Skip to content Skip to footer
Search

Loading Results

Aandachtspunten werkgevers bij hervorming nabestaandenpensioen

02/11/21

Wijzigingen nabestaandenpensioen

Als onderdeel van de Wet toekomst pensioenen verandert het nabestaandenpensioen ingrijpend. De beoogde hervormingen moeten een eenvoudig en generiek stelsel creëren dat transparant is en fouten in de uitvoering voorkomt. PwC voorziet ook risico’s bij de hervormingen. Door de wijzigingen kunnen zich situaties voordoen die geen adequate dekking bieden of waarin de dekking juist hoger uitvalt dan maatschappelijk gewenst. We zetten de belangrijkste aandachtspunten voor werkgevers op een rij.

Partnerpensioen

Het wetsvoorstel kent geen inhoudelijke wijzigingen ten aanzien van partnerpensioen bij overlijden na de pensioendatum. Het partnerpensioen bij overlijden voor het bereiken van de pensioendatum wijzigt wel.

  • Werkgevers kunnen het partnerpensioen alleen nog maar verzekeren op risicobasis. Voorheen kon dit ook op opbouwbasis. Bij een verzekering op risicobasis vervalt de risicodekking als er niet langer sprake is van actieve deelname aan de pensioenregeling, op enkele uitzonderingen na die we toelichten in de alinea ‘Het partnerpensioen bij einde dienstverband’.
  • Het partnerpensioen is vormgegeven als een levenslange uitkering. Het is nu al mogelijk te kiezen voor een hoog-laagconstructie. De regering onderzoekt nog of het mogelijk is extra maatwerk aan te brengen.
  • De maximale fiscale ruimte voor het partnerpensioen bedraagt vijftig procent van het pensioengevend salaris in plaats van zeventig procent van het te bereiken ouderdomspensioen. Het partnerpensioen is dus gerelateerd aan de hoogte van het pensioengevend salaris op het moment van overlijden van de deelnemer. De franchise zal hierbij geen rol meer spelen. Dit betekent een verbetering voor lagere inkomens.
  • De dekking van het nabestaandenpensioen wordt diensttijdonafhankelijk. Daardoor is de hoogte van het partnerpensioen niet meer afhankelijk van het arbeidsverleden of de (te bereiken) dienstjaren bij de huidige werkgever. Dit zorgt voor een betere aansluiting bij baanwisseling.

Het partnerpensioen bij einde dienstverband

Een nadeel voor de deelnemer van een partnerpensioen op risicobasis is dat de risicodekking vervalt als er niet langer sprake is van deelnemerschap in de pensioenregeling, bijvoorbeeld als een deelnemer (nog) geen nieuw dienstverband is aangegaan. Om dit soort risico’s te verkleinen, introduceert het wetsvoorstel een aantal nieuwe uitgangspunten:

  • Bij het einde van een dienstverband moet de oude pensioenuitvoerder de risicodekking voor partnerpensioen minimaal drie maanden voortzetten, ook als een deelnemer ziek uit dienst treedt of als zelfstandige gaat werken.
  • Bij werkloosheid wordt de risicodekking voortgezet zolang er sprake is van een uitkering uit hoofde van de Werkloosheidswet.
  • Bij het einde van de uitloopperiode dan wel na afloop van de risicodekking tijdens de WW-periode krijgt de deelnemer de keuze de risicodekking vrijwillig voort te zetten door middel van een uitruil van het gespaarde pensioenvermogen. De risicopremies voor deze dekking worden dan onttrokken uit het ouderdomspensioenkapitaal van de deelnemer. Dit kan voor een periode van maximaal drie jaar. Daarnaast blijft het mogelijk het ouderdomspensioen en de risicodekking voor partnerpensioen voor eigen rekening voort te zetten.

Wezenpensioen

Het wetsvoorstel beoogt het wezenpensioen te verruimen en te uniformeren. Het wezenpensioen is een uitkering voor kinderen indien één of beide ouders overlijden. De volgende wijzigingen zijn aan de orde:

  • De fiscale ruimte voor het wezenpensioen wordt voor half wezen verruimd naar twintig procent van het pensioengevend salaris en veertig procent voor volle wezen. Hierbij hoeft geen rekening te worden gehouden met de franchise en de dekking is leeftijdsonafhankelijk.
  • De leeftijdsgrens tot wanneer het wezenpensioen mag worden uitgekeerd, wordt 25 jaar en hier mogen geen voorwaarden aan worden gesteld. Momenteel variëren de leeftijdsgrenzen van achttien tot dertig jaar en staat het sociale partners vrij hier nadere voorwaarden aan te stellen, zoals het volgen van een studie.

Partnerbegrip

Het wetsvoorstel geeft een uniforme partnerdefinitie, waaraan geen aanvullende of afwijkende voorwaarden kunnen worden gesteld. Het voorgestelde partnerbegrip omvat:

  • Gehuwden dan wel geregistreerde partners (nu ook al wettelijk geregeld).
  • Partners met een duurzame huishouding op hetzelfde adres met notariële akte.
  • Samenwonen zonder notariële akte bij samenwonen op één adres voor langer dan zes maanden.
  • De partner die geen bloedverwant in eerste of tweede graad is.

Partnerbegrip te breed

Onder het nieuwe partnerbegrip kunnen ook huisgenoten vallen met een gemeenschappelijke rekening, zoals studenten. Personen vallen namelijk al onder het partnerbegrip als ze minimaal zes maanden hebben samengewoond op hetzelfde adres en een duurzame huishouding voeren. Van een gezamenlijke huishouding is al sprake als de personen ten minste zes maanden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Risico’s bij partnerpensioen op risicobasis bij vervroegde uitdiensttreding

Deze problematiek speelt ook als de deