschap is een binnenlands belastingplichtige, of
    • Uw vennootschap is een buitenlands belastingplichtige in Nederland, of
    • uw vennootschap is opgericht naar Nederlands recht; of
  2. uw vennootschap heeft haar plaats van werkelijke leiding in Nederland; of uw vennootschap is gevestigd buiten Nederland maar ontvangt inkomsten uit een Nederlandse bron die belastbaar zijn in Nederland.

In deze situaties heeft uw vennootschap de volgende aangifteverplichtingen:

Jaarlijkse aangifte vennootschapsbelasting (Vpb-aangifte)

Wanneer moet de aangifte binnen zijn?

Op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient uw Vpb-aangifte vijf maanden na afloop van uw boekjaar te zijn ingediend.

Als uw boekjaar gelijk is aan het kalenderjaar, betekent dit dat uw Vpb-aangifte 2018 uiterlijk 31 mei 2019  moet worden ingediend. Als uw boekjaar afwijkt van het kalenderjaar, moet uw Vpb-aangifte uiterlijk vijf maanden na afloop van uw boekjaar zijn ingediend.

In het algemeen is het mogelijk om uitstel te vragen voor het indienen van de belastingaangifte. Gewoonlijk geldt dat als u zelf het verzoek indient, er een extra uitstel van vijf maanden wordt verleend. Als uw vennootschap een belastingconsulent zoals PwC inschakelt voor het indienen van de Vpb-aangifte kan de uitstelregeling voor belastingconsulenten gelden (zie hierna).

Gebruikmaken van de uitstelregeling voor belastingconsulenten (PwC)

PwC kan om uitstel vragen voor het doen van uw belastingaangifte op basis van de “uitstelregeling voor belastingconsulenten”. In dat geval wordt aan PwC een extra uitstel van zes maanden verleend voor het indienen van uw aangifte voor de Nederlandse Vpb.

N.B.: Als er twee of meer Vpb-aangiften over de voorgaande drie belastingjaren (2015, 2016 en 2017) na de verleende uitsteldatum zijn ingediend, zal het verzoek om uitstel voor het doen van aangifte voor de Nederlandse vennootschapsbelasting 2018 niet worden gehonoreerd, tenzij de Vpb-aangifte 2017 op tijd wordt ingediend. Voorts heeft de Belastingdienst de mogelijkheid om dit extra uitstel voor het doen van aangifte (gedeeltelijk) in te trekken als er in voorgaande jaren niet aan de aangiftevoorschriften is voldaan. In dat geval geldt de uitsteltermijn van vijf maanden.

Wat zijn de mogelijke sancties bij niet-naleving?

Het tijdig indienen van de aangifte voor de Nederlandse Vpb is van belang om sancties van de Belastingdienst te voorkomen. De bestuurlijke boete voor het te laat indienen van een Vpb-aangifte kan oplopen tot € 5.278,- in geval van nalatigheid, en tot 100% of van het belastbare bedrag in geval van opzet of grove schuld (daaronder begrepen fraude). In extreme gevallen kan het niet (tijdig) dan wel opzettelijk onjuist (fraude) indienen van belastingaangiften leiden tot strafrechtelijke vervolging. Ten slotte kan het niet (tijdig) indienen van uw Vpb-aangifte in geval van een procedure leiden tot omkering van de bewijslast ten nadele van de belastingplichtige.

Het doel en het beleid van PwC is om de aangifte voor de Nederlandse vennootschapsbelasting voor het (kalenderjaar) 2018 vóór het einde van 2019 op te stellen en in te dienen. Deze aanpak heeft belangrijke voordelen voor u: de aangifte voor de Nederlandse vennootschapsbelasting wordt opgesteld kort na het einde van het jaar, de fiscale positie in de jaarrekening van uw vennootschap over 2019 is nauwkeuriger en voorlopige aanslagen (voor 2018 en 2019) zijn actueler.

Beheer van uw voorlopige aanslagen vennootschapsbelasting

Vennootschappen die de Vpb-aanslag hebben betaald voor een of meer boekjaren zullen waarschijnlijk een voorlopige Vpb-aanslag ontvangen voor het volgende boekjaar (nu voor het boekjaar (aanvangend in) 2019). Het bedrag van de voorlopige Vpb-aanslag is gebaseerd op een schatting van de Belastingdienst op basis van het resultaat volgens de meest recente Vpb-aangifte of de meest recente Vpb-aanslag. De voorlopige Vpb-aanslag biedt gewoonlijk de mogelijkheid om gedurende het jaar in termijnen te betalen. Wij merken echter op dat de voorwaarden voor een voorlopige Vpb-aanslag (zowel bij betaling in termijnen als in zijn geheel) als het gaat om de betalingsverplichtingen gelijk zijn aan andere belastingaanslagen.

