Skip to content Skip to footer
Search

Loading Results

Carbon Border Adjustment Mechanism

EU-heffing aan de grens om ‘carbon leakage’ te voorkomen

Als onderdeel van het ‘Fit for 55’-pakket dat op 14 juli 2021 door de Europese Commissie is gepubliceerd, is een voorstel voor een EU-mechanisme voor een ‘CO2-grensheffing’ (‘Carbon Border Adjustment Mechanism’, CBAM) gepubliceerd. Het CBAM zal van toepassing zijn op de invoer van bepaalde goederen (d.w.z. cement, ijzer en staal, aluminium, elektriciteit en kunstmest). Het is de bedoeling dat de CBAM per 2023 in werking treedt, met een overgangsperiode tussen 2023 en 2026.

Achtergrond CBAM

De beoogde functie van het CBAM, de ‘CO2-grensheffing‘, is het risico van ‘carbon leakage’ naar non-EU aan te pakken en de EU ETS te versterken, zodat de ETS meer effect kan sorteren bij het verwezenlijken van de EU-klimaatdoelstellingen. Hoewel het CBAM in de praktijk vaak wordt aangeduid als een ‘CO2-grensheffing’ is er feitelijk geen belastingheffing aan de grens maar gaat het om een verplichting om een emissiecertificaat aan te kopen bij de invoer van bepaalde goederen. 

In het huidige EU ETS wordt binnen de EU het mechanisme van gratis toewijzing van EU-emissierechten toegepast om de wereldwijde concurrentiepositie van de daarvoor gevoelige sectoren van de EU-industrie te waarborgen. Dat systeem is effectief in het beperken van het risico van weglek van CO2 (door productie in non-EU), maar vermindert de prikkel die van een CO2-prijs uitgaat om in CO2-arme of CO2-vrije productietechnieken te investeren.

De Europese Commissie stelt nu voor het CBAM in de plaats te laten komen van het mechanisme van toewijzing van kosteloze emissierechten. In het nieuwe voorstel van de Europese Commissie voor een herziene ETS zal het aantal gratis emissierechten voor alle sectoren mettertijd afnemen. Het CBAM heeft daarbij als doel om tot een vergelijkbare CO2-prijs te komen voor EU-binnenlandse producten en uit niet-EU-landen ingevoerde producten.

Wettelijk kader

Voorgesteld EU-instrument: EU-verordening

Het CBAM-voorstel heeft de vorm van een EU-verordening in plaats van een richtlijn. Volgens de Europese Commissie zal dit instrument ervoor zorgen dat een aantal bepalingen betreffende in de douane-unie ingevoerde goederen rechtstreeks toepasselijk zijn. Bovendien vereist een EU-verordening een uniforme en consequente toepassing en handhaving in de gehele Unie. Praktisch gezien zal de CBAM-verordening, indien deze wordt aangenomen, vanaf 1 januari 2023 rechtstreeks toepasselijk en bindend zijn voor alle EU-lidstaten, dat wil zeggen dat in de verschillende EU-lidstaten geen implementatie van de CBAM meer nodig is. 

Rechtsgrondslag: Artikel 192, lid 1, van het VWEU 

Artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (‘VWEU’) dient als rechtsgrondslag voor het CBAM-voorstel. Overeenkomstig artikel 191 en artikel 192, lid 1, VWEU draagt de EU onder meer bij tot het nastreven van de volgende doelstellingen: behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen, en in het bijzonder de bestrijding van klimaatverandering.

Wetgevingsprocedure van de EU: de gewone wetgevingsprocedure

Vanwege deze rechtsgrondslag kan het CBAM-voorstel worden aangenomen op basis van de gewone wetgevingsprocedure (voorheen ‘medebeslissingsprocedure’ genoemd), na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. 

Deze procedure kan veel tijd in beslag nemen. Tijdens de eerste lezing behandelt het Europees Parlement het voorstel van de Europese Commissie die het initiatief heeft. Het Parlement kan dit voorstel verwerpen, ongewijzigd goedkeuren of amenderen. Vervolgens kan de Raad van de EU (voorheen de Raad van Ministers) besluiten het vastgestelde standpunt van het Europese Parlement te aanvaarden, in welk geval de wetgevingsbesluit wordt aangenomen. 

De Raad kan het standpunt van het Parlement echter ook wijzigen en het voorstel voor een nieuwe lezing naar het Parlement terugzenden. 

De Raad van de EU besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen (15 van de 27 lidstaten en het voorstel wordt gesteund door lidstaten die ten minste 65 procent van de totale EU-bevolking vertegenwoordigen), tenzij het standpunt van de Raad afwijkt van dat van de Europese Commissie, in welk geval eenparigheid van stemmen vereist is. Het voorstel van de Europese Commissie is in dit stadium inhoudelijk voor het overgrote deel al door het Europese Parlement als positief beoordeeld.

