Skip to content Skip to footer
Search

Loading Results

Organisatie

Is uw organisatie goed voorbereid op 2022? Welke zaken kunt u nu al voor uw onderneming regelen zodat u uw fiscale positie kunt optimaliseren? Of is het juist verstandig om hiermee nog even te wachten? Voor de meest actuele tips en aandachtspunten (gebaseerd op het pakket Belastingplan 2022, andere wetsvoorstellen en (tijdelijke) goedkeuringen in het kader van de coronacrisis), klik op deze link: 2022 in zicht - Actuele fiscale tips voor uzelf en uw organisatie.

De overige fiscale en juridische tips en aandachtspunten vindt u hierna. Onze selectie is gebaseerd op de huidige wetgeving en rechtspraak.

De volgende thema’s komen aan de orde: innovatie en investeringen, ondernemen, internationaal zakendoen, werken, vastgoed, pensioen, mobiliteit, schenken en erven en administratie.

Klik op het tabje van uw keuze en ga direct naar het gewenste onderwerp.

Innovatie en investeringen

Innovatie en investeringen

Tips

Dien tijdig uw WBSO-aanvraag in

Voert uw bedrijf onderzoeks- en/of ontwikkelingsprojecten uit? Dan kunt u misschien de regeling Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) gebruiken om de (loon)kosten voor deze projecten te verlagen. Het financiële voordeel bedraagt 32 procent over de eerste 350.000 euro van de totale Speur- en Ontwikkelings(S&O)-grondslag (voor starters geldt een tarief van 40 procent) en 16 procent van het surplus. Hiervoor geldt geen maximum. Het voordeel verzilvert u via een afdrachtvermindering in de aangifte loonheffingen. Zorg ervoor dat u een WBSO-aanvraag tijdig indient, dus voordat het S&O-werk gaat plaatsvinden. Een aanvraagperiode omvat minimaal drie maanden, waardoor u maximaal vier keer per jaar een aanvraag kunt indienen Als uw onderneming per 1 januari 2022 S&O-werkzaamheden wil starten, dan geldt als uiterste aanvraagdatum maandag 20 december 2021. Voor de overige maanden geldt als uiterste indieningsdatum de dag voorafgaand aan de periode waarbinnen het S&O-werk gaat plaatsvinden.

Kies voordeligste wijze van vermindering S&O-kosten

Onder de regeling voor kosten speur- en ontwikkelingswerk (S&O-kosten) kunt u er jaarlijks voor kiezen om in plaats van de werkelijke S&O-kosten een forfaitair bedrag per S&O-uur op te voeren. De keuze die een onderneming bij de eerste WBSO-aanvraag voor 2022 maakt, geldt voor het gehele kalenderjaar. Inventariseer tijdig of het voor uw onderneming voordelig kan zijn om een beroep te doen op het forfait of juist de werkelijke S&O-kosten.

Houd bij uw WBSO-aanvragen rekening met de eventuele toepassing van de innovatiebox

De inhoud van uw WBSO-aanvraag kan gevolgen hebben voor de eventuele toepassing van de innovatiebox. Een goede afstemming is daarbij van groot belang. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aantal aangegeven WBSO-uren, de planning van de WBSO-projecten, in hoeverre sprake is van de ontwikkeling van programmatuur en hoe de S&O-projecten aansluiten bij de voor de innovatiebox kwalificerende winst. Met name voor dit laatste punt is het van belang goed naar de structuur van de opgezette WBSO-projecten te kijken.

Overgangsrecht innovatiebox

Voor immateriële activa die uiterlijk op 30 juni 2016 zijn voortgebracht gold overgangsrecht tot uiterlijk 30 juni 2021. Voor boekjaren vanaf 1 juli 2021 geldt voor deze immateriële activa de nieuwe wet- en regelgeving voor de innovatiebox (zoals die geldt vanaf 1 januari 2017). Het kan zijn dat deze immateriële activa niet langer of slechts deels kwalificeren voor de innovatiebox. Hebt u immateriële activa die onder dit overgangsrecht vallen? Zorg dan voor een tijdige beoordeling. Het is bijvoorbeeld niet altijd duidelijk welk deel kwalificeert, hoe het voordeel wordt bepaald en welk aggregatieniveau van toepassing is. Voorafgaande afstemming met de fiscus kan in dat geval nodig zijn.

Investeer nog dit jaar in bepaalde EIA/MIA kwalificerende bedrijfsmiddelen 

Wanneer u investeert in energiebesparende en/of milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen (of daar een voornemen toe bestaat), kunt u gebruikmaken van een extra fiscale aftrekpost. De aftrekpost bedraagt 45,5 procent (2021) in het geval van de Energie-investeringsaftrek (EIA). In 2022 worden de aftrekpercentages voor de Milieu-investeringsaftrek (MIA) van 13,5 procent, 27 procent en 37 procent (cijfers 2021) verhoogd naar 27 procent, 36 procent en 45 procent. Het toepasselijke percentage is afhankelijk van de categorie waartoe de investering behoort. Om te bepalen of een bedrijfsmiddel in aanmerking komt voor de EIA/MIA moet het bedrijfsmiddel op de Energielijst of Milieulijst voorkomen of de vereiste energiebesparing/milieuverbetering opleveren, wat u via een berekening van bijvoorbeeld de terugverdientijd moet aantonen. Beide lijsten worden per kalenderjaar vastgesteld. Sommige bedrijfsmiddelen zullen in een volgend jaar niet langer kwalificeren. Zie meer over belastingtarieven en cijfers voor 2021/2022 onze datacard.

Plan uw EIA/MIA-investeringen

Het is raadzaam om voor begin 2022 de voor de EIA/MIA kwalificerende investeringen iets naar voren te halen om de toepassing van de EIA/MIA zeker te stellen. Echter, ten aanzien van milieuvriendelijke investeringen die kwalificeren voor de MIA kunt u ook overwegen deze investeringen uit te stellen tot 2022 en daarmee gebruik te maken van de verhoogde percentages. Let wel, de nieuwe milieulijst voor het daaropvolgende kalenderjaar wordt jaarlijks rond medio december gepubliceerd. Als het planningstechnisch haalbaar is, kunt u dus op dat moment besluiten bepaalde investeringen iets naar voren te halen (om kwalificatie voor de EIA/MIA veilig te stellen) of te vertragen (om een hoger aftrekpercentage veilig te stellen). 

Gebruik uw herinvesteringsreserve

Als u in 2018 een herinvesteringsreserve hebt gevormd voor de winst behaald met de verkoop van een bedrijfsmiddel, is het raadzaam om voor het einde van 2021 herinvestering te doen. Doet u dit niet, dan valt de reserve in beginsel vrij in de winst en wordt deze belast. In bijzondere omstandigheden kan de termijn voor het aanhouden herinvesteringsreserve worden verlengd. Corona is zo'n omstandigheid die eventueel verlenging van de driejaarstermijn van de herinvesteringsreserve mogelijk maakt. Het is dan van belang dat u kunt aantonen dat het voornemen om te herinvesteren eind 2021 nog bestaat, bijvoorbeeld door dit vast te leggen in de notulen van de directievergaderingen.

Voorkom desinvesteringsbijtelling

Bij vervreemding (desinvestering) van een bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden en waarvoor u EIA, MIA of KIA (kleinschaligheidsinvesteringsaftrek) hebt genoten, moet u een desinvesteringsbijtelling in aanmerking nemen. De facto kan de desinvesteringstermijn dus korter zijn dan vijf jaar. Wanneer u het voornemen hebt om een bedrijfsmiddel te verkopen dat u minder dan vijf jaar geleden hebt aangeschaft dan is het voor u misschien raadzaam het bedrijfsmiddel pas begin 2022 te verkopen. Mogelijk kunt u hiermee een desinvesteringsbijtelling beperken of zelfs voorkomen.

