Skip to content Skip to footer
Search

Loading Results

Box 3: heden en toekomst

25/11/20


Dit artikel is voor het laatst geüpdatet op 25 november 2020.

De staatssecretaris had al een tipje van de sluier opgelicht: in 2021 gaat het heffingsvrije vermogen omhoog naar 50.000 euro waardoor spaarders minder zwaar worden belast in box 3. Met het wetsvoorstel voor aanpassing box 3 gaat het belastingtarief iets omhoog naar 31 procent en worden de forfaitaire rendementen aangepast op basis van indicatoren van in de markt gerealiseerde rendementen op spaargeld en beleggingen. Het box 3-wetsvoorstel bevat ook een aantal belangrijke nadere maatregelen. Daarmee wordt voorkomen dat de gewijzigde box 3-grondslag nadelig doorwerkt in verschillende inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen.

Een concreet vergezicht voor een hervorming van box 3 blijft helaas uit. Een eerdere schets van een toekomstige hervorming van box 3 is teruggestuurd naar de tekentafel, zie ook ons bericht Nieuw plan kortetermijnaanpassing box 3 verschijnt op Prinsjesdag 2020. Bij het Pakket Belastingplan 2021 is enkel aangegeven dat belasten van het werkelijke rendement het uiteindelijke doel is voor het huidige kabinet. Tegelijk tempert de staatssecretaris direct de verwachtingen met de opmerking dat dit doel niet op de korte termijn te realiseren is.

Wat betreft suspense was het ook wachten op antwoord op de vraag of in eerdere jaren te veel box 3 is geheven en of belastingplichtigen hiervoor compensatie mogen verwachten. Daarover heeft de staatssecretaris inmiddels duidelijkheid verschaft en aangegeven dat voor de jaren 2013 tot en met 2016 geen financiële compensatie komt: “Op basis van de tot nu toe gewezen jurisprudentie, waaronder de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad, en de notitie van het Centraal Planbureau (CPB) komt het kabinet daarom tot de conclusie dat de vermogensrendementsheffing in de jaren 2013 tot en met 2016 niet in strijd is met het EVRM-recht. Dit betekent dat financiële compensatie nu niet aan de orde is.” Zie ook de Kamerbrief Kabinetsreactie box 3 2013 - 2016.

Box 3 in 2021

Wijziging grondslag en tarief 

Met de Wet aanpassing box 3 gaat het heffingsvrije vermogen van 30.846 euro naar 50.000 euro per belastingplichtige, wat neerkomt op 100.000 euro voor partners (2020: 61.692 euro). Daarnaast worden de schijfgrenzen aangepast: de tweede schijf begint bij 100.000 euro vermogen en derde schijf bij 1.000.000 euro vermogen.

Het tarief wordt verhoogd van 30 procent naar 31 procent. Verder gaan de forfaitaire rendementen voor sparen omlaag naar 0,03 procent (2020: 0,07 procent) en voor beleggen omhoog naar 5,69 procent (2020: 5,28 procent). Deze forfaitaire rendementen worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van werkelijke rendementen in de periode van juli 2019 tot en met juni 2020.

(Geen) doorwerking naar vermogens- en inkomensafhankelijke regelingen

Voor de toepassing van de zorgtoeslag, het kindgebonden budget, de kinderopvangtoeslag en de eigen bijdrage in het kader van de Wet langdurige zorg, blijft nog steeds het huidige (geïndexeerde) drempelvermogen gelden (voor 2021: 31.430 euro). De aanpassing in box 3 werkt in zoverre dus niet door naar de vermogenstoets in deze regelingen. De aanpassing werkt wel door in de inkomenstoets via het verzamelinkomen, dat daardoor lager uitvalt. Dat is doorgaans gunstig omdat een lager verzamelinkomen eerder recht geeft op onder andere toeslagen en het kindgebonden budget.

Geen belasting in box 3, maar nog wel aangifte

Mensen met een vermogen van meer dan 31.430 euro moeten straks nog steeds box 3 aangeven in de aangifte inkomstenbelasting, ook als zij geen belasting meer hoeven te betalen vanwege het verhoogde heffingvrije vermogen. De Belastingdienst geeft deze informatie namelijk door aan andere overheidsinstanties. De inspecteur zal het bedrag waarmee de rendementsgrondslag de drempel van 31.340 euro overschrijdt bij beschikking vaststellen op de belastingaanslag. 

