Overzicht fiscale maatregelen

Alle maatregelen gaan in per 2020, tenzij anders vermeld. Op deze site nemen we ook belangrijke maatregelen op die niet uit dit Belastingplan komen maar wel per 2020 ingaan.

Inkomstenbelasting

Tarief box 1

Het inkomstenbelastingtarief wordt per 2020 (versneld) beperkt tot twee schijven: een (gecombineerd) basistarief van 37,35 procent en een toptarief van 49,5 procent voor inkomen boven 68.507 euro. Vanaf 2021 is het (gecombineerd) basistarief 37,10 procent en blijft het toptarief 49,5 procent voor inkomen boven 68.507 euro.

Begrip vaste inrichting

In de wet wordt vastgelegd dat voor het begrip vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger wordt aangesloten bij de definitie van het begrip vaste inrichting die voor de vennootschapsbelasting wordt geïntroduceerd.

Geleidelijke verlaging zelfstandigenaftrek

De zelfstandigenaftrek wordt in negen jaarlijkse stappen afgebouwd tot uiteindelijk 5.000 euro in 2028: acht stappen van 250 euro en één laatste stap van 280 euro. Daarmee komt de zelfstandigenaftrek in 2020 uit op 7.030 euro.

Eigenwoningforfait

Het eigenwoningforfait voor woningen van meer dan 75.000 euro wordt verlaagd naar 0,6 procent van de WOZ-waarde. Tot en met 2023 wordt het eigenwoningforfait stapsgewijs verlaagd naar 0,45 procent. Het eigenwoningforfait voor woningen van meer dan 1.080.000 euro blijft 2,35 procent.

Hypotheekrenteaftrek

Het maximale aftrektarief voor de hypotheekrenteaftrek wordt in 2020 verder afgebouwd naar 46 procent. Per jaar wordt de maximale hypotheekrenteaftrek met drie procentpunt afgebouwd naar uiteindelijk het basistarief van 37,10 procent in 2023.

Aftrekposten

Bepaalde aftrekposten in de inkomstenbelasting worden in 2020 aftrekbaar tegen maximaal 46 procent, gelijk aan het hypotheekrenteaftrektarief. Het gaat om aftrek van onderhoudsverplichtingen (alimentatie), aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten, aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten, aftrek van scholingsuitgaven, giftenaftrek, ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek, aftrek speur- en ontwikkelingswerk, meewerkaftrek, startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid, stakingsaftrek), MKB-winstvrijstelling en de terbeschikkingstellingsvrijstelling.

Tarief box 2

Het box 2-tarief gaat omhoog naar 26,25 procent. In 2021 wordt het box 2-tarief 26,9 procent. 

Bovenmatige schulden dga bij eigen bv

Het wetsvoorstel Excessief lenen bij eigen vennootschap maakt geen onderdeel uit van het Pakket Belastingplan 2020 maar is nu aangekondigd voor het najaar 2019. Op basis van het eerdere consultatievoorstel moeten ab-houders vanaf 2022 belasting betalen over bovenmatige schulden die zij - samen met hun partner - hebben aan de eigen bv(‘s). Datzelfde geldt voor schulden van hun bloed- en aanverwanten. Een schuld is bovenmatig als deze meer bedraagt dan 500.000 euro. Leent een ab-houder meer dan 500.000 euro van de eigen bv(‘s) dan wordt het meerdere vanaf 2022 per jaareinde bij de ab-houder belast alsof het een dividenduitkering is, met 26,9 procent inkomstenbelasting (box 2-tarief vanaf 2021). Alleen eigenwoningleningen worden onder voorwaarden uitgezonderd. Zie ook ‘Maatregel tegen excessief lenen door dga’s schiet te ver door’.

Box 3

Hoewel het geen maatregel van dit belastingplan betreft, heeft het kabinet al bekendgemaakt de box 3-heffing meer te willen laten aansluiten bij werkelijke spaarrendementen. Het wetsvoorstel wordt pas rond de zomer van 2020 verwacht. Vanaf 2022 gaat de werkelijke verhouding tussen spaargeld, beleggingen en schulden van een belastingplichtige als uitgangspunt gelden voor de box 3-heffing. Dit betekent dat dan de belasting over spaargeld in box 3 wordt vastgesteld aan de hand van de werkelijke hoeveelheid spaargeld. Deze hoeveelheid zou een vooraf vastgestelde forfaitaire rente opleveren, die zoveel mogelijk aansluit bij de werkelijke spaarrente. Die forfaitaire rente wordt dan tegen een tarief van 33 procent belast. Door de lage spaarrente op dit moment zal effectief geen box 3-heffing meer worden geheven over circa 440.000 euro spaarvermogen (880.000 euro voor partners). Zie ook ‘Box 3: Kabinet kondigt grootschalige aanpassing aan’.