Maximaliseer uw kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

Uw recht op KIA in 2021 vervalt als u het maximale investeringsbedrag van 328.721 euro overschrijdt. Dreigt u dit maximumbedrag te overschrijden, dan kan het raadzaam zijn om investeringen (deels) uit te stellen tot 2022.

Banken en verzekeraars: voorkom beperking renteaftrek

Met de minimumkapitaalregel wordt de fiscale renteaftrek van banken en verzekeraars beperkt voor zover het vreemd vermogen meer bedraagt dan 91 procent van het balanstotaal. Daarbij wordt voor banken aangesloten bij de verordening kapitaalvereisten. Voor verzekeraars wordt aangesloten bij de verordening solvabiliteit II. Wij raden u aan te onderzoeken hoe u kunt zorgen dat er voldoende kapitaal op de balans staat en u voorkomt dat de minimumkapitaalregel uw renteaftrek beperkt.

Ondernemen

Ondernemen

Tips

Let op drempels generieke renteaftrekbeperking

Nederland kent een beperking van de renteaftrek tot 30 procent (20 procent in 2022) van de gecorrigeerde Nederlandse fiscale winst (EBITDA) van een onderneming. Daarvoor geldt een drempel van 1 miljoen euro voor het saldo aan renten. Als u tijdig beoordeelt of de renteaftrek­beperking van toepassing is, hebt u de mogelijkheid om hierop te anticiperen. Mogelijk is het aan te raden géén fiscale eenheid aan te gaan, zodat elke vennootschap fiscaal zelfstandig de franchise kan benutten en ook zelf de eventuele niet aftrekbare rentelasten draagt. In andere gevallen kan het juist beter zijn om een fiscale eenheid aan te gaan of uit te breiden, zodat de EBITDA van deze groep beschikbaar komt om de 20% ruimte over te berekenen.

Bij ontvoeging uit fiscale eenheid op verzoek: dien tijdig het verzoek in

Om per 1 januari 2022 een of meer vennootschappen uit een bestaande fiscale eenheid vennootschapsbelasting te ontvoegen, moet het verzoek tot ontvoeging uiterlijk op 31 december 2021 zijn ingediend. Ook zonder toestemming van de Belastingdienst is ontvoeging uit een fiscale eenheid mogelijk, maar dit kan ingewikkelder zijn.

Let op bij financiering (aankoop) deelnemingen

Bent u zich ervan bewust dat de rente die wordt betaald op een lening die is bedoeld om een andere vennootschap te verwerven of daar al voor wordt gebruikt, misschien niet volledig fiscaal aftrekbaar is? Voor de vennootschapsbelasting gelden namelijk verschillende renteaftrekbeperkende regelingen. Door hier vooraf bij stil te staan, kunt u mogelijk voorkomen dat rente onnodig onder een aftrekbeperking valt.

Aandachtspunten

Tarieven vennootschapsbelasting
CFC-regels

Wanneer uw Nederlandse onderneming meer dan 50 procent belang heeft in een laagbelaste buitenlandse dochtervennootschap of vaste inrichting, dan wordt dit belang aangemerkt als een controlled foreign company (CFC). Het gevolg is dat u bepaalde inkomensbestanddelen van die CFC aan uw Nederlandse ondernemingswinst moet toerekenen. U kunt het beste met uw adviseur naar de ondernemingsstructuur kijken om zo de mogelijke consequenties van de CFC-regels in kaart te brengen.

Documentatieverplichting ATAD2

Op grond van de ATAD2-regels geldt voor elke Nederlandse onderneming een documentatieverplichting. In dit document analyseert een belastingplichtige waarom de regels niet op hem van toepassing zijn of hoe de regels zijn toegepast. Als uw onderneming internationaal opereert, raden wij aan om deze verplichting te bespreken met uw adviseur. 

Substance-eisen

De Nederlandse substance-eisen zijn onder andere van belang voor de CFC-regels, de dividendbelasting, de conditionele rente- en royaltybelasting en de buitenlandse aanmerkelijkbelangregeling. De laatste regeling bepaalt dat in specifieke gevallen buitenlandse aandeelhouders van een Nederlandse entiteit in Nederland vennootschapsbelasting moeten betalen over ontvangen dividenden en vervreemdingswinsten. Eerder vormden de Nederlandse substance-eisen een veilige haven. Dit is niet langer het geval. Wanneer een belastingplichtige voldoet aan de substance-eisen maar de Belastingdienst aannemelijk maakt dat er sprake is van misbruik, dan wordt er alsnog Nederlandse vennootschaps- of bronbelasting geheven. Omgekeerd hebben (potentieel) belastingplichtigen de mogelijkheid om het ontbreken van misbruik aan te tonen ook al voldoen zij niet aan de substance-eisen. Zowel de Belastingdienst als de belastingplichtige kunnen zich beroepen op de misbruikindicatoren uit de ‘Beneficial Ownership-arresten’ van het Europese Hof van Justitie.

Aanvullende substance-eisen voor dienstverleningslichamen

Vanaf 1 januari 2021 gelden aanvullende substance-eisen voor dienstverleningslichamen. Een dienstverleningslichaam is een Nederlands belastingplichtig lichaam waarvan de activiteiten voor meer dan 70 procent bestaan uit het direct of indirect ontvangen en betalen van rente, royalty's of huur van een buitenlandse groepsentiteit. De aanvullende substance-eisen zijn 100.000 euro aan loonkosten en ten minste 24 maanden over kantoorruimte beschikken. Als niet aan deze eisen wordt voldaan, wordt informatie uitgewisseld met het land van waaruit de rente, royalty's of huur wordt betaald (de bronstaat). Het gevolg hiervan zou kunnen zijn dat de bronstaat de belastingplichtige verdragsvoordelen onthoudt. Deze substance-eisen zijn ook van belang voor de tegenbewijsregeling in de Wet Bronbelasting 2021.

Beperking afschrijving gebouwen in eigen gebruik

Bedrijven die belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting mogen slechts afschrijven op een gebouw in eigen gebruik totdat de boekwaarde gelijk is aan de WOZ-waarde (tot 2019 was dit 50 procent van de WOZ-waarde). Dit betekent dat het belangrijk is om de WOZ-beschikking te controleren en zo nodig bezwaar aan te tekenen. Voor gebouwen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2019, maar waarop minder dan drie volledige boekjaren is afgeschreven, geldt overgangsrecht. Op basis van dit overgangsrecht mag u ook na 1 januari 2019 nog afschrijven volgens de oude regels, totdat u in totaal drie volledige boekjaren hebt afgeschreven.

Voorkoming verliesverdamping

Door nieuwe verliesverrekeningsregels verdampen verliezen niet meer vanaf 2022. Verliezen uit 2012 zullen in 2021 echter nog wel verdampen (dit kan korter zijn bij verkorte boekjaren door bijvoorbeeld een voeging in een fiscale eenheid). Als u verliezen uit 2012 hebt raden wij u aan om contact op te nemen met uw adviseur.

Mandatory disclosure / DAC6

DAC6 legt verplichte informatie-uitwisseling op voor bepaalde structuren en transacties met een grensoverschrijdend karakter waarbij een EU lidstaat is betrokken. Een structuur of transactie moet worden gemeld wanneer deze in de richtlijn genoemde "wezenskenmerken" bezit (zgn. “hallmarks”) en - in sommige gevallen - daarnaast als een van de belangrijkste te verwachten voordelen een belastingvoordeel betreft. Als er een intermediair (bijvoorbeeld een belastingadviseur) is betrokken bij het opzetten van een constructie, is deze intermediair verplicht om te melden binnen 30 dagen nadat het advies wordt uitgebracht of de eerste stappen voor implementatie worden genomen. Bij het niet melden van meldingsplichtige constructies worden boetes uitgedeeld.

Wijziging btw-aftrek van gemengd gebruikt investeringsgoed

Het kan zijn dat u aan het einde van het (boek)jaar btw moet terugbetalen wanneer het gebruik van investeringsgoederen voor vrijgesteld gebruik is toegenomen ten koste van btw-belast gebruik én afwijkt van de verhouding waarin de aankoop-btw in aftrek is gebracht. Bij een toename van belast gebruik kunt u een deel van de eerder niet afgetrokken btw alsnog terugvragen.