Wat betekent dit voor u?

In vergelijking met 2020 gaat de box 3-heffing in 2021 voor vermogens tot 142.500 euro omlaag. Als uw box 3-vermogen hoger is dan 142.500 euro, dan gaat uw box 3-heffing in 2021 omhoog. In de aanbiedingsbrief is aangegeven dat vermogens tot 220.000 euro erop vooruitgaan. Daarbij wordt de vergelijking echter niet gemaakt met de box 3-heffing in 2020, maar met een ongewijzigd beleid in 2021 op basis waarvan de cijfers zouden worden geïndexeerd. In ieder geval komt de aanpassing per 2021 een groot deel van de spaarders en kleine beleggers op korte termijn tegemoet.

Om de getalsmatige impact van deze aanpassingen inzichtelijk te maken, hebben wij de verschuldigde box 3-heffing in 2020 en in 2021 in deze visual berekend voor drie verschillende vermogens.

 

Toekomst: hervorming van box 3

Nog geen belasting van reële rendementen

Hoewel het belasten van het reële rendement het uiteindelijke doel blijft, is een belasting van het reële rendement volgens Vijlbrief, de huidige staatssecretaris van Financiën, op dit moment niet uitvoerbaar. De Belastingdienst zou precieze rendementen uit investeringen namelijk niet kunnen nagaan en dus ook niet belasten.

Voor latere jaren is een extern onderzoek gestart naar de praktische mogelijkheden voor een heffing op basis van werkelijk rendement. Daarin wordt ook de rol van banken meegenomen bij het vaststellen van werkelijk rendement. Verder komt er een onderzoek naar de mogelijkheden om een tegenbewijsregeling in te voeren voor mensen die vooral of uitsluitend spaargeld in box 3 hebben. Uitkomsten van beide onderzoeken worden in het voorjaar van 2021 bekendgemaakt, zodat ze gebruikt kunnen worden tijdens de kabinetsformatie.

Kritiek op het oorspronkelijke voorstel

De grootste kritiek van de huidige staatssecretaris is dat het voorstel van zijn voorganger onvoldoende rekening houdt met relatief kleine beleggers. Het eerdere voorstel kwam erop neer dat vanaf 2022 gerekend zou worden met de werkelijke bedragen aan spaargeld, beleggingen en schulden per belastingplichtige. Voor deze drie verschillende categorieën zou een afzonderlijk forfaitair rendement worden vastgesteld, dat zo goed mogelijk aansluit bij werkelijke gemiddelde rendementen. Dit wetsvoorstel was gepland voor de zomer van 2020. Zie voor het oorspronkelijke voorstel ons eerdere bericht: 'Aanpassing box 3: Kamervragen beantwoord'.

Dat oorspronkelijke voorstel verdwijnt nu van tafel omdat het volgens Vijlbrief op grote bezwaren stuit. Het plan zou namelijk een te groot verschil maken tussen belasting die particulieren moeten betalen over rendementen uit sparen (forfaitair rendement 2020: 0,07 procent) en beleggingen (forfaitair rendement 2020: 5,28 procent procent). Daarmee zouden weliswaar spaarders worden ontzien, maar anderen niet.

Voor mensen met een box 3-vermogen dat voor een relatief klein deel uit spaargeld bestaat en voor een relatief groot deel uit overige bezittingen of schulden en die tegelijkertijd relatief lage werkelijke rendementen behalen, zou de belastingdruk juist toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Dat voorstel zou andere groepen dan spaarders onevenredig benadelen. Denk daarbij aan kleine beleggers die defensief beleggen en daardoor gemiddeld genomen lagere beleggingsrendementen halen.

Een van de risico’s van het oorspronkelijke voorstel is dat de kleine beleggers voor zeer risicovolle beleggingen zouden gaan kiezen.

Hoe de hervorming van box 3 er uit komt te zien, zullen we dus moeten afwachten.

Contact

Jan Nieuwenhuizen

Jan Nieuwenhuizen

Senior Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)63 009 60 77

Pjotr Anthoni

Pjotr Anthoni

Senior taxmanager Knowledge Centre, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 091 73 45

Knowledge Centre

Rotterdam, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 43 51

Volg ons