Scholingskosten

De fiscale aftrekpost voor scholingskosten blijft in ieder geval nog een jaar bestaan en zal waarschijnlijk per 2021 worden vervangen door de subsidieregeling STAP-budget (Stimulans van de Arbeidsmarktpositie) voor natuurlijke personen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt. De definitieve datum van vervanging wordt later vastgesteld.

Algemene heffingskorting

De maximale algemene heffingskorting wordt additioneel verhoogd en bouwt vanaf een inkomen van 20.711 euro stapsgewijs sneller af. De maximale algemene heffingskorting bedraagt in 2020 2.711 euro en in 2021 2.801 euro (in 2019 2.477 euro). 

Arbeidskorting

De arbeidskorting wordt vanaf 2020 in drie stappen verhoogd. Hiervan profiteren zowel zelfstandigen als werknemers. De maximale arbeidskorting bedraagt in 2020 3.819 euro (in 2019 3.399 euro).

Loonbelasting

Verhoging werkkostenbudget

Voor de eerste 400.000 euro van de loonsom wordt het werkkostenbudget verhoogd naar 1,7 procent. Voor het resterende bedrag van de loonsom blijft het werkkostenbudget 1,2 procent. De berekening van het werkkostenbudget vindt plaats per inhoudingsplichtige, tenzij de concernregeling wordt toegepast. Bij toepassing van de concernregeling, wordt het werkkostenbudget berekend over de totale loonsom van de inhoudingsplichtigen die deel uitmaken van het concern.

Producten eigen bedrijf

Branche-eigen producten moeten nu worden gewaardeerd op de verkoopprijs aan derden. Deze prijs wijkt soms af van de waarde in het economisch verkeer (WEV), terwijl die waarde wel het uitgangspunt is voor de gerichte vrijstelling voor korting op branche-eigen producten. Om die ongelijkheid op te heffen wordt de waarde van producten eigen bedrijf voortaan gesteld op de WEV.

Eindheffing werkkostenregeling 

Het uiterste moment voor aangifte en afdracht van de eindheffing voor de werkkostenregeling wordt met één aangiftetijdvak verlengd. Voor de meeste werkgevers betekent deze verlenging dat de eindheffing uiterlijk moet worden meegenomen bij de aangifte over februari, die in maart wordt gedaan.

Verklaring omtrent gedrag

Voor de Verklaring omtrent gedrag wordt een gerichte vrijstelling ingevoerd. Als de vergoeding voor een VOG door de werkgever wordt aangewezen als eindheffingsloon, gaat deze niet langer ten laste van het werkkostenbudget.

Uitsluiting aanwijzen als eindheffingsbestanddeel

Naast de boetes die al waren uitgesloten van het werkkostenbudget, worden nu ook bestuursrechtelijke dwangsommen en betalingen in het kader van strafbeschikkingen uitgesloten om aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel.

Begrip vaste inrichting

In de wet wordt vastgelegd dat voor het begrip vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger wordt aangesloten bij de definitie van het begrip vaste inrichting die voor de vennootschapsbelasting wordt geïntroduceerd. Wie in Nederland een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger heeft, wordt als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting aangemerkt. De fictieve vaste inrichting voor de loonbelasting blijft bestaan.

S&O afdrachtvermindering

Er komen vier aanvraagmomenten per kalenderjaar voor een S&O-verklaring (in plaats van drie momenten nu). De aanvraag mag nog worden ingediend op de laatste dag voor de periode waarin het S&O-werk gaat plaatsvinden. Bij aanvang van die periode per 1 januari geldt als uiterste aanvraagdatum 20 december van het voorgaande kalenderjaar.