Internationaal zakendoen

Internationaal zakendoen

Tips

Zorg voor een ‘at arm’s length’ winst- of verliesallocatie 

Als uw onderneming in meerdere landen actief is, hebt u met regels op het gebied van transfer pricing (‘TP’ of ‘verrekenprijzen’) te maken. De transacties tussen de vestigingen moeten at arm’s length plaatsvinden. Handelen at arm’s length houdt in dat gelieerde partijen onderling dezelfde prijzen en voorwaarden hanteren als twee onafhankelijke partijen zouden doen. Deze eis geldt niet alleen voor de levering van goederen en diensten, maar ook voor de terbeschikkingstelling van kennis, merknaam en merkrechten en voor groepsleningen. Als een bedrijf niet at arm’s length handelt, kan dit aanleiding geven tot correcties, fiscale boetes en mogelijk zelfs dubbele belasting. Bovendien is het voor het indienen van uw aangifte vennootschapsbelasting noodzakelijk om de zakelijkheid van uw intercompany transacties onderbouwd te hebben.

Verricht tijdig eventuele jaareindecorrecties om aan uw TP-policy te voldoen

Als een of meerdere van de groepsentiteiten - op basis van uw TP-policy - een bepaald (routine)resultaat moeten behalen, is het raadzaam om voor het einde van het boekjaar de benodigde berekeningen te maken en eventuele correctiefacturen te sturen.

Voldoe aan de documentatieverplichting

Om de zakelijkheid van uw intercompany transacties te onderbouwen, is het van belang dat u onder meer een goede functionele analyse en economische onderbouwing (benchmarking study) opneemt in uw TP-documentatie. Als uw geconsolideerde omzet in het voorgaande boekjaar meer dan 50 miljoen euro bedroeg, moet deze documentatie voldoen aan de vereisten voor de zogenoemde Master File (groepsdossier) en Local File (lokaal dossier). Onderdeel hiervan is een jaarlijkse update van de relevante benchmarkstudies en eens per drie jaar volledig nieuwe benchmarkstudies. Bij een geconsolideerde groepsomzet van meer dan 750 miljoen euro geldt bovendien de verplichting tot het indienen van een Country-by-Country Rapport (CbCR).

Zorg voor een ‘at arm’s length’ policy rondom intercompany financiering

Naast de meer operationele intercompany transacties (producten, royalty’s, diensten etc.) is het van belang de zakelijkheid van uw intercompany financiële transacties te toetsen en onderbouwen. Zeker in het licht van de relatief nieuwe richtlijnen van de OESO met betrekking tot financiële transacties van 2020 (hoofdstuk X van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen) heeft dit in toenemende mate de aandacht van belastingautoriteiten.

Let ook op financiële transacties gebaseerd op ‘reference rates’ zoals EURIBOR (Euro Interbank Offered Rate) of EONIA (Euro Overnight Index Average). De invoering van de nieuwe financiële standaard ESTER (Euro Short-Term Rate) en de afschaffing van EURIBOR en EONIA per 1 januari 2022 in Europa hebben invloed op de toepasselijke rentepercentages en de onderliggende overeenkomsten, zowel voor externe leningen als intercompany financiering. Zorg dus dat u tijdig uw contracten en policies aanpast.

Let op de impact van Covid-19 op transfer pricing

Mogelijke aanpassingen routinevergoedingen
Ook in 2021 heeft Covid-19 veel ondernemingen hard geraakt. Omdat transfer pricing in belangrijke mate gaat over de allocatie van risico’s, is het zeker nu belangrijk na te gaan of en hoe de risico’s die zich voordoen als gevolg van Covid-19 gedeeld moeten worden tussen gelieerde ondernemingen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat u routinevergoedingen tijdelijk naar beneden kunt aanpassen, wat een effect op verschuldigde belastingen kan hebben. Een zorgvuldige analyse en documentatie van een dergelijke positie is daarbij cruciaal. 

Samenloop NOW & transfer pricing
Hebt u NOW aangevraagd? Bij de bepaling van de omzetdaling moet u ook uw intercompany omzet meenemen. Bij aanvragen op werkmaatschappijniveau specifiek moet u de gehanteerde verrekenprijzen bij vaststelling van de eerdere jaarrekening gebruiken. 

Controleer salarisnorm voor de 30%-regeling

Hebt u in verband met de 30%-regeling universitair geschoolde mensen in dienst die dertig jaar zijn geworden of fulltime-werknemers die parttime zijn gaan werken? Mogelijk voldoen zij dan niet meer aan de salarisnorm, waardoor de 30%-regeling niet meer van toepassing is. De standaard salarisnorm voor 2021 is vastgesteld op 38.961 euro aan belastbaar inkomen op jaarbasis. De verlaagde salarisnorm voor 2021 bedraagt 29.616 euro op jaarbasis. In voorkomende gevallen kunt u overwegen om de 30%-vergoeding te verlagen, zowel contractueel als in de salarisadministratie, waardoor de salarisnorm nog wel wordt gehaald.

Verzoek om toepassing IB-tarieven in loonaangifte onder de 30%-regeling

U kunt een afspraak maken met de Belastingdienst over het toepassen van de inkomstenbelastingtarieven in de salarisadministratie voor werknemers met de 30%-regeling zonder persoonlijke aftrekposten of overig inkomen. De aangifteplicht voor de inkomstenbelasting komt daarmee voor deze werknemers te vervallen. Zie meer over belastingtarieven en cijfers voor 2021/2022 onze datacard.

Verwerk alleen de in Nederland belaste werkdagen

Als de belastingheffing over buitenlandse werkdagen op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting is toegewezen aan het andere land, kunt u daarmee al rekening houden in de Nederlandse salarisadministratie. In dat geval kunt u de inhouding van Nederlandse loonheffing beperken tot het aan Nederland toegewezen deel van het inkomen. Dit is ook van belang voor het bepalen van de hoogte van de vrije ruimte onder de werkkostenregeling en de eventueel verschuldigde eindheffing van 80 procent. Voor deze uitsluiting van loon is het wel belangrijk dat de werknemer een overzicht bijhoudt van zijn werkdagen in en buiten Nederland.

Controleer bijdrage Zorgverzekeringswet bij een ‘salary split’

Bij een salary split werkt een werknemer in verschillende landen. Een salary split kan formeel en materieel zijn. Bij een formele salary split is het van belang dat u voor elke afzonderlijke formele dienstbetrekking van de werknemer voldoet aan de registratie- en afdrachtverplichtingen. U bent namelijk per afzonderlijke dienstbetrekking de bijdrage Zorgverzekeringswet en de premies werknemersverzekeringen verschuldigd. Onder omstandigheden kan de verleggingsregeling binnen concernverband een oplossing bieden voor deze dubbele last. Bij een materiële salary split is er maar één formele werkgever, waardoor u de bijdrage Zorgverzekeringswet en de premies werknemersverzekeringen slechts eenmaal hoeft af te dragen.

Verwerk buitenlandse sociale zekerheidspremies

Als u voor uw werknemers die onderworpen zijn aan buitenlandse sociale zekerheid, de buitenlandse sociale zekerheidspremies in Nederland op een juiste wijze fiscaal verwerkt, leidt dit in de meeste gevallen tot een aftrekpost op het fiscale loon.

Aandachtspunten

Aanpassing internationale belastingverdragen

Het Multilateraal instrument (‘MLI’) is een onderdeel van het OESO-project tegen grondslagerosie en winstverschuiving door multinationale ondernemingen (ook wel ‘BEPS-project’ genoemd). Door het MLI kunnen landen hun bilaterale belastingverdragen in één keer BEPS-proof maken. Het MLI is alleen van toepassing op een verdrag wanneer het ook voor de verdragspartner van kracht is én er geen voorbehoud is gemaakt voor het betreffende verdragsartikel. Omdat het nog regelmatig voorkomt dat Nederlandse verdragspartners het MLI bekrachtigen, kan de toepassing van hun verdrag met Nederland veranderen. Mocht u gebruikmaken van belastingverdragen, dan raden wij aan met uw adviseur te bekijken of het MLI iets verandert voor uw onderneming.

