Skip to content Skip to footer
Search

Loading Results

Met de juiste prikkels de energietransitie op gang brengen

Coby van der Linde is sinds 2001 directeur van het Clingendael International Energy Programme en nauw betrokken bij het klimaatdebat. De CO2-reductie van 49 procent in 2030, waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd, vraagt om een energietransitie. Dat biedt kansen, maar tegelijk rijst de vraag hoe de energiesector zich kan voorbereiden op de nieuwe realiteit.

Begin dit jaar gaf het kabinet het startschot voor een nationaal debat met het bedrijfsleven, maatschappelijke partijen en medeoverheden over de manier waarop Nederland de CO2-doelstellingen wil realiseren. Het debat vindt plaats aan zogeheten klimaattafels. Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat zei eerder dat de energietransitie waar Nederland voor staat, kansen biedt.

- Maar zijn die kansen er ook daadwerkelijk? Komt de energietransitie er echt?

Coby van der Linde: ‘Niemand in de sector twijfelt er nog aan dat de transitie daadwerkelijk gaat plaatsvinden, temeer omdat er heel interessante technologieën aankomen die dat mogelijk maken vanuit een marktperspectief. Als het alleen zou moeten vanwege het klimaatakkoord van Parijs en de economische mogelijkheden zouden beperkt zijn, dan zou het een lastig verhaal worden. Maar naar mijn mening kan met de juiste prikkels veel op gang worden gebracht. De sector moet nu zorgen voor oplossingen waarmee efficiënt kan worden voldaan aan de toekomstige energievraag en voldoende wordt bijgedragen aan de CO2-doelstellingen.'

- Hoe kan de sector de energietransitie realiseren?

‘Dat is nog onduidelijk. Zolang de keuzes voor bepaalde technologieën, voorwaarden en voor de inrichting van de markt nog niet zijn uitgekristalliseerd, is het ook lastig om passende businessmodellen te ontwikkelen. Zonder die modellen is het voor ondernemingen moeilijk om de marsroutes uit te zetten die nodig zijn. Ik vind dat daar op dit moment te weinig aandacht voor is.'

- Om welke onduidelijkheden gaat het?

‘Neem de Noordzee. Daar kunnen we op termijn veel stroom produceren via offshore windenergie, maar we weten nog niet hoe het dan verder moet. Hoe komt de stroom bij de klant? Is het nodig om het als stroom aan wal te brengen of als waterstof? En in het geval van waterstof, moeten energiebedrijven dan converteren op de kust of kan dat beter dicht bij de productie gebeuren op zee en zo ja hoe dan? Wat mag er wel en wat mag er niet? En is het genoeg? Misschien wel voor de huishoudens, maar niet voor de industrie.'

'Als we niet kunnen voldoen aan de vraag dan hebben we misschien meer bronnen nodig. Misschien zijn we aangewezen op zonne-energie elders in de wereld. Als we kijken naar de Noordzee dan is het ook belangrijk om na te denken over de manier waarop we dat gebied exploiteren. Doen we dat op de manier zoals we dat met olie en gas hebben gedaan, via licenties? De huidige offshore windparken zijn relatief klein, passend bij een startfase. Maar als we ook aan de industriële vraag willen voldoen met een gezond verdienmodel, dan is een grotere schaal wellicht nodig.’

- Wie moet in het debat over deze onderwerpen het voortouw nemen?

‘Dat is de taak van de overheid. Die moet voor energiebedrijven de ruimte scheppen waardoor goede verdienmodellen mogelijk zijn. De klimaattafels bieden een goed platform om daarover met elkaar in gesprek te zijn. Daarnaast wordt in het publieke domein via de media ook een discussie gevoerd, maar niet altijd op constructieve wijze. Het onderwerp wordt dan gereduceerd tot de vraag of we wel of niet van het gas af moeten. In samenhang daarmee gaat het dan ook over de betaalbaarheid en over wie voor de eventuele kosten opdraait. Dan merk je dat er maatschappelijk toch twijfel bestaat over de haalbaarheid en betaalbaarheid van de transitie en wat dat voor burgers betekent. Het debat wordt gekaapt en voor politieke doeleinden gebruikt. Dat vind ik niet zinvol. We kunnen beter met elkaar praten over de stappen die nu gezet moeten worden en over de manier waarop we de nieuwe mogelijkheden benutten en hoe we daar ruimte voor maken.’

- Hoe kan de energiesector zich voorbereiden op de nieuwe realiteit?

‘Er komen nieuwe technologieën aan die prima kunnen concurreren met wat er nu is. Een aantal daarvan is op laboratoriumniveau al goed onderzocht. Er is in bepaalde delen van de economie ook ervaring mee opgedaan. Wat vaak nog ontbreekt, is inzicht in de dimensies. Welke schaal is nodig zodat een bepaalde oplossing vanuit economisch perspectief haalbaar is? Bestuurders in de energiesector moeten nadenken over de lange termijn en goed in gesprek gaan met hun strategieafdeling. Inventariseer je vermogenspositie, kennis, competenties en kapitaalgoederen en probeer op basis van de nieuwe technologieën nieuwe processen te ontwikkelen en in te passen. Misschien betekent dit dat energiebedrijven van de toekomst anders in de waardeketen aanwezig zijn dan nu het geval is. De rol van de overheid zit hem in het creëren van de juiste voorwaarden. Staat de huidige organisatie van de markt veranderingen in de weg? En als dat zo is, hoe gaan we daar dan mee om? Moet er wellicht nieuwe wetgeving en regulering komen?’

- Gaat het nationale debat voldoende over dit soort vragen?

‘Ik zie dat het nu vooral gaat over de doelen en dat de vraag hoe we de doelen bereiken onvoldoende aan bod komt. Ik denk dat de energiesector en de energiebedrijven die duidelijkheid echt nodig hebben om verder te kunnen. Ik ben positief over de mogelijkheden, maar er moet worden gewerkt aan het opheffen van belemmeringen zodat de sector de ruimte krijgt om te experimenteren en om bepaalde technologieën uit te proberen op grotere schaal.’

 

- Wat voor belemmeringen moeten worden opgeheven?

‘De huidige energiemarkten zitten aan het einde van hun cyclus; ze zijn uitontwikkeld en hebben een vaste structuur en regulering. Dat werkt goed onder de huidige omstandigheden, maar is een belemmering als we vaart willen maken met de transitie. Ik zie nu verdienmodellen ontstaan waarbij bedrijven zelf de markt gaan organiseren, zogenoemde verticale integratie, waarbij men zelf de investeringen en risico’s draagt en ook zelf profiteert van de baten. In het huidige organisatiemodel van de markt kan dat niet. Daar moet dus over gesproken worden. Zolang de regels zeggen ‘dat mag niet’ kun je als energieonderneming nog zulke goede ideeën hebben, maar dan kun je ze niet realiseren.’

Coby van der Linde, directeur van het Clingendael International Energy Programme, is maandag 24 september keynote-spreker tijdens PwC's 2018 Global Power & Utilities Networking Meeting in Noordwijk.

 

Contact

Jeroen van Hoof

Jeroen van Hoof

Global Leader, P&U and EU&R, Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 160 91 78

Volg ons