Bijtellingspercentage elektrische auto

De bijtelling voor nieuwe elektrische auto’s verdubbelt in 2020 naar 8 procent over de eerste 45.000 euro van de cataloguswaarde. De bijtelling wordt vervolgens verhoogd naar 12 procent over de eerste 40.000 euro van de cataloguswaarde in 2021, 16 procent in 2022 en 17 procent in 2025. Vanaf 2026 geldt voor een elektrische auto voor de gehele cataloguswaarde een bijtelling van 22 procent, gelijk aan een conventionele auto. Het gaat hier uiteraard om auto's die in 2020 (of later) voor het eerst op kenteken gezet worden (eerste registratie). Deze wijzigingen komen voort uit het Klimaatakkoord. 

Fiets van de zaak

De waarde van het privévoordeel van een (elektrische) fiets van de zaak wordt forfaitair vastgesteld op 7 procent van de oorspronkelijke nieuwwaarde van de fiets. De bijtelling geldt als de fiets voor (een deel van het) woon-werkverkeer ter beschikking staat. Een fiets van de zaak kan naast een auto van de zaak ter beschikking worden gesteld.

Vrijwilligersregeling

De maximale bedragen die een vrijwilliger onbelast kan ontvangen worden jaarlijks geïndexeerd (nu 170 euro per maand en 1.700 euro per kalenderjaar). Omdat het bedrag wordt afgerond, zullen de maxima niet ieder jaar wijzigen.

Vrijstelling assurantiebelasting voor verzekeren loondoorbetalingsverplichting en eigenrisicodragerschap 

Er komt een vrijstelling assurantiebelasting voor verzekeringen die mogelijke financiële verplichtingen afdekken die een werkgever heeft vanwege zijn loondoorbetalingsverplichting bij ziekte of vanwege zijn eigenrisicodragerschap voor de WGA en Ziektewet. Volgens de wetgever is dit een technische aanpassing van de wet en brengt hij hiermee de wet in overeenstemming met de dagelijkse praktijk.

Vennootschapsbelasting

Tarief 

Het vennootschapsbelastingtarief over de eerste 200.000 euro daalt naar 16,5 procent. Het tarief voor de winst boven 200.000 euro blijft per 1 januari 2020 echter 25 procent ondanks dat vorig jaar is bepaald dat het toptarief zou dalen naar 22,55 procent. Per 1 januari 2021 gaat het toptarief wel dalen, maar slechts naar 21,7 procent in plaats van 20,5 procent. De daling van het tarief over de eerste 200.000 euro winst blijft ongemoeid (naar 16,5 procent in 2020 en 15 procent in 2021).

Innovatiebox

Vanaf 1 januari 2021 wordt het effectieve tarief van de innovatiebox verhoogd van 7 procent naar 9 procent.

Aanpassing liquidatieverliesregeling

Vanaf 2021 zal de aftrekbaarheid van een liquidatieverlies worden beperkt. Dit volgt uit een eerder ingediend initiatiefwetsvoorstel, waarvan het kabinet nu heeft aangegeven dit in hoofdlijnen te willen volgen. Aftrek is dan slechts nog toegestaan voor belangen van meer dan 25 procent (materiële beperking) in vennootschappen gevestigd in EU/EER landen (territoriale beperking). In niet-EU/EER situaties en voor belangen van 25 procent of minder maar 5 procent of meer, blijft een liquidatieverlies aftrekbaar tot maximaal een bedrag van 1 miljoen euro. Daarnaast kan het liquidatieverlies slechts in aanmerking worden genomen indien de vereffening van de deelneming binnen drie jaar na staking of het besluit daartoe wordt voltooid (temporele beperking). Soortgelijke bepalingen gelden ook ten aanzien van de staking van een vaste inrichting. Er wordt verwacht dat zowel het percentage als het maximale bedrag nog zullen worden verhoogd.

Maatregelen hybride mismatches

De maatregelen tegen de ongewenste fiscale effecten van hybride mismatches in grensoverschrijdende situaties komen voort uit de Europese richtlijn 'ATAD II'. Hybride mismatches ontstaan wanneer instrumenten, entiteiten of vestigingsplaatsen verschillend beoordeeld worden vanuit verschillende (EU-)landen. De maatregelen zijn erop gericht een eventueel voordeel door deze verschillen weg te nemen. Lees in dit bericht meer over ATAD II. Dit wetsvoorstel is al vóór de zomer ingediend, maar we volgen het voorstel op deze site omdat de parlementaire behandeling gelijk loopt met die van het Belastingplan 2020 en omdat de maatregelen ook per 2020 in gaan.