Om twee redenen is het van belang om het bedrag van de voorlopige belastingaanslag te controleren. Ten eerste is het mogelijk om, als het belastingbedrag gebaseerd is op een geschat resultaat dat hoger ligt dan uw eigen prognoses, een verlaging van de voorlopige Vpb-aanslag te vragen, hetgeen een positief effect kan hebben voor de kasstroom positie van uw vennootschap.

Ten tweede dient u zich te realiseren dat, als het belastingbedrag is gebaseerd op een geschat resultaat dat aanzienlijk lager ligt dan uw eigen prognoses, de definitieve Vpb-aanslag van uw vennootschap een bedrag aan Belastingrente kan omvatten (zie hierna). Om dit te voorkomen kunt u overwegen om nog vóór het indienen van uw Vpb-aangifte een verhoging van het belastingbedrag van de voorlopige Vpb-aanslag te vragen.

Tarief voor belastingrente

Als zes maanden na afloop van het belastingjaar een extra bedrag aan belasting verschuldigd is, wordt rente ("Belastingrente") in rekening gebracht over dat bedrag over de periode die aanvangt zes maanden na afloop van het belastingjaar en eindigt zes weken na de datum van afgifte van de aanslag.

Het minimum rentetarief bedraagt 8% voor Nederlandse vennootschapsbelasting. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt over een teruggaaf rente vergoed door de Belastingdienst.

Let op

Om rentelasten te voorkomen adviseren wij u binnen vier maanden na afloop van het boekjaar verzoeken in te dienen om afgifte van een correcte Vpb-aanslag. Dus voor het fiscaal (kalender)jaar 2018 vóór 1 mei 2019.

Aanvullende aangifte- en nalevingsvoorschriften

Wat zijn uw boekhoudverplichtingen voor uw vennootschap?

In het algemeen zijn alle vennootschappen in Nederland wettelijk verplicht een administratie bij te houden en deze gedurende 7 jaar beschikbaar te houden (in fysieke dan wel in digitale vorm). Uw administratie kan bestaan uit verschillende soorten gegevens, waarvan bepaalde worden beschouwd als basisgegevens:

  • het grootboek
  • het debiteuren- en crediteurenboek
  • de voorraadadministratie
  • de in- en verkoopadministratie
  • de salarisadministratie

Het niet bijhouden van een administratie die voldoet aan deze minimumvereisten kan leiden tot omkering van de bewijslast. Daarmee kan de Belastingdienst onder meer een belastingaanslag opleggen op basis van een schatting (die slechts in extreme gevallen met succes kan worden aangevochten voor de rechter).

Wij merken op dat er voor bepaalde belastingregelingen een langere bewaartermijn voor bepaalde onderdelen van uw administratie kan gelden (zoals 10 jaar in geval van aftrek van voorbelasting voor onroerende zaken).

Documentatieverplichtingen interne verrekenprijzen

Net als in andere EU- en OESO-landen hanteert Nederland gedetailleerde Documentatieverplichtingen voor interne verrekenprijzen, bestaande uit een landenrapport (Country-by-Country reporting) en de verplichting om een groepsdossier en een lokaal dossier bij te houden. Het doel van deze verplichtingen is om de Belastingdienst en andere belastingdiensten in staat te stellen een analyse te maken van mogelijke interne verrekenprijs risico's en andere risico's die betrekking hebben op de berekening van de belastinggrondslag.

Belastingplichtigen moeten de volgende documenten aanleveren bij de Belastingdienst of deze documenten opnemen in hun administratie. Deze documenten mogen in het Nederlands of in het Engels zijn opgesteld.

1. Landenrapport

De verplichting om een jaarlijks landenrapport over te leggen aan de belastinginspecteur geldt voor multinationale groepen met een in Nederland gevestigde moedermaatschappij en een geconsolideerde omzet van ten minste € 750 miljoen.

Als de uiteindelijke moedermaatschappij niet in Nederland gevestigd is, kan een in Nederland gevestigde groepsmaatschappij van de multinationale groep een landenrapport moeten aanleveren in de volgende gevallen:

  • het land waar de uiteindelijke moedermaatschappij is gevestigd heeft geen wetgeving inzake landenrapporten ingevoerd; of
  • tussen het land waar de uiteindelijke moedermaatschappij is gevestigd en Nederland geldt geen overeenkomst voor uitwisseling van informatie.