Beoogde inwerkingtreding: in beginsel 1 januari 2023

De voorgestelde inwerkingtreding van het CBAM is 1 januari 2023, waarbij sommige bepalingen alleen tijdens de overgangsperiode (1 januari 2023 - 31 december 2025) van toepassing zijn en andere (onder andere de verplichte aankoop van CBAM-certificaten) vanaf 2026 van toepassing zijn.

Algemeen toepassingsbereik van het CBAM

Het CBAM vereist bij invoer in de EU de aankoop van een certificaat dat de CO2-prijs van de betreffende broeikasgassen weerspiegelt. Het betreft de broeikasgasemissies die bij invoer ‘besloten liggen’ in de producten cement, elektriciteit, kunstmest, ijzer en staal, aluminium (‘embedded emissions’). De specifieke goederen die momenteel binnen het toepassingsbereik vallen, worden opgesomd in een bijlage bij de CBAM-verordening.

De onder het toepassingsgebied vallende goederen kunnen alleen worden ingevoerd door een door de bevoegde autoriteit gemachtigde douane-aangever (‘authorised declarant’). De definitie van aangever is gekoppeld aan de definitie die in de EU-douanewetgeving wordt gebruikt.

In het algemeen zal de prijs van het CBAM-certificaat worden gebaseerd op de werkelijke emissies die in de ingevoerde goederen zijn vervat. Wanneer deze werkelijke emissies niet afdoende kunnen worden bepaald, kunnen de ‘embedded emissions’ ook worden bepaald aan de hand van standaardwaarden.

De CBAM-certificaten vormen een eigen pool van certificaten, buiten de EU ETS-pool. De prijs van de CBAM-certificaten zal worden berekend als het gemiddelde van de slotprijzen van alle veilingen van EU ETS-emissierechten die in de loop van elke kalenderweek op de betreffende veilingplatforms plaatsvinden.

Het EU ETS is van toepassing op de uitstoot van bepaalde industriële installaties binnen de EU, terwijl het CBAM wordt toegepast op de ‘embedded emissions’ van goederen die in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd. In tegenstelling tot de EU ETS-emissierechten kunnen de CBAM-certificaten niet worden verhandeld.

Volgens de Europese Commissie is deze maatregel zo ontworpen dat wordt voldaan aan de regels van de Wereldhandelsorganisatie (‘WTO’) en andere internationale verplichtingen van de Unie.

Elke lidstaat wijst een bevoegde autoriteit aan om het nakomen van de verplichtingen uit hoofde van het CBAM in die lidstaat te waarborgen. De bevoegde autoriteit van elke lidstaat legt een nationaal register aan van de in die lidstaat specifiek voor het CBAM gemachtigde douane-aangevers. Dit gebeurt in de vorm van een gestandaardiseerde elektronische databank die ook de gegevens over de CBAM-certificaten van die douane-aangevers bevat.

Om deze gemachtigde douane-aangevers flexibiliteit te bieden bij het nakomen van hun CBAM-verplichtingen en hen in staat te stellen te zo mogelijk te profiteren van schommelingen in de prijs van de EU ETS-emissierechten, dienen de CBAM-certificaten geldig te zijn voor een periode van twee jaar vanaf de datum van aankoop. 

De bevoegde autoriteit van elke lidstaat koopt, op verzoek van een in die lidstaat gemachtigde aangever, het overschot aan CBAM-certificaten dat na inlevering van de CBAM-certificaten voor de gemachtigde aangever nog in het nationale register staat, op verzoek terug. Het aantal voor wederinkoop bestemde certificaten is beperkt tot een derde van het totale aantal CBAM-certificaten dat de gemachtigde douane-aangever in het voorgaande kalenderjaar heeft aangekocht. De terugkoopprijs voor elk CBAM-certificaat is de prijs die de gemachtigde douane-aangever bij de aankoop voor dat certificaat heeft betaald. 

De CBAM-gemachtigde douane-aangever dient in de loop van het jaar het aantal certificaten aan te kopen dat vereist is op het tijdstip van de inlevering, met inachtneming van drempels die aan het eind van elk kwartaal worden vastgesteld.

Specifieke werkingssfeer van het CBAM

Welke landen?

Het CBAM is van toepassing op specifieke goederen (en niet op specifieke landen). Daarbij gaat het om goederen van oorsprong uit landen buiten het CBAM-gebied (d.w.z. EU-lidstaten, IJsland, Noorwegen, Liechtenstein en Zwitserland en een aantal kleine gebiedsdelen/exclaves zoals Büsingen, Helgoland, Livigno, Ceuta en Melilla). In dit verband bepalen de niet-preferentiële oorsprongsregels van de EU-douanewetgeving of de goederen al dan niet van oorsprong zijn uit een derde land. Kort gezegd betekent dit dat goederen de oorsprong verkrijgen van het land waar zij geheel en al zijn verkregen. Goederen waarvan de productie in meer dan een land of gebied plaatsvindt, worden echter geacht van oorsprong te zijn uit het land of gebied waar zij hun laatste, wezenlijke fabricage stadium hebben doorgemaakt.