Definitie vaste inrichting/vaste vertegenwoordiger

Er wordt een wettelijke definitie van vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger geïntroduceerd die in overeenstemming is met het OESO-Modelverdrag 2017. Deze gaat gelden voor niet-verdragssituaties. De definitie is van toepassing voor zowel de vennootschapsbelasting, de inkomstenbelasting als de loonbelasting. De belangrijkste wijziging betreft het begrip ‘vaste vertegenwoordiger’; dit is met name van belang voor principaal-agent situaties. Daarnaast bepaalt de wet expliciet dat Nederland in verdragssituaties aansluit bij de definitie van het begrip vaste inrichting in het desbetreffende belastingverdrag. 

Wijzigingen in de aanvullende controlled foreign company (CFC)-maatregel 

Met ingang van 2019 zijn zogenoemde CFC-regels in de vennootschapsbelasting opgenomen. Is er sprake van wezenlijke economische activiteiten (de zogenoemde ‘substance clause’) dan geldt de uitzondering dat CFC-regels niet van toepassing zijn. Vanaf (boekjaren die aanvangen op of na 1 januari) 2020 geldt dat de CFC-regels toch van toepassing zijn als de CFC wél voldoet aan de Nederlandse substance-eisen maar de inspecteur aannemelijk maakt dat het hoofddoel, of een van de hoofddoelen, het in aanmerking komen voor de uitzondering is. Indien de CFC niet voldoet aan de Nederlandse substance-eisen krijgt de belastingplichtige de mogelijkheid aannemelijk te maken dat de CFC wezenlijke economische activiteiten verricht; slaagt hij daarin dan zijn de CFC-regels toch niet van toepassing.

Wijzigingen in de buitenlandse AB-regeling 

De regeling voor technisch aanmerkelijk belang (AB) in de vennootschapsbelasting wordt gewijzigd. In situaties waarin een buitenlands lichaam met een AB in een Nederlands lichaam voldoet aan de substance-eisen, kan de inspecteur nog steeds aannemelijk maken dat sprake is van misbruik. Hij kan dan vennootschapsbelasting heffen over dividenden en vervreemdingswinsten. Als het buitenlandse lichaam niet voldoet aan de Nederlandse substance-eisen, kan het toch aannemelijk maken dat geen sprake is van misbruik. In beide gevallen kunnen de Belastingdienst en de belastingplichtige zich beroepen op de indicatoren van misbruik die door het HvJ EU zijn gegeven in de zogenoemde “Deense Beneficial Ownership zaken”. 

Minimumkapitaalregel banken en verzekeraars

Met de minimumkapitaalregel wordt de fiscale renteaftrek van banken en verzekeraars beperkt voor zover het vreemd vermogen meer bedraagt dan 92 procent van het balanstotaal. Daarbij wordt voor banken aangesloten bij de verordening kapitaalvereisten. Voor verzekeraars wordt aangesloten bij de verordening solvabiliteit II.

Aanpassing vrijstelling overheidsondernemingen

De vrijstelling voor interne activiteiten en de quasi-inbestedingsvrijstelling worden uitgebreid met terugwerkende kracht naar 1 januari 2016 (zoals al was goedgekeurd bij besluit van 19 juli 2019). Voor deze vrijstellingen is onder andere vereist dat de activiteiten plaatsvinden binnen de ‘eigen kring’. Met de uitbreidingen wordt nu bereikt dat de ‘eigen kring’ van een overheidsorganisatie meer dan één publiekrechtelijke rechtspersoon kan bevatten. 

Aanpassing onderwijsvrijstelling 

De bekostigingseis voor toepassing van de vrijstelling voor onderwijs en onderzoek wordt versoepeld (zoals al was goedgekeurd bij besluit van 19 juli 2019). Met deze wijziging wordt bereikt dat ook verplichte ouderbijdragen voor toelating tot een internationale afdeling van een kwalificerende school gelden als toegelaten financieringsmiddel voor de bekostigingseis. 

Tonnageregime

Op aanwijzing van de Europese Commissie wordt de tonnageregeling op een aantal punten aangescherpt. Er komt een plafond voor in tijd- of reischarter gehouden schepen die geen EU/EER-vlag voeren. Bij ingebruikname van een schip vanaf 1 januari 2020 moet ten minste één schip van de vloot een EU/EER-vlag voeren en er wordt een vlagvereiste voor scheepsmanagers geïntroduceerd. Voor op 31 december 2019 bestaande tonnage-situaties, wordt een overgangsregeling getroffen. Laatste punt is de invoering van een winstplafond voor niet-vervoersactiviteiten van maximaal 50 procent van de jaarwinst (bijvoorbeeld relevant voor cruiseschepen).

Beschikking earningstrippingregeling

In 2019 is de earningstrippingregeling ingevoerd. Op grond van deze regeling wordt de niet-aftrekbare rente doorgeschoven naar latere jaren. Deze doorgeschoven rente wordt bij beschikking vastgesteld. Nu krijgt de Belastingdienst ook de mogelijkheid om, onder omstandigheden, de beschikking achteraf te herzien. Hierbij wordt aangesloten bij de regels voor de verliesbeschikking. 

Aftrekuitsluiting dwangsommen en strafbeschikkingen

Strafrechtelijke en bestuurlijke boeten waren al van aftrek uitgesloten. Nu wordt geregeld dat hetzelfde gaat gelden voor bestuurlijke dwangsommen. Privaatrechtelijke dwangsommen opgelegd door een burgerlijke rechter blijven aftrekbaar, óók indien gevorderd door een publiekrechtelijk lichaam. Verder zullen betalingen in het kader van strafbeschikkingen niet langer aftrekbaar zijn (inclusief vergelijkbare buitenlandse betalingen).

Beperking van belastingrente vennootschapsbelasting

Bij de vennootschapsbelasting is geen belastingrente verschuldigd als binnen vier maanden na het eind van het belastingjaar aangifte is gedaan en de aanslag conform deze aangifte wordt opgelegd. Onder de huidige regeling kan daardoor al belastingrente in rekening worden gebracht over de periode vóór het verstrijken van de aangiftetermijn (zes maanden). Deze onredelijkheid wordt nu uit de regeling gehaald, zodat pas na zes maanden belastingrente is verschuldigd. 

Betalingskorting vennootschapsbelasting 

Bij betaling ineens van een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting die in termijnen mag worden betaald, wordt nu een betalingskorting verleend. Deze betalingskorting voor de vennootschapsbelasting wordt per 2021 afgeschaft.

Bronbelastingen

Conditionele bronbelasting op rente en royalty’s 

Er wordt een conditionele bronbelasting ingevoerd op uitgaande rente- en royaltybetalingen aan gelieerde lichamen die zijn gevestigd in landen zonder winstbelasting of met een statutair tarief lager dan 9 procent, landen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden of in misbruiksituaties. Het tarief van de bronbelasting is gelijk aan het hoogste tarief in de vennootschapsbelasting, namelijk 21,7 procent (tarief 2021). De wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2021.

Antimisbruikbepaling uiteindelijk gerechtigden

De antimisbruikbepaling in de dividendbelasting wordt gewijzigd. Indien de opbrengstgerechtigde voldoet aan de Nederlandse substance-eisen, kan de inspecteur alsnog aannemelijk maken dat sprake is van misbruik. Indien de opbrengstgerechtigde niet aan de substance-eisen voldoet, kan naast de inhoudingsplichtige nu ook de opbrengstgerechtigde aannemelijk maken dat geen sprake is van misbruik. In beide gevallen kunnen de Belastingdienst en de opbrengstgerechtigde/inhoudingsplichtige zich beroepen op de indicatoren van misbruik die door het HvJ EU zijn gegeven in de zogenoemde 'Deense beneficial ownership zaken'. Een vergelijkbare antimisbruikbepaling wordt opgenomen in de bronbelasting op rente- en royaltybetalingen die per 2021 gaat gelden.  