Tax follows the business

‘Tax follows the business’ wil zeggen dat het businessmodel van een onderneming bepaalt hoe de transfer pricing policy (TP) moet zijn. Als de regels voor TP goed zijn toegepast, valt de winst daar waar de onderneming haar functies uitoefent en waar zij haar risico’s en bezittingen managet. 

Brexit: uittreding van het VK uit de EU

Sinds 1 januari 2021 is de overgangsperiode van de Brexit voorbij. Dit betekent dat voor goederenbewegingen van en naar het VK import- en exportformaliteiten vereist zijn. Voorbeelden hiervan zijn het doen van invoer- en uitvoeraangiften en het registreren bij de Douane in het VK en in de EU (EORI-nummer). Ook bent u dan invoerrechten bij invoer in het VK respectievelijk de EU verschuldigd, tenzij het vrijhandelsverdrag tussen de EU en het VK van toepassing is. De regelgeving met betrekking tot de Brexit is nog steeds onderhevig aan verandering, vooral met betrekking tot Noord-Ierland en de controles bij binnenkomst in het VK. Het is daarom belangrijk om de ontwikkelingen hiervan te blijven volgen, mocht u handel drijven met het VK. 

eHerkenning

Steeds meer overheidsinstanties vereisen dat ondernemers gebruikmaken van eHerkenning voor het regelen van hun overheidszaken. eHerkenning is een digitale sleutel voor rechtspersonen, vergelijkbaar met DigID. eHerkenning is bijvoorbeeld vereist voor de aanvraag van een Bindende Tarief Inlichting (BTI) of een vergunning voor Authorised Economic Operator (AEO). Ondernemers hebben de keuze om zelf eHerkenning aan te vragen of een adviseur te machtigen om zaken in hun naam te regelen. Voor verschillende instanties zijn echter verschillende beveiligingsniveaus noodzakelijk of moeten andere personen gemachtigd worden. Het aanvraagproces kan daarom enige tijd in beslag nemen. Het is verstandig om goed na te gaan of eHerkenning voor uw onderneming noodzakelijk is en welke personen over eHerkenning zouden moeten beschikken. De Belastingdienst heeft hiervoor een stappenplan voor ondernemers gepubliceerd.

Introductie CBAM

Om het milieu te beschermen en klimaatverandering tegen te gaan worden verschillende belastingmaatregelen doorgevoerd. Een belangrijke hiervan is de CBAM (Carbon Border Adjustment Mechanism). Dit is een heffing op de import van bepaalde goederen (cement, ijzer en staal, aluminium, elektriciteit en kunstmest). Het is de bedoeling dat de CBAM per 2026 in werking treedt, met een overgangsperiode tussen 2023 en 2026. Voor ondernemingen die de hierboven genoemde goederen importeren of afnemen van een importerende leverancier kan de CBAM een behoorlijke financiële impact hebben. In bepaalde gevallen kunt u de impact echter verminderen door gebruik te maken van speciale douaneregelingen.

Werken

Werken

Tips

Voorkom dubbele premieplicht binnen concern

Het is mogelijk om de inhoudingsplicht van een buitenlandse werkgever naar een Nederlandse concernvennootschap te verleggen, ook wanneer er geen sprake is van een onderlinge uitzendsituatie. Door de inhoudingsplicht te verleggen, kunt u eventuele dubbele premies voorkomen en uw administratieve lasten verlichten. Een gezamenlijk verzoek van het buitenlandse en Nederlandse concernonderdeel is wel vereist.

Voorkom schijnzelfstandigheid 

Organisaties die zzp’ers inhuren, hebben met de inwerkingtreding van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelatie (Wet DBA) meer verantwoordelijkheid gekregen om de arbeidsrelatie met de zzp’er te beoordelen. Vanwege de onduidelijkheid over de Wet DBA is de handhaving hiervan verder opgeschort. Momenteel wordt er slechts beperkt gehandhaafd in het geval van zogenaamde kwaadwillendheid of wanneer aanwijzingen niet binnen een redelijke termijn zijn opgevolgd. Dit blijft van kracht in afwachting van verdere besluitvorming van het nieuwe kabinet. In 2021 heeft het kabinet tevens getracht opdrachtgevers en zzp’ers meer duidelijkheid te geven over hun arbeidsrelatie via de pilot van een speciale webmodule. Deze pilot is inmiddels afgerond. In 70 procent van de gevallen blijkt de module meer duidelijkheid te verschaffen. In ruim 28 procent van de gevallen werkt de module echter niet. Voorlopig blijft de webmodule bestaan als voorlichtingsinstrument. 

Benut de werkkostenregeling optimaal

Wij adviseren u om na te gaan of u de vergoedingen en verstrekkingen die u in 2021 aan uw werknemers hebt gegeven, correct hebt verwerkt en waar gewenst hebt aangewezen als eindheffingsbestanddelen voor de werkkostenregeling. Na afloop van het jaar kunt u niet alsnog vergoedingen en verstrekkingen aanwijzen. Deze controle is ook een goede gelegenheid om te inventariseren of u voor het komende kalenderjaar rekening moet houden met extra werkkosten. Voor 2021 is de vrije ruimte van de werkkostenregeling over de eerste 400.000 euro van de loonsom tijdelijk verhoogd van 1,7 procent naar 3 procent in het kader van de coronacrisis. Boven de grens van 400.000 euro van de loonsom is 1,18 procent van toepassing. 

Voorkom overschrijding werkkostenbudget

Als de door u aangewezen vergoedingen en verstrekkingen het werkkostenbudget voor 2021 overschrijden, bent u over de overschrijding 80 procent eindheffing verschuldigd. De aangifte loonheffingen over februari 2022 is de laatste aangifte waarin u deze heffing kunt aangeven. Als u eindheffing moet afdragen, dan kan dit aanleiding zijn voor het wijzigen van arbeidsvoorwaarden of regelingen om een overschrijding van het budget voor 2022 te voorkomen of te beperken. 

Bespaar premie door tijdige controle beschikking Werkhervattingskas

Een goede controle kan in de praktijk een premiebesparing opleveren. Als u als werkgever geen eigenrisicodrager voor de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) en de Ziektewet bent, dan ontvangt u rond deze periode uw beschikking gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) van de Belastingdienst met uw premiepercentage voor de Whk. Gelet op de relatief korte bezwaartermijn is het raadzaam om deze beschikking zo snel mogelijk te controleren. Door pro-forma bezwaar te maken en de instroomlijst bij de Belastingdienst op te vragen, verlengt u de bezwaartermijn en verkrijgt u extra inzicht om een goede controle uit te voeren.

Vraag loonkostenvoordeel aan

Loonkostenvoordeel (LKV) is een tegemoetkoming voor werkgevers die oudere of arbeidsgehandicapte werknemers in dienst nemen. U kunt in uw aangifte loonheffingen te kennen geven voor welke werknemers u recht meent te hebben op een tegemoetkoming. Het LKV ontvangt u pas na afloop van het kalenderjaar als eenmalige uitkering. Voor alle groepen LKV moet u in het bezit zijn van een doelgroepverklaring, die u uiterlijk drie maanden na een indiensttreding of herplaatsing moet hebben aangevraagd. 

Aandachtspunten

Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag (WML) 

Het bruto wettelijk minimumloon bedraagt per 1 januari 2022: 1.725,00 euro per maand, 398,10 euro per week en 79,62 euro per dag. Het is belangrijk na te gaan of u hieraan voldoet.

Maximale transitievergoeding

De transitievergoeding (ontslagvergoeding) bedraagt 1/3 maandsalaris per gewerkt dienstjaar, en naar rato voor het overige gedeelte van het dienstverband of als het dienstverband korter dan een jaar heeft geduurd. In 2021 is de hoogte van de transitievergoeding maximaal 84.000 euro bruto of één jaarsalaris bruto (als het salaris van de werknemer hoger is dan 84.000 euro bruto). 

ESG-principes vertalen zich steeds meer in nieuwe wetgeving

Wereldwijd wordt steeds meer aandacht besteed aan de maatschappelijke en duurzame verantwoordelijkheden die organisaties moeten naleven. Dit is ondergebracht in de ESG-principes: Environment (‘E’), Social (‘S’) en Governance (‘G’), met een toenemende nadruk op de sociale pijler. Recente drijvende krachten zijn de sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie en de groeiende belangstelling voor gelijkheid en sociale inclusie. Hierna volgen enkele voorbeelden van ESG-principes die zich laten vertalen in nieuwe wetgeving.

Nieuwe wet verplicht organisaties onderzoek te doen naar kinderarbeid

In 2022 wordt de Wet zorgplicht kinderarbeid van kracht. De wet verplicht elke onderneming die aan Nederlandse eindgebruikers goederen verkoopt of diensten levert om met gepaste zorgvuldigheid (‘due diligence’) te handelen. Hiermee moet een ondernemer proberen te voorkomen dat goederen en/of diensten met behulp van kinderarbeid tot stand zijn gekomen. Overtreding van niet doen van gedegen onderzoek kan leiden tot administratieve boetes die oplopen tot 870.000 euro of 10 procent van de jaaromzet.

Evenwichtige man-vrouwverhouding wordt verplicht

Vanaf januari 2022 geldt voor de raad van commissarissen van beursgenoteerde ondernemingen een ingroeiquotum om ervoor te zorgen dat de verhouding tussen mannen en vrouwen meer in evenwicht is. De samenstelling van de raad van commissarissen is evenwichtig als de raad voor ten minste een derde uit mannen en voor ten minste een derde uit vrouwen bestaat. Het ingroeiquotum houdt in dat personen van wie de benoeming niet leidt tot een evenwichtigere samenstelling van de raad van commissarissen, deze niet benoemd kunnen worden tot commissaris.

Voor grote ondernemingen gaat de verplichting gelden om passende en ambitieuze doelstellingen te formuleren in de vorm van een streefcijferregeling. Dit is om een evenwichtigere verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen in het bestuur, de raad van commissarissen en de suptop (d.w.z. het leidinggevend niveau) te bewerkstelligen. Deze ondernemingen moeten een plan gaan opstellen over de wijze waarop de onderneming de doelstellingen zal verwezenlijken. Ze moeten deze doelstellingen opnemen in het bestuursverslag en rapporteren aan de Sociaal-Economische Raad.

Flexwerkers krijgen meer inspraak in de organisatie

In 2022 wordt de Wet op de ondernemingsraden aangepast. De termijnen voor het krijgen van actief en passief kiesrecht worden verkort tot drie maanden. Daarnaast zal de wetswijziging flexibele arbeidskrachten sneller zeggenschap geven bij de inlener. Uitzendkrachten worden na vijftien maanden al gerekend tot werkzame personen in de onderneming. Hierdoor bouwen uitzendkrachten al na vijftien maanden medezeggenschapsrechten op en hebben ze dus na achttien maanden zowel passief als actief kiesrecht bij de inlener. Een ondernemer is verplicht om bij vijftig of meer werknemers een ondernemingsraad in te stellen. Omdat uitzendkrachten sneller tot de in de onderneming werkzame personen behoren, zal een ondernemer mogelijk sneller deze grens bereiken.

Verzwaarde informatieplicht werkgever, meer rechten werknemer

Per 1 augustus 2022 moet de Nederlandse overheid de Europese richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden hebben omgezet in nationale wetgeving. Hoewel de definitieve wetgeving niet vaststaat, volgt uit de richtlijn het volgende:

  • Er geldt een verzwaarde informatieplicht voor u als werkgever om werknemers te informeren over de belangrijkste elementen van de arbeidsrelatie, zoals de aard en plaats van de arbeid en de duur van een normale werkdag. Dit heeft met name gevolgen voor werkgevers die werken met oproepkrachten. Deze werkgevers moeten hun oproepkrachten meer specifiek informeren over de dagen en uren waarop zij mogelijk worden opgeroepen.
  • U kunt uw werknemers niet verbieden om naast het werk nevenwerkzaamheden te verrichten, tenzij u hier een gegronde reden voor hebt.
  • U moet uw werknemers de voor de functie verplichte opleidingen kosteloos aanbieden.
Betaald ouderschapsverlof vanaf augustus 2022

Werknemers hebben recht om tot het achtste levensjaar van het kind 26 weken onbetaald ouderschapsverlof op te nemen. Vanaf 2 augustus 2022 krijgen werknemers die ouderschapsverlof op willen nemen de eerste negen weken een uitkering van het UWV. Deze uitkering bedraagt 50 procent van het dagloon van de werknemer, gemaximeerd op 50 procent van het maximumdagloon (225,57 euro per dag). De werknemer heeft recht op de uitkering op het moment dat de negen weken ouderschapsverlof worden opgenomen in het eerste levensjaar van het kind. De werknemer moet minimaal twee maanden voor het ingaan van het verlof een schriftelijk verzoek indienen bij de werkgever. De werkgever mag het verzoek in principe niet weigeren. Omdat werknemers vanaf augustus 2022 recht hebben op betaald ouderschapsverlof, wordt verwacht dat meer werknemers hier gebruik van zullen maken.

Check of de juiste loonheffingskorting is toegepast voor niet-inwoners

Voor de toepassing van de heffingskortingen in de loonaangifte moet u rekening houden met het onderscheid tussen fiscale inwoners en niet-inwoners van Nederland. Er zijn drie aparte loonbelastingtabellen gekoppeld aan de volgende drie groepen werknemers: (1) inwoners van Nederland; (2) niet-inwoners uit een EU-lidstaat of EER-land, Zwitserland of de BES-eilanden; en (3) niet-inwoners uit een ander land. Inwoners van Nederland hebben recht op het belastingdeel van alle heffingskortingen. De tweede categorie heeft alleen recht op het belastingdeel van de arbeidskorting. De laatste groep heeft geen recht op het belastingdeel van de loonheffingskorting. Om de juiste tabel te kunnen toepassen, moet u weten van welk land uw (buitenlandse) werknemers fiscaal inwoner zijn. Let op: mocht u werknemers in dienst hebben uit het VK dan is onder andere de startdatum van de dienstbetrekking (31 december 2020 en daarvoor) van belang om te bepalen of u de EU-loonbelastingtabel moet toepassen of niet.

Fiscale regeling ter beschikking stellen fiets

Per 2020 is er een fiscale regeling voor het ter beschikking stellen van een fiets. Als een fiets ook voor privédoeleinden aan een werknemer ter beschikking wordt gesteld, geldt vanaf 2020 een bijtelling. Zodra een werknemer de fiets voor woon-werkverkeer gebruikt, wordt ook uitgegaan van privégebruik van de fiets en is de bijtelling van toepassing. De bijtelling bedraagt zeven procent van de oorspronkelijke nieuwwaarde van de fiets. Voor bijvoorbeeld een elektrische fiets van 2.000 euro geldt een jaarlijkse bijtelling van 140 euro. Uitgaande van een tarief van 37,07 procent leidt dat tot een belastingheffing van 51,90 euro per jaar ofwel minder dan 5 euro per maand voor de werknemer. De bijtelling geldt alleen bij terbeschikkingstelling van een fiets. Als de fiets eigendom wordt van de werknemer, gelden andere regels. In dat geval gaat de gehele waarde van de fiets ten koste van het werkkostenbudget. Dit vindt vaak plaats op basis van een cafetariaregeling. Zie meer over belastingtarieven en cijfers voor 2021/ 2022 onze datacard.