Welke goederen?

Het CBAM is van toepassing op goederen die vanuit EU-perspectief geacht worden een hoog risico op CO2-weglek naar non-EU te hebben. Volgens de huidige voorgestelde CBAM-verordening zijn dit elektriciteit, kunstmest, cement, aluminium, ijzer en staal. Deze goederen worden verder gespecificeerd in subcategorieën met de relevante GN-codes (goederencodes) zoals gebruikt in het douanewetboek van de Unie. 

De GN-codes hebben niet alleen betrekking op basismaterialen, maar ook op een aantal vooraf gedefinieerde halffabrikaten (bijvoorbeeld spoorrails, blikken, buizen, structuren van geprefabriceerde gebouwen, tanks, containers, bevestigingsrails, aluminiumfolie, aluminium platen).

Andere niet vooraf gedefinieerde halffabrikaten en eindproducten vallen nog niet onder het toepassingsgebied. De Europese Commissie heeft de bevoegdheid om de goederen binnen het toepassingsgebied uit te breiden en de landen in het toepassingsgebied uit te breiden/te beperken.

Welke emissies?

De emissies die binnen het toepassingsbereik vallen, zijn de (directe) emissies van broeikasgassen ten gevolge van het productieproces van goederen waarover de producent de directe controle heeft. Hoewel ‘indirecte emissies’ van de productie van elektriciteit, verwarming en koeling die tijdens de productieprocessen worden verbruikt, ook in de CBAM-verordening worden gedefinieerd, zullen deze niet in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de prijs van de CBAM-certificaten die in de periode na de overgang moeten worden ingeleverd. Het kan zijn dat de CBAM-verordening in de toekomst wordt uitgebreid tot indirecte emissies.

Gebruik van actieve en passieve veredeling

De CBAM-verordening houdt rekening met de douaneregelingen actieve en passieve veredeling. Wanneer een product in de EU wordt vervaardigd met gebruikmaking van de douaneregeling actieve veredeling en bij dit productieproces goederen worden gebruikt die onder het toepassingsgebied van het CBAM vallen, zal bij de invoer van het eindproduct een CBAM-heffing van toepassing zijn voor de emissies die in deze goederen zijn vervat. Dit is ook het geval wanneer het veredelingsproduct zelf niet onder het toepassingsgebied van de CBAM valt. 

Wanneer de douaneregeling passieve veredeling wordt gebruikt en het verwerkte product dat terugkeert naar de EU wel onder het toepassingsgebied van de CBAM valt, is de CBAM alleen van toepassing op de emissies van de veredeling in het derde land.

Compliance

Aangifteprocedure

Uiterlijk op 31 mei van elk jaar dient elke daartoe gemachtigde douane-aangever bij de bevoegde autoriteit een verklaring in (‘CBAM-verklaring’) over het kalenderjaar dat aan de verklaring voorafgaat. De CBAM-aangifte bevat: 

  • de totale hoeveelheid van elk type goederen die gedurende het kalenderjaar zijn ingevoerd;

  • de totale ‘embedded emissions’, uitgedrukt in ton CO2;

  • het totale aantal CBAM-certificaten dat overeenstemt met de totale ‘embedded emissions’ dat moet worden ingeleverd na de vermindering die verschuldigd is wegens de in een land van oorsprong betaalde CO2-prijs en de noodzakelijke aanpassing van de mate waarin EU ETS-rechten kosteloos worden toegewezen voor vergelijkbare in de EU geproduceerde goederen (na de overgangsperiode).

Op diezelfde datum (na de overgangsperiode) moet de gemachtigde douane-aangever bij de bevoegde autoriteit een aantal CBAM-certificaten inleveren dat overeenstemt met de deze ‘embedded emissions’.

De gemachtigde douane-aangever zorgt ervoor dat het vereiste aantal CBAM-certificaten op zijn rekening in het nationale register beschikbaar is. Indien dit niet het geval is, zal de bevoegde autoriteit binnen een maand verzoeken om inlevering van de ontbrekende CBAM-certificaten.

Bovendien zorgt de gemachtigde douane-aangever ervoor dat het aantal CBAM-certificaten op zijn rekening in het nationale register aan het eind van elk kwartaal overeenkomt met ten minste 80 procent van de ‘embedded emissions’.