DAC6

DAC6 Verplichte informatie-uitwisseling

Er komt een verplichting om over bepaalde grensoverschrijdende advisering gegevens te verstrekken aan de Belastingdienst. Deze verplichting geldt voor (belasting-)adviseurs en in sommige gevallen belastingplichtigen. Dit vloeit voort uit Europese regelgeving. De uitwisseling van gegevens moet EU-lidstaten in staat stellen hun fiscale wet- en regelgeving aan te passen om deze legale maar ongewenste grensoverschrijdende structuren tegen te gaan. Daarnaast kan vanuit deze wetgeving een gedragsbeïnvloedende werking uitgaan, omdat belastingplichtigen mogelijk willen afzien van constructies die onder de reikwijdte van de informatie-uitwisseling vallen. De voorgestelde wetgeving ziet kort gezegd op alle belastingen behalve de omzetbelasting, invoerrechten en accijnzen. Lees in dit bericht meer over deze nieuwe regels. Dit wetsvoorstel is al vóór de zomer ingediend, maar we volgen het voorstel op deze site omdat de parlementaire behandeling gelijk loopt met die van het Belastingplan 2020. De wetgeving treedt pas per 1 juli 2020 in werking, maar werkt grotendeels effectief terug naar 25 juni 2018.

Omzetbelasting

Btw-identificatienummer afnemer verplichting voor 0%-tarief (quick fixes EU-handel)

Voor toepassing van het tarief van nul procent bij grensoverschrijdende B2B-handel in goederen binnen de EU wordt het gebruik van het btw-identificatienummer van de afnemer en de indiening van een juiste periodieke Opgaaf ICP verplicht.

Harmonisering regeling voorraad op afroep btw (quick fixes EU-handel)

Er komt een geharmoniseerde regeling voor goederen die een ondernemer naar een andere lidstaat verplaatst om ze daar later op afroep van de klant te leveren. Toepassing van de regeling voorkomt btw-registratie in de lidstaat van de klant. De regeling vereist dat de leverancier de leveringen in een register opneemt en op twee momenten een correcte Opgaaf ICP indient. 

Verduidelijking toepassing btw-nultarief bij ketentransacties (quick fixes EU-handel)

Ketentransacties zijn opeenvolgende leveringen tussen ondernemers van dezelfde goederen, waarbij slechts één intracommunautaire vervoersbeweging plaatsvindt. De nieuwe regeling voor ketentransacties verduidelijkt in welke schakel het nultarief voor de intracommunautaire levering moet worden toegepast als één van de partijen in de keten het vervoer regelt.

Bewijs grensoverschrijdend EU-vervoer (quick fixes EU-handel)

Om het btw-nultarief voor intracommunautaire leveringen toe te kunnen passen moet het bewijs worden geleverd dat de goederen daadwerkelijk naar een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd. Naast de bestaande nationale regels wordt hiervoor nu ook voorzien in een Europese bewijsregeling.

Leveren en uitlenen digitale publicaties van 21 procent naar 9 procent btw  

Het verlaagde btw-tarief wordt van toepassing op het leveren of uitlenen van e-publicaties (digitale boeken, kranten, tijdschriften en leermiddelen voor het onderwijs). Daarnaast gaat het verlaagde btw-tarief onder voorwaarden ook gelden voor de betaalde toegang tot nieuwswebsites van bijvoorbeeld kranten en tijdschriften.

De nieuwe kleineondernemersregeling voor de btw

De al eerder aangekondigde vernieuwde kleineondernemersregeling (KOR) wordt van kracht. Een ondernemer kan onder voorwaarden gebruik maken van een vrijstelling van btw bij een omzet die per kalenderjaar niet hoger is dan 20.000 euro. De nieuwe KOR is niet langer beperkt tot natuurlijke personen of samenwerkingsverbanden van natuurlijke personen, maar staat open voor alle btw-ondernemers die in Nederland zijn gevestigd of een vaste inrichting hebben en aan de voorwaarden voldoen. 

Milieu/Auto

Klimaatakkoord - auto’s

Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het Klimaatakkoord gepresenteerd. Dit Klimaatakkoord bevat een pakket maatregelen om de broeikasgassen in 2030 met 49 procent terug te dringen in vergelijking tot 1990.

Om de aanschaf van emissieloze voertuigen te blijven stimuleren, wordt het nultarief voor de Motorrijtuigenbelasting en de BPM voor emissieloze voertuigen verlengd tot 1 januari 2025. Ook wordt het halftarief in de motorrijtuigenbelasting voor zuinige auto’s (maximaal 50 gram CO2 per kilometer) verlengd tot 1 januari 2025. 

Vanaf 1 januari 2025 gaat dit veranderen. Vanaf dan geldt voor emissieloze auto’s een BPM-tarief van 360 euro (het minimale tarief). De motorrijtuigenbelasting voor zuinige auto’s en voor emissieloze auto’s wordt vanaf 1 januari 2025 verhoogd naar respectievelijk 75 procent en 25 procent van het reguliere tarief van de motorrijtuigenbelasting. 

