Hoge Raad oordeelt over gebruikelijkheidscriterium werkkostenregeling

15/07/19

De Hoge Raad heeft een aantal gezichtspunten gegeven voor de beoordeling of aan het gebruikelijkheidscriterium van de werkkostenregeling is voldaan. Het is de eerste keer dat de Hoge Raad oordeelt in een geschil over de gebruikelijkheidstoets. In het arrest bevestigt de Hoge Raad dat de reikwijdte van de werkkostenregeling niet is beperkt tot vergoedingen en verstrekkingen die een zuiver zakelijk of een gemengd karakter hebben. De grenzen van de gebruikelijkheidstoets worden bepaald door de invulling die werkgevers hier in de praktijk aan (zullen) geven.

Casus

In deze casus heeft de werkgever (bonus)aandelen van een aanzienlijke waarde, die zijn toegekend aan een selecte groep werknemers, in het werkkostenbudget ondergebracht. In geschil is of de aandelen als eindheffingsbestanddeel voor de werkkostenregeling mochten worden aangewezen. Anders gezegd: in geschil is of aan het gebruikelijkheidscriterium is voldaan.

De Hoge Raad oordeelt dat Gerechtshof Amsterdam er ten onrechte vanuit is gegaan dat alleen vergoedingen en verstrekkingen die een zuiver zakelijk of een gemengd karakter hebben, in aanmerking komen voor de werkkostenregeling. Het Hof heeft op dit onjuiste uitgangspunt voortgebouwd voor de vraag of de Belastingdienst aan zijn bewijslast heeft voldaan. De zaak wordt daarom verwezen. De Hoge Raad geeft wel een aantal aanwijzingen, die hierbij moeten worden meegenomen. Wij lichten deze hieronder toe.

Wat betekent dit voor u?

Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt dat in beginsel alle soorten vergoedingen en verstrekkingen onder de reikwijde van de werkkostenregeling vallen. De vergoeding of verstrekking hoeft niet een (deels) zakelijk karakter te hebben. Vervolgens moet wel aan het gebruikelijkheidscriterium worden voldaan.

De Hoge Raad stelt dat als de inspecteur het standpunt inneemt dat niet aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan, de inspecteur feiten en omstandigheden moet stellen die dit standpunt onderbouwen, en hij die feiten en omstandigheden bij gemotiveerde betwisting aannemelijk moet maken. De inspecteur kan niet aan deze stelplicht voldoen door uitsluitend te verwijzen naar de door de Belastingdienst gehanteerde doelmatigheidstoets van € 2.400 per werknemer per jaar.

Dit betekent dat de Belastingdienst zich niet langer op het standpunt kan stellen dat in een bepaald geval niet aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan, alleen omdat een of meer beloningsbestanddelen optellen tot een hoger bedrag dan € 2.400 per werknemer per jaar. De inspecteur moet aangeven waarom de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel niet gebruikelijk is. Hierbij kunnen volgens de Hoge Raad onder andere de volgende gezichtspunten een rol spelen:

  • de gebruikelijkheid van de aanwijzing van een vergoeding of verstrekking als eindheffingsbestanddeel;
  • vergelijkingen met de werkkostenregeling voor andere werknemers van dezelfde werkgever;
  • vergelijkingen met werkkostenregelingen voor collega’s van de werknemer in dezelfde functiecategorie bij dezelfde werkgever;
  • vergelijkingen met werkkostenregelingen voor werknemers bij andere werkgevers.

De Hoge Raad ontleent deze uitgangspunten aan de parlementaire toelichting op de per 2016 gewijzigde gebruikelijkheidstoets. De Hoge Raad vindt deze uitgangspunten dus ook van toepassing op de gebruikelijkheidstoets zoals die in 2012 en 2013 (de periode waarop deze procedure betrekking heeft) gold.

De Hoge Raad vult het gebruikelijkheidscriterium met de genoemde gezichtspunten nog niet precies in. Hij geeft aan dat het betreffende loonvoordeel in de context moet worden geplaatst van hetgeen zowel bij de eigen als bij andere werkgevers wordt toegekend. Het wordt daarmee aan maatschappelijke opvattingen en ontwikkelingen én aan lagere rechtspraak overgelaten om het gebruikelijkheidscriterium verder in te vullen. 

Contact

Henk van Keersop

Senior Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 14 85

Volg ons