Het landenrapport moet worden aangeleverd binnen 12 maanden na afloop van het boekjaar van de groep. Als u niet de vennootschap bent die het Landenrapport aanlevert (maar uw uiteindelijke moedermaatschappij de rapporterende entiteit is), dient u niettemin een melding te doen bij de Belastingdienst vóór het einde van het (boek)jaar.

Het landenrapport bevat de volgende elementen:

Voor elk land waar de multinationale groep actief is:

  • baten
  • winst (verlies) voor vennootschapsbelasting
  • betaalde vennootschapsbelasting
  • latente vennootschapsbelasting
  • het gerapporteerde kapitaal
  • gecumuleerde inkomsten
  • aantal werknemers
  • materiële activa anders dan liquide middelen

Voor elke groepsmaatschappij:

  • het rechtsgebied waar de entiteit is gevestigd
  • de belastingjurisdictie van organisatie of oprichting (indien afwijkend)
  • de aard van de hoofdactiviteiten

2. Groepsdossier en lokaal dossier

Het groepsdossier dient een overzicht te bevatten van de gang van zaken bij de multinationale groep, waaronder een beschrijving van de aard van de bedrijfsactiviteiten, haar algemene interne verrekenprijsbeleid en de wereldwijde toerekening van inkomsten. Het lokaal dossier dient informatie te bevatten die van belang is voor de analyse van interne verrekenprijzen met betrekking tot de intragroep-transacties waarbij de Nederlandse groepsmaatschappij betrokken is.

De verplichting tot het aanmaken van een groepsdossier en een lokaal dossier geldt voor alle Nederlandse vennootschappen die belastingplichtig zijn voor de Vpb. Voor kleine en middelgrote groepen met een geconsolideerde omzet van maximaal € 50 miljoen is het echter nog steeds mogelijk om documentatie inzake interne verrekenprijzen op te stellen met een minder strikte inhoud dan de voorgeschreven modellen voor groeps- en lokale dossiers.

Het groepsdossier en het lokaal dossier moeten worden opgenomen in de administratie van de belastingplichtige binnen de termijn voor het doen van Vpb-aangifte (zie het onderdeel over de "Jaarlijkse aangifte vennootschapsbelasting (Vpb-aangifte), Wanneer moet de aangifte binnen zijn?" op deze pagina).

Wat zijn de mogelijke sancties bij niet-naleving van de Documentatieverplichtingen interne verrekenprijzen?

Ten eerste kan verzuim om een lokaal dossier en/of een groepsdossier leiden tot omkering van de bewijslast indien de inspecteur besluit een Vpb-aanslag op te leggen die afwijkt van de aangifte van de belastingplichtige.

Ten tweede kan de belastinginspecteur, in geval van niet-naleving van de verplichtingen ten aanzien van het Landenrapport bij opzet of grove schuld een bestuurlijke boete opleggen van maximaal € 20.750,-. Indien u verzuimt te melden welke groepsmaatschappij het Landenrapport zal aanleveren kunt u een bestuurlijke boete opgelegd krijgen van maximaal € 830.000,-.

Naast voornoemde (bestuurlijke) boetes vormt niet-naleving van de verplichtingen ten aanzien van het Landenrapport, dan wel de verplichting om een lokaal en/of een groepsdossier in uw administratie te hebben, een strafbaar feit dat in geval van onopzettelijke niet-naleving kan worden bestraft met een boete van maximaal € 8.300,- of zes maanden gevangenisstraf, en in geval van opzettelijke niet-naleving met een boete van maximaal € 20.750,- of vier jaar gevangenisstraf.

Regels inzake meldingsplicht (DAC6)

DAC6 legt voorschriften op in verband met een meldingsplicht voor bepaalde constructies met een EU-grensoverschrijdend element. Indien een dergelijke constructie voldoet aan bepaalde "wezenskenmerken" zoals vermeld in de richtlijn en in bepaalde gevallen waar het belangrijkste of het verwachte voordeel van de constructie een belastingvoordeel is, dient de constructie te worden gemeld. In de meeste gevallen berust de meldingsplicht bij uw belastingconsulent (bijvoorbeeld PwC) of een andere betrokken dienstverlener. In sommige gevallen kan de meldingsplicht echter verschuiven naar u namens uw vennootschap. Voor nadere informatie, zie het onderdeel op onze webpagina “EU-regime voor meldingsplicht betreffende grensoverschrijdende transacties (DAC6)” of neem contact op met uw PwC contactpersoon.

Terug naar boven

Contact

Jurriaan Weerman

Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 50 86

Volg ons