Ook krijgen provincies per 1 januari 2025 de mogelijkheid om motorrijtuigenbelasting (provinciale opcenten) te heffen op emissieloze auto’s voor de helft van het tarief van de provinciale opcenten. Voor zuinige auto’s (CO2-uitstoot van maximaal 50 gram per kilometer) geldt een maximum van 75 procent van het reguliere tarief, in plaats van de huidige 50 procent.

Voor bestelauto’s van ondernemers geldt voor de motorrijtuigenbelasting nu een verlaagd tarief. In het Klimaatakkoord is afgesproken om dit tarief geleidelijk te verhogen. De motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s wordt daarom per 2021, 2022, 2023 en 2024 verhoogd met respectievelijk 5,25 procent, 4,99 procent, 4,75 procent en 4,54 procent. Het tarief voor bestelauto’s wordt in 2025 verlaagd met 4,34 procent ten opzichte van het jaar 2024.

Om de maatregelen uit het klimaatakkoord te bekostigen, wordt de accijns op halfzware olie en gasolie (diesel) op zowel 1 januari 2021 als op 1 januari 2023 verhoogd met 1 eurocent per liter. 

Klimaatakkoord - CO2-heffing

De voorstellen met fiscale maatregelen uit het Klimaatakkoord bevatten nog niet het voorstel voor een CO2-heffing voor de industrie. De uitwerking van de CO2-heffing kost meer tijd en wordt daarom waarschijnlijk pas opgenomen in het Belastingplan 2021.

Aanpassing schijven tarief BPM en motorrijtuigenbelasting

De CO2-schijven die worden gebruikt voor de vaststelling van de BPM en de motorrijtuigenbelasting worden per 1 juli 2020 budgetneutraal aangepast. De reden hiervoor is een nieuwe meetmethode (WLTP) om de CO2-uitstoot per auto te berekenen. 

Opslag duurzame energie

De opslag duurzame energie (ODE) wordt voortaan de opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE) genoemd. De ODE is een heffing op het verbruik van elektriciteit en aardgas. De tarieven worden per 2020 zodanig aangepast dat 33 procent van de lasten neerslaat bij huishoudens, en 67 procent bij bedrijven (in plaats van de thans geldende 50-50 verdeling). Als gevolg hiervan zullen met name grootverbruikers meer gaan betalen. 

Overdrachtsbelasting

Verhoging algemene tarief overdrachtsbelasting 

Het algemene tarief van 6 procent geldt voor alle onroerende zaken behalve woningen. Dit tarief wordt verhoogd tot 7 procent. Het kabinet geeft aan dit tarief per 2021 te willen verhogen, al duidt het wetsvoorstel zelf op invoering per 2020. De ingangsdatum is dus nog onduidelijk. Het verlaagde tarief van 2 procent voor de verkrijging van woningen (of van rechten waaraan deze zijn onderworpen) wordt niet aangepast.

Overig

Verhuurdersheffing

Er komen twee voorwaardelijke kortingsmaatregelen om de sociale woningbouw te stimuleren. Ten eerste een heffingsvermindering van maximaal 25.000 euro per gerealiseerde sociale huurwoning in een aangewezen schaarstegebied. Ten tweede een vrijstelling voor gerealiseerde tijdelijke woningen (maximaal 15 jaar) bestemd voor o.a. studenten, mantelzorgers, statushouders en arbeidsmigranten.

Investeringsfonds

Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om een investeringsfonds op te richten om investeringen in onder meer innovatie, kennisontwikkeling en infrastructuur te stimuleren. Randvoorwaarden voor het fonds zijn dat investeringen bijdragen aan duurzame economische groei en dat het verdienvermogen van Nederland op de lange termijn (20-30 jaar) wordt versterkt. Begin 2020 zullen de ministers van Economische Zaken en Klimaat en van Financiën meer details publiceren.