De bevoegde autoriteit van elke lidstaat koopt, op verzoek van een in die lidstaat CBAM-gemachtigde declarant, het overschot aan CBAM-certificaten dat na inlevering van de certificaten nog op de rekening van de declarant in het nationale register staat, opnieuw aan. Het verzoek tot wederaankoop wordt ingediend uiterlijk op 30 juni van elk jaar waarin de CBAM-certificaten zijn ingeleverd. Het aantal terug te kopen certificaten is beperkt tot een derde van het totale aantal CBAM-certificaten dat door de gemachtigde douane-aangever in het voorgaande kalenderjaar is aangekocht. De terugkoopprijs voor elk CBAM-certificaat is de prijs die de erkende aangever bij de aankoop voor dat certificaat heeft betaald.

Uiterlijk op 30 juni van elk jaar annuleert de bevoegde autoriteit van elke lidstaat alle CBAM-certificaten die in het jaar vóór het voorgaande kalenderjaar zijn aangekocht en die in het nationale register van de in die lidstaat gemachtigde declaranten (na wederaankoop) op de rekeningen zijn blijven staan.

Vermindering vanwege een CO2-prijs betaald in een land van oorsprong

Een CBAM-gemachtigde douane-aangever kan in zijn CBAM-aangifte aangeven dat het aantal in te leveren CBAM-certificaten wordt verminderd zodat rekening kan worden gehouden met de CO2-prijs die in het land van herkomst voor de aangegeven ‘embedded emissions’ is betaald.

Overgangsperiode

Tijdens de overgangsperiode zal het CBAM alleen werken als een rapportageverplichting voor de CBAM-gemachtigde aangever zonder dat de belasting verschuldigd is. In dit systeem moet de aangever elk kwartaal aan de CBAM-autoriteit verslag uitbrengen over de totale hoeveelheid goederen die in dat kwartaal zijn ingevoerd, met inbegrip van de hoeveelheid direct en indirect in de goederen ‘embedded emissions’ en de CO2-prijs die in het land van oorsprong verschuldigd is.

Niet-naleving

Een gemachtigde douane-aangever die niet uiterlijk op 31 mei van het desbetreffende jaar een aantal CBAM-certificaten heeft ingeleverd dat overeenstemt met de ‘embedded emissions’ van de goederen die in het voorgaande jaar zijn ingevoerd, is een boete verschuldigd die gelijk is aan de boete voor overmatige emissies door een exploitant van een EU-installatie in het jaar van invoer van de goederen. Dit geldt voor elk CBAM-certificaat dat de gemachtigde douane-aangever had moeten inleveren.

Afstemming met derde landen over wederzijdse CO2-beprijzing

De Europese Commissie erkent dat het voor het begrip en de naleving van de CBAM-vereisten belangrijk is in goed contact te zijn met derde landen. Bovendien zal de EU met de betreffende derde landen waarvan de handel met de EU door deze verordening wordt beïnvloed, nagaan of er mogelijkheden zijn voor dialoog en samenwerking met betrekking tot de uitvoering van specifieke elementen van het CO2-grensmechanisme. Ook moet worden nagaan welke mogelijkheden er zijn om met (groepen) landen overeenkomsten te sluiten waarin rekening wordt gehouden met hun CO2-beprijzing mechanisme. Overeenkomsten met (groepen van) derde landen kunnen volgens de Europese Commissie worden beschouwd als een alternatief voor de toepassing van het CBAM, indien zij een hogere mate van doeltreffendheid en een hoger ambitieniveau garanderen om een sector CO2-arm te maken.

Vervolgstappen

Hoewel het CBAM nog maar een voorstel is, wordt verwacht dat als deze verordening wordt uitgevoerd, zij een aanzienlijk effect kan hebben op een grote verscheidenheid van internationaal opererende bedrijven.

Daarom is het voor bedrijven die goederen invoeren (of afhankelijk zijn van de invoer van goederen) die onder het toepassingsgebied van het CBAM vallen (of naar verwachting onder het toepassingsgebied van het CBAM zullen vallen), belangrijk om inzicht te krijgen in de mogelijke gevolgen van de kosten van het CBAM voor hun toeleveringsketen en waardeketen. Voorts is het van belang ervoor te zorgen dat de juiste formaliteiten in acht (kunnen) worden genomen om het proces van invoer van goederen aan de EU-buitengrens ook voor wat het CBAM probleemloos te kunnen laten verlopen.

Volg ons

Contact

Chris Winkelman

Chris Winkelman

Energy - Utilities - Resources Industry, Tax, Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 154 18 97

Niels Muller

Niels Muller

Partner, Energy transition and sustainable energy, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 160 08 61

Juliette Marsé

Juliette Marsé

Director (Tax) - Energy, Utilities & Resources, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)63 419 61 08

Mohammed Azouagh

Mohammed Azouagh

Manager - Tax, Sustainability and Incentives, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)62 380 36 54

Hide