Skip to content Skip to footer
Search

Loading Results

Geen korting, wel indexatie pensioenen in 2022

20/12/21

Pensioenontwikkelingen 2022

Staatssecretaris Wiersma heeft de Tweede Kamer op 26 november 2021 per brief geïnformeerd over de vrijstellings- en de indexatieregeling van 2022. 

De staatssecretaris is bereid om ook in 2022 vrijstelling te verlenen van de termijnen die volgens het huidig financieel toetsingskader (FTK) gelden om te voldoen aan het minimaal vereist eigen Vermogen (MVEV) en het vereist eigen vermogen (VEV). 

Daarnaast veranderen met de komst van de Wet toekomst pensioenen (WTP) de spelregels rond indexatie in de transitiefase. In samenhang met de indiening van het wetsvoorstel in het voorjaar wil de staatssecretaris hierop in 2022 alvast vooruitlopen.

Vrijstellingsregeling 

Met de verlenging van de vrijstellingsregeling hoeven fondsen ook per 1 januari 2022 opgebouwde pensioenaanspraken en -uitkeringen niet te korten als de dekkingsgraad minimaal 90 procent is. Volgens Wiersma is de uitzonderlijke economische situatie die vorig jaar gold voor het verlengen van de vrijstellingsregeling nog niet voorbij. Zowel de uitbraak van het coronavirus en de maatregelen om die uitbraak in te dammen als de daaropvolgende onzekerheid op financiële markten kunnen hun weerslag hebben op de financiële positie van individuele pensioenfondsen. Op grond van artikel 142 van de Pensioenwet bestaat de bevoegdheid deze vrijstelling te verlenen. In 2019 en 2020 heeft minister Koolmees ook al gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.

De aangekondigde Algemene Maatregel van Bestuur kan naar verwachting medio 2022 in werking treden. Fondsen met een beleidsdekkingsgraad vanaf 105 procent kunnen (met de intentie om bij de overstap op de nieuwe premieregeling de bestaande pensioenen in te varen) volgend jaar dan met terugwerkende kracht per 1 januari 2022 indexeren. De indexatie hoeft dan niet te voldoen aan de huidige eisen van het toekomstbestendig indexeren en kan niet hoger zijn dan de in het pensioenreglement afgesproken prijs- of loonindex.

Indexatieregeling 

De staatssecretaris gaf aan een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) in te stellen die fondsen met een beleidsdekkingsgraad van 105 procent of hoger alvast in 2022 de mogelijkheid geeft te indexeren conform de indexatieregels van het transitie-FTK uit de WTP. Onder het huidige FTK kunnen pensioenfondsen pas indexeren vanaf een beleidsdekkingsgraad van 110 procent en moet de te verlenen indexatie toekomstbestendig zijn. Bij de behandeling van de Verzamelwet SZW 2022 was hiertoe in de Tweede Kamer een motie aangenomen. 

Met de invoering van de AMvB wordt deze motie uitgevoerd en kunnen pensioenfondsen vooruitlopend op de inwerkingtreding van de WTP al in 2022 een verlaagde indexatiegrens hanteren. Er gelden echter wel voorwaarden waaraan zij moeten voldoen om gebruik te maken van deze verlaagde indexatiegrens. Deze voorwaarden hebben betrekking op de onderbouwing van de evenwichtige belangenafweging en de intentie van pensioenfondsen om opgebouwde pensioenen in te varen in het nieuwe pensioenstelsel.

De AMvB kan naar verwachting medio 2022 in werking treden. Fondsen met een beleidsdekkingsgraad vanaf 105 procent kunnen (met de intentie om bij de overstap op de nieuwe premieregeling de bestaande pensioenen in te varen) volgend jaar dan met terugwerkende kracht per 1 januari 2022 indexeren. De indexatie hoeft dan niet te voldoen aan de huidige eisen van het toekomstbestendig indexeren en kan niet hoger zijn dan de in het pensioenreglement afgesproken prijs- of loonindex.

Met de aangepaste indexatieregels in 2022 en met het transitie-FTK als onderdeel van de WTP, wordt het indexatiepotentieel voor pensioenfondsen sterk vergroot in de aanloop naar het nieuwe pensioenstelsel.

Invaren van pensioenen

Wat betreft het invaren, heeft staatssecretaris Wiersma op 9 december 2021 per brief nog een aantal vragen beantwoord die tijdens de behandeling in de Eerste Kamer van de genoemde Verzamelwet SZW 2022 zijn gesteld. Hierbij gaf hij aan dat het de wens van de sociale partners en het kabinet is om nieuwe pensioenen en bestaande pensioenen zoveel mogelijk bij elkaar te houden door omzetting van de bestaande pensioenen naar de nieuwe premieregeling mogelijk te maken. Dit biedt verschillende voordelen. Bijvoorbeeld, dat ook de reeds opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten kunnen meebewegen met de economische ontwikkelingen. En dat voor reeds opgebouwde pensioenen meer perspectief op indexatie ontstaat, dat financiële schokken gedeeld kunnen blijven worden door het hele collectief en dat een pensioenregeling voor een deelnemer eenduidiger en daardoor inzichtelijker is.

Er is evenwel geen verplichting overeengekomen om de opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten om te zetten. Sociale partners bepalen of zij, rekening houdend met de belangen van de verschillende belanghebbenden, een verzoek doen aan het pensioenfonds om de opgebouwde pensioenen om te zetten naar de nieuwe pensioenregeling. Dit verzoek wordt vervolgens door het pensioenfondsbestuur en de pensioenfondsorganen beoordeeld en al dan niet aanvaard. Het pensioenfondsbestuur heeft hierbij de taak om bij het besluit de belangen van de deelnemers, gewezen deelnemer, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden en de werkgever evenwichtig af te wegen.

Verder gaf de staatssecretaris desgevraagd aan dat er is overwogen om invaren niet het uitgangspunt te maken. Vanwege de voordelen is er echter wel voor gekozen gebruik te maken van een standaardpad voor invaren. Het pensioenfonds kan, na het verzoek van sociale partners, besluiten tot invaren, maar dient ook hier een eigen afweging te maken.

Het pensioenfondsbestuur beoordeelt bijvoorbeeld of het invaren onevenwichtig nadelig is voor de belanghebbenden. Het huidige financieel toetsingskader blijft van toepassing op de opgebouwde pensioenen die niet worden ingevaren.

Doordat er geen wettelijke verplichting tot invaren bestaat kan per specifiek pensioenfonds worden bepaald of invaren in het belang van de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden is. Pensioenfondsen staan twee omrekenmethoden ter beschikking, namelijk de value based ALM-methode en de standaardmethode. Hoewel de naam van de standaardmethode anders kan doen vermoeden, is dit geen default methode: beide methoden zijn toelaatbaar. Het pensioenfonds kiest welke methode zij wil gebruiken bij het invaren en legt dit vast in het implementatieplan.

Contact

Joep van Loon

Joep van Loon

Senior Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)68 265 43 29

Lilian van Duijnhoven

Lilian van Duijnhoven

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 156 95 30

Volg ons