Pensioenakkoord

In het Pensioenakkoord van 5 juni 2019 zijn afspraken gemaakt over herziening van het pensioenstelsel. De voorgenomen maatregelen zien onder andere op de minder snelle stijging van de AOW-leeftijd, duurzame inzetbaarheid van werkenden en vervroegde uittreding. Het kabinet bevestigt dat de boeteheffing op een vertrekvergoeding die kwalificeert als een 'Regeling voor vervroegde uittreding' niet geheven zal worden tussen 2021 en 2026. Aan deze vrijstelling zijn wel meerdere voorwaarden verbonden. Ook zal het kabinet eenmalig 800 miljoen euro beschikbaar stellen aan sociale partners om hiermee maatregelen voor langer doorwerken te financieren. Er zijn geen maatregelen aangekondigd die niet al eerder bekend zijn gemaakt in het Pensioenakkoord of in de reeds gepubliceerde uitwerking van dit akkoord. U kunt onze eerdere reactie op het Pensioenakkoord lezen in dit bericht. De verdere uitwerking van de maatregelen uit het pensioenakkoord wordt komend jaar verwacht. 

Assurantiebelasting

Er zijn twee extra vrijstellingen voorgesteld in de assurantiebelasting. De eerste vrijstelling is de introductie van de vrijstelling voor brede weersverzekeringen voor actieve landbouwers. Nederland heeft hiervoor toestemming gekregen van de Europese Commissie, omdat deze vrijstelling een steunregeling is uit het plattelandsontwikkelingsprogramma.

De tweede vrijstelling is de vrijstelling voor verzekeringen die mogelijke financiële verplichtingen afdekken die een werkgever heeft vanwege zijn loondoorbetalingsverplichting bij ziekte of vanwege zijn eigenrisicodragerschap voor de WGA en Ziektewet. Volgens de wetgever is dit een technische aanpassing van de wet en brengt hij hiermee de wet in overeenstemming met de dagelijkse praktijk. 

Verhoging accijns op tabaksproducten

De accijns op sigaretten en rooktabak (o.a. shag) wordt per 1 april 2020 verhoogd. De verwachting is dat de verhoging zal resulteren in een gemiddelde prijsstijging van 1 euro per pakje. Dit past in het kader van het ontmoedigingsbeleid zoals uitgewerkt in het Preventieakkoord.

Aanpassing inkeerregeling

De boetevrije inkeerregeling wordt uitgesloten voor inkomen uit aanmerking belang. Ook wordt inkomen uit sparen en beleggen dat binnen respectievelijk buiten Nederland is opgekomen, voortaan gelijk behandeld en in zijn geheel uitgesloten van de boetevrije inkeerregeling.

Communicatie met de Belastingdienst

Belastingplichtigen en inhoudingsplichtigen krijgen de mogelijkheid om te kiezen hoe ze hun zaken met de Belastingdienst regelen: op papier of digitaal. Voor bepaalde berichten (berichten van de afdeling douane binnen de Belastingdienst), groepen (ondernemers) en in bepaalde omstandigheden geldt het keuzerecht niet. 

Spontane aangifte aanslagbelastingen

De inspecteur krijgt voor spontane aangiften aanslagbelastingen (zoals inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting) dezelfde wettelijke correctie- en sanctiebevoegdheden die hij nu al heeft voor aangiften die volgen op een vooraf verzonden of uitgereikte uitnodiging daartoe. Bij een spontane aangifte is niet vooraf een uitnodiging verstuurd. Daarnaast wordt de aanslag- respectievelijk navorderingstermijn met zes maanden verlengd als binnen zes maanden voor het einde van die termijn een verzoek om uitnodiging of een spontane aangifte is gedaan. Hiermee krijgt de inspecteur meer tijd om de belastingschuld en aanslag correct vast te stellen.

Aanpassing belastingrente erfbelasting

In bijzondere situaties start de aangiftetermijn erfbelasting later dan op de dag van het overlijden. Nu sluit ook de berekening van belastingrente aan op het verloop van die later aangevangen aangiftetermijn. Er wordt in die bijzondere situaties dus geen belastingrente meer berekend als het verzoek om een voorlopige aanslag of de aangifte is ontvangen binnen de aangiftetermijn die verlaat is aangevangen. De voorlopige of definitieve aanslag erfbelasting moet dan zijn vastgesteld conform het verzoek of de aangifte. Voorbeelden van bijzondere situaties zijn onzekerheid wie de erfgenaam wordt vanwege zwangerschap, onbeheerde nalatenschappen zonder vereffenaar en verkrijgingen als gevolg van de vervulling van een voorwaarde.

Contact

Knowledge Centre

Rotterdam, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 43 51

Volg ons