Btw-correctie voor privégebruik ondernemingsgoederen en -diensten

De kans is groot dat u (een deel van) de btw die in aftrek is gebracht voor de kosten van goederen en diensten die uw personeel in privé heeft gebruikt, moet corrigeren. Hiervoor bestaan verschillende mechanismen, waarbij het zogeheten Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA) het belangrijkste is. Voor de uitgaven voor de ondernemer zelf geldt een ander correctiemechanisme. Aan het eind van ieder jaar moet u de btw-correctie voor het privégebruik berekenen en in de laatste btw-aangifte van dat jaar verwerken.

Vastgoed

Vastgoed

Aandachtspunten

Vastlegging vervangingsvoornemen bij aanwezigheid herinvesteringsreserve 

Bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel kunt u onder voorwaarden een herinvesteringsreserve vormen. De herinvesteringsreserve kunt u in het jaar van vervreemding of in de daaropvolgende drie jaren in mindering brengen op een kwalificerende herinvestering. Een van de voorwaarden is dat ten tijde van het vormen en ten behoeve van het aanhouden van een herinvesteringsreserve een vervangingsvoornemen aanwezig is. Wij adviseren om het vervangingsvoornemen voor het einde van het jaar schriftelijk vast te leggen.

Clausule btw-schade in de (ver)koopovereenkomst voor vastgoed

Bij aan- of verkoop van vastgoed met een optie voor btw-belaste levering moet de koper schriftelijk verklaren dat hij ten minste 90 procent btw-aftrekgerechtigd is (90%-norm). Als de koper dit pand in de periode die zowel het boekjaar van levering als het daaropvolgende boekjaar omvat, toch niet voor 90 procent voor belaste activiteiten gebruikt, moet hij dit binnen vier weken na het boekjaar schriftelijk aan de verkoper en de Belastingdienst melden. Deze melding kan bij de verkoper leiden tot correctie van eerder in aftrek gebrachte btw. We raden verkopers aan om een verhaalsclausule voor deze btw-schade in de verkoopovereenkomst op te nemen.

Kortere termijn 90%-verklaring bij opvolgende opties btw-belaste levering

Ook bij doorlevering van vastgoed met een optie voor btw-belaste levering waarvoor bij de voorafgaande levering is geopteerd, is een 90%-verklaring van de koper nodig als die vorige levering korter dan twee boekjaren geleden heeft plaatsgevonden. Hiervoor is de termijn uiterlijk vier weken na de doorlevering, dus niet na afloop van het boekjaar. Vindt de doorlevering bijvoorbeeld op 2 december 2021 plaats, dan moet de verklaring binnen vier weken, dus uiterlijk op 30 december 2021, afgegeven worden.

De 90%-verklaring bij huur

Voor vastgoed dat btw-belast wordt verhuurd, moet de huurder in het eerste jaar een verklaring verstrekken aan de verhuurder en de Belastingdienst dat hij voldoet aan deze 90%-norm. De huurder die aan het einde van een boekjaar niet meer blijkt te voldoen aan de 90%-norm, moet binnen vier weken na afloop van het boekjaar een verklaring naar de verhuurder en de Belastingdienst sturen. Een ‘negatieve’ verklaring over boekjaar 2021 moet dus uiterlijk 28 januari 2022 worden verstrekt.

Pensioen

Pensioen

Tips

Bouw optimaal pensioen op voor werknemers met 30%-regeling

Onder de werkkostenregeling behoren alle vrije vergoedingen en verstrekkingen, dus ook de 30%-vergoeding, in beginsel tot het eindheffingsloon en dus tot het fiscale loon. Dat betekent dat u pensioen kunt opbouwen voor uw werknemers over het bedrag van de 30%-regeling, zonder dat hiervoor moet worden voldaan aan aanvullende voorwaarden.

Mobiliteit

Mobiliteit

Aandachtspunten

Bijtellingspercentage voor leaseauto’s 

De bijtellingspercentages voor leaseauto’s zijn van toepassing vanaf het jaar dat de auto op naam is gezet in het kentekenregister en blijven (maximaal) vijf jaar van toepassing. De bijtellingspercentages zijn als volgt:

 

2021

2022

Reguliere leaseauto’s

22%

22%

Nulemissieauto’s

12% (tot € 40.000)
22% (over het surplus)

16% (tot € 35.000)
22% (over het surplus)

Het 4%-bijtellingspercentage voor emissieloze (elektrische) auto’s is per 1 januari 2021 verhoogd naar 12 procent en gaat vanaf 2022 omhoog naar 16 procent. Vanaf 2022 geldt voor een auto met een cataloguswaarde hoger dan 35.000 euro voor het bedrag boven de 35.000 euro een bijtellingspercentage van 22 procent. De CO2-grenzen en tarieven in de bpm voor personenauto's worden per 1 januari 2022 aangescherpt.

Btw-correctie privégebruik auto van de zaak

U moet over het privégebruik van de aan uw personeel beschikbaar gestelde auto van de zaak btw betalen. Dit kan bijvoorbeeld door 2,7 procent van de cataloguswaarde van de auto, inclusief btw en bpm, op aangifte te voldoen. In bepaalde situaties kunnen afwijkende regels gelden, bijvoorbeeld als de auto ouder is dan vijf jaar of de gebruiker een sluitende kilometeradministratie bijhoudt.

Schenken en erven

Schenken en erven

Tips

Maak gebruik van vrijstellingen voor schenk- en erfbelasting

Een gift of een erfenis die een algemeen nut beogende instelling (anbi), een sociaal belang behartigende instelling (sbbi) of een steunstichting sbbi (een stichting die uitsluitend is opgericht om geld in te zamelen voor het jubileum van een sbbi) verkrijgt, is onder voorwaarden vrijgesteld van schenk- en erfbelasting. Dit geldt ook voor een gift die een anbi zelf doet in het kader van het algemeen belang.

Benut de giftenaftrek voor giften van uw bv aan anbi en steunstichting sbbi

Giften vanuit uw bv aan een anbi en aan een steunstichting sbbi komen onder voorwaarden in aanmerking voor de giftenaftrek voor de vennootschapsbelasting. De aftrek bedraagt ten hoogste 50 procent van de winst met een maximum van 100.000 euro. Een van de voorwaarden voor aftrek van een schenking aan een anbi is dat u als aandeelhouder geen doorslaggevende zeggenschap mag hebben over de anbi als verkrijger van uw gift. Als uw bv een zakelijk belang heeft bij de betaling aan een goed doel, is er sprake van zakelijke kosten die volledig aftrekbaar zijn voor de vennootschapsbelasting, zonder plafond. Wij adviseren per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden te beoordelen of het om zakelijke kosten of om een (niet-zakelijke) gift gaat.

Vermenigvuldig uw giftenaftrek van uw gift vanuit uw bv aan culturele instellingen 

U mag uw gift vanuit uw bv aan een culturele instelling vermenigvuldigen met 1,5 voor de giftenaftrek vennootschapsbelasting, met een maximum van 2.500 euro.

Administratie

Administratie

Tips

Stel een Master File en een Local File op

Heeft uw geconsolideerde groepsomzet in het voorgaande boekjaar de 50 miljoen euro overschreden, dan moet u vanaf belastingjaar 2016 een Master File (groepsdossier) en een Local File (lokaal dossier)) opnemen in uw administratie. Dit moet plaatsvinden binnen de termijn die is gesteld voor het indienen van uw aangifte vennootschapsbelasting. Niet-nakoming van deze verplichtingen kan leiden tot een bestuurlijke boete, strafrechtelijke sancties en tot omkering van de bewijslast. Wet- en regelgeving bepalen welke informatie in de Master File en de Local File moet komen. Voor multinationale ondernemingen die bovenstaande omzeteis niet halen, geldt de (oorspronkelijke) verplichting om (vormvrije) informatie op te nemen in de administratie waarmee aangetoond kan worden dat de ondernemingen van de groep onderling at arm’s length handelen.

Lever een Country-by-Country rapport aan

Als uw geconsolideerde groepsomzet in het voorgaande boekjaar meer was dan 750 miljoen euro en de moedermaatschappij van uw bedrijf in Nederland is gevestigd, dan moet u - binnen twaalf maanden na het einde van het boekjaar van de groep - een Country-by-Country rapport (CbCR) aanleveren bij de Belastingdienst. In uitzonderingsgevallen kunnen ook Nederlandse groepsmaatschappijen van multinationale groepen waarvan de uiteindelijke moedermaatschappij niet in Nederland is gevestigd, verplicht zijn het landenrapport aan te leveren. Niet-nakoming van deze verplichting kan leiden tot een bestuurlijke boete en strafrechtelijke sancties.

Dien een CbCR-notificatie in

Als uw geconsolideerde groepsomzet in het voorgaande boekjaar meer was dan 750 miljoen euro en de moedermaatschappij van uw bedrijf niet in Nederland is gevestigd, dan moet u - binnen twaalf maanden na het einde van het boekjaar van de groep - een notificatie indienen bij de Belastingdienst met betrekking tot het Country-by-Country rapport. Door middel van deze notificatie moet u de Belastingdienst laten weten welke groepsmaatschappij het CbCR-rapport zal indienen en in welk land. Niet-nakoming van deze verplichting kan leiden tot een bestuurlijke boete en strafrechtelijke sancties.

Meld schenkingen bij verlies anbi-status 

Houd er rekening mee dat voormalige algemeen nut beogende instellingen (anbi’s) de Belastingdienst jaarlijks binnen acht maanden na het kalenderjaar uit eigen beweging moeten informeren over gedane schenkingen en het verloop van het anbi-vermogen. Als u als voormalige anbi niet, niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze de informatieplicht nakomt, wordt dit aangemerkt als een overtreding waarvoor een vergrijpboete kan worden opgelegd. Bij opzet of grove schuld kan de vergrijpboete oplopen tot maximaal 21.750 euro (2021). De informatieplicht geldt zolang het vermogen dat was bestemd voor het algemeen nuttige doel meer bedraagt dan 25.000 euro.

Meld datalekken tijdig bij de Autoriteit Persoonsgegevens en zo nodig ook bij de betrokkenen

Onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) hebben organisaties de plicht om datalekken te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Van een datalek is sprake bij een inbreuk op de beveiliging die illegitiem of per ongeluk leidt tot vernietiging, verlies, wijziging of verstrekking van toegang tot persoonsgegevens waar dit niet de bedoeling is. Datalekken moeten worden gemeld als het lek mogelijk een impact op de betrokkenen heeft. De meldplicht datalekken omvat uitgebreide registratievereisten; u moet onder meer de verwachte gevolgen van een datalek en de genomen of te nemen corrigerende maatregelen vastleggen. Mogelijk bent u ook verplicht om het datalek te melden aan de betrokkenen van wie de persoonsgegevens zijn gelekt. Als u een datalek niet of te laat (72 uur) meldt bij de AP, riskeert u een boete van maximaal tien miljoen euro of twee procent van de (wereldwijde) jaaromzet van uw organisatie.

Houd rekening met alle privacyregels bij gebruik tracking cookies en social media plugins

Voor het plaatsen van tracking cookies op het apparaat van een websitebezoeker is toestemming van de bezoeker nodig. Vooraf aangevinkte selectievakjes die standaard op ‘ja’ of ‘akkoord’ staan mogen niet worden gebruikt. De websitebezoeker moet een actieve handeling verrichten, bijvoorbeeld zelf het selectievakje aankruisen. Daarnaast is het gebruik van een cookiewall, waardoor websitebezoekers toegang tot een website wordt geweigerd als ze geen toestemming geven voor het plaatsen van tracking cookies, niet toegestaan. Social media platforms kunnen op uw website persoonsgegevens verzamelen van bezoekers via social media plugins (e.g. een Facebook like-knop). U bent als websitebeheerder medeverantwoordelijk hiervoor, ongeacht of u toegang hebt tot de gegevens die het platform verkrijgt. De beste aanpak is om websitebezoekers om hun toestemming te vragen voor het verwerken van hun persoonsgegevens via deze plugins.

Implementeer de nieuwe versie van Standard Contractual Clauses vóór 28 december 2022

Bij het doorgeven van persoonsgegevens buiten de EU, verplicht de AVG organisaties om extra maatregelen te nemen voor het garanderen van de veiligheid in landen waar de privacywetgeving minder sterk is. Een manier om dit te doen is via contractuele verplichtingen tussen u en de (rechts)persoon buiten de EU naar wie de persoonsgegevens gaan. In juni 2021 heeft de Europese Commissie een nieuwe versie van de Standard Contractual Clauses (SCCs, ook wel modelcontracten) gepubliceerd. U moet de oudere versies van de SCCs vóór 28 december 2022 vervangen door deze nieuwe versie. Door de nieuwe SCCs vóór die datum te implementeren in uw overeenkomsten met derde partijen, kunt u aantonen op contractueel gebied de noodzakelijke waarborgen te hebben genomen. Daarnaast zijn er mogelijk andere (technische, juridische en organisatorische) maatregelen die u moet implementeren om de persoonsgegevens naar buiten de EU te kunnen blijven versturen.

Check op welke basis u persoonsgegevens aan de VS doorgeeft

In juli 2020 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de EU-US Privacy Shield beslissing als basis voor doorgifte van persoonsgegevens naar de VS ongeldig verklaard in de zogenaamde Schrems II zaak. Privacy Shield biedt geen vergelijkende bescherming van persoonsgegevens als de AVG. Het gebruik van Privacy Shield is dus niet meer toegestaan. Als uw organisatie op dit moment gebruikmaakt van Privacy Shield, moet u hiermee stoppen en een alternatief mechanisme aanwenden om de doorgifte van persoonsgegevens te legitimeren. Dit kan via de bovenstaande SCCs. Let op: als u persoonsgegevens doorgeeft naar de VS op basis van de SCCs, zijn bovenop de SCCs aanvullende waarborgen nodig. Deze zijn hier te vinden en bevatten o.a. encryptie en pseudonimisering van persoonsgegevens.

Breng uw datastromen naar het VK in kaart

In juni 2021 heeft de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit voor het VK aangenomen. Dit betekent dat het VK een adequaat level van gegevensbescherming biedt, en u op basis van het adequaatheidsbesluit persoonsgegevens naar het VK kunt doorgeven. Na dit besluit heeft het VK bekendgemaakt dat ze hun privacywetgeving gaan aanpassen, van de Europese AVG naar nationale wetten die hoogstwaarschijnlijk minder bescherming bieden. Wanneer deze nationale wet gepubliceerd wordt, zal de Europese Commissie de geschiktheid van het adequaatheidsbesluit opnieuw beoordelen en deze zo nodig schorsen of beëindigen. Dit kan het doorgeven van persoonsgegevens naar het VK lastig maken, omdat u mogelijk een ander legitiem mechanisme moet aanwenden. Breng uw datastromen naar het VK in kaart, zodat u snel en makkelijk de overstap kunt maken, bijvoorbeeld naar SCCs.

Aandachtspunten

Bescherming persoonsgegevens door de AVG

Door de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is de privacywetgeving in de Europese Unie geharmoniseerd en aangescherpt. De AVG versterkt de positie van personen (betrokkenen) van wiepersoonsgegevens worden verwerkt binnen de EU of door Europese partijen. Vrijwel iedere organisatie verwerkt persoonsgegevens en heeft dus te maken met deze verplichtingen en verantwoordelijkheden. De AVG legt organisaties onder meer een verantwoordingsplicht op. Dit betekent dat u te allen tijde tegenover de nationale privacytoezichthouder (in Nederland: Autoriteit Persoonsgegevens) moet kunnen aantonen hoe u zich aan de privacyregels houdt. Ook bent u verplicht informatie te geven aan betrokkenen en hun verschillende verzoeken te beantwoorden. Onder omstandigheden bent u verplicht een Data Protection Impact Assessment (DPIA) uit te voeren of een functionaris gegevensbescherming (FG) aan te stellen.

‘Class action’ steeds meer voorkomend binnen privacywetgeving

Class action op het gebied van privacywetgeving is een snel groeiend juridisch middel om organisaties aansprakelijk te stellen voor privacyschendingen. Bij ‘class action’-rechtszaken bundelen veel gedupeerden met dezelfde schade zich samen om één zaak aan te spannen. Dit middel wordt in juridische procedures binnen het consumentenrecht al enige tijd toegepast. Hoewel privacy class action relatief nieuw is in Nederland, ontwikkelt het zich snel en de aantallen zijn sinds 2015 wereldwijd sterk gestegen. Daarnaast is het beginnen van een class action rechtszaak binnen Nederland vergemakkelijkt door de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA). Publieke en private partijen lopen hierdoor, naast sancties van de Autoriteit Persoonsgegevens, ook het risico om door een groep individuen aansprakelijk te worden gesteld. Dit risico wordt verhoogd door het groot economisch belang voor consumenten; in ‘privacy class action’-rechtszaken worden regelmatig miljoenen euro’s geëist en toegekend.

Publicatie jaarrekening

De wet bepaalt voor de (niet-beursgenoteerde) nv en bv dat het bestuur binnen vijf maanden na het einde van het boekjaar de jaarrekening moet opstellen. De algemene vergadering kan deze termijn op grond van bijzondere omstandigheden verlengen met vijf maanden. Door de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid kan ook het bestuur de termijn voor het opstellen van de jaarrekening verlengen. Deze tijdelijke voorziening geldt in ieder geval tot 1 december 2021. Voor de overige rechtspersonen (vereniging, stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij) geldt een termijn van zes maanden, met een mogelijkheid tot verlenging van vier maanden. 

UBO-register

Alle privépersonen die meer dan 25 procent (in)direct eigendom of zeggenschap hebben in een juridische entiteit, zoals een vennootschap of stichting, kwalificeren als ultimate beneficial owner (UBO) en moeten worden opgenomen in een openbaar register. Dit register wordt beheerd door de Kamer(s) van Koophandel (KvK). De persoonsgegevens die daarbij openbaar worden zijn de naam van de UBO, geboortemaand en -jaar, nationaliteit, woonstaat en aard en omvang van het economisch belang. Deze registratieplicht is in Nederland in werking getreden op 27 september 2020. De op die datum bestaande entiteiten hebben tot 27 maart 2022 de tijd om hun UBO’s te registreren. Nieuw opgerichte entiteiten moeten hun UBO’s meteen bij de oprichting registreren. 

Wet bestuur en toezicht rechtspersonen

Op 1 juli 2021 is de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen in werking getreden. De regels voor het bestuur en toezicht bij de vereniging, stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij in het Burgerlijk Wetboek sluiten voortaan aan op die voor de nv en de bv. Onder meer voor de besluitvorming bij tegenstrijdig belang, bestuurdersaansprakelijkheid en de bevoegdheden van de rechtbank bij stichtingen gelden nieuwe regels. Verder is het meervoudig stemrecht beperkt: een bestuurder of commissaris kan niet meer stemmen uitoefenen dan alle andere bestuurders respectievelijk commissarissen tezamen. Een statutenwijziging is overigens niet gelijk verplicht. Toch is het voor zowel private als semi-publieke rechtspersonen raadzaam om de statuten te updaten zodat deze aansluiten bij de recent gewijzigde wet- en regelgeving. Zo kunt u voorkomen dat er verwarring ontstaat omdat statutaire bepalingen (op termijn) niet meer gelden.

Digitale oprichting bv

Volgens de Europese richtlijn 2019/1151 had het op 1 augustus 2021 al mogelijk moeten zijn om digitaal een bv op te richten. De oprichter hoeft dan niet meer fysiek langs de notaris te gaan, de procedure kan ook onder leiding van de notaris via een centraal digitaal platform plaatsvinden. Het ministerie van Justitie en Veiligheid maakt gebruik van de uitstelmogelijkheid die de Europese richtlijn biedt. Dit betekent dat het nog niet mogelijk is om sinds 1 augustus 2021 een bv digitaal op te richten. Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft uitstel aangevraagd voor maximaal 1 jaar omdat ze het wetgevingstraject nog moeten afronden. Wanneer de wet precies ingaat, is niet bekend. De Nederlandse wetgever heeft in elk geval tot uiterlijk 1 augustus 2022 de tijd voor de implementatie van deze wetgeving. Waarschijnlijk moet de digitale akte in de Engelse taal worden opgemaakt en is enkel inbreng in geld op aandelen mogelijk. Een bv kan dan overigens nog steeds fysiek bij de notaris worden opgericht.

Besloten vennootschap met maatschappelijk doel (BVm)

Op 9 maart 2021 is door het ministerie van Economische Zaken en Klimaat een ‘Aanzet voor een wettelijke regeling voor een besloten vennootschap met maatschappelijk doel (BVm)’ ter internetconsultatie aangeboden. Het consultatiedocument schetst de manier waarop de wetgever de erkenning en daarmee betere herkenning van maatschappelijke ondernemingen wil vergroten. Beoogd is een aparte wet voor de BVm in het leven te roepen (de BVm-wet) in plaats van de huidige regels voor de bv in het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Dat betekent dat met de introductie van de BVm geen nieuwe rechtspersoon wordt geïntroduceerd. Op basis van het consultatiedocument blijft de BVm als reguliere bv kwalificeren. De BVm moet daarom onverminderd aan alle voorschriften voor bv’s blijven voldoen. Een aan een bv toebehorende maatschappelijke onderneming mag de toevoeging “BVm” of “B.V.m” in haar naam voeren als aan bepaalde eisen wordt voldaan. Dit brengt de maatschappelijke onderneming beter voor het voetlicht bij opdrachtgevers, financiers, afnemers en andere stakeholders. De internetconsultatie is afgerond, waardoor het nu wachten is op een definitief wetsvoorstel. Het is nog onduidelijk wanneer dit zal verschijnen. 

Spontane aangifte aanslagbelastingen

Voor spontane aangiften aanslagbelastingen (zoals vennootschapsbelasting) gelden dezelfde wettelijke correctie- en sanctiebevoegdheden als voor aangiften die volgen op een vooraf verzonden of uitgereikte uitnodiging daartoe. Bij een spontane aangifte wordt niet vooraf een uitnodiging verstuurd. Daarnaast wordt de aanslag- respectievelijk navorderingstermijn met zes maanden verlengd als binnen zes maanden voor het einde van die termijn een verzoek om uitnodiging of een spontane aangifte is gedaan. 

Verkrijgen en behouden anbi-status

Voor het verkrijgen of behouden van de status van een algemeen nut beogende instelling is onder meer van belang dat de statuten van uw instelling altijd voldoen aan de actuele wettelijke criteria. Per 1 januari 2021 stelt de wet andere eisen aan de formulering van de liquidatiebepaling in de statuten. Anbi’s die hun statuten wijzigen, moeten hiermee rekening houden bij een eerstvolgende statutenwijziging. De Belastingdienst beoordeelt de statuten van anbi’s namelijk zeer kritisch. Houd er verder rekening mee dat u voldoet aan de elektronische publicatieplicht die voor anbi’s geldt. Per 1 januari 2021 moeten anbi’s hiervoor gebruikmaken van een standaardformulier. Deze zijn beschikbaar via de website van de Belastingdienst. Uw anbi moet ze ingevuld publiceren op internet. Daarbij dient de financiële verantwoording telkens binnen zes maanden na afloop van het boekjaar te worden geactualiseerd middels hetzelfde standaardformulier.

Contact

Knowledge Centre

Rotterdam, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 43 51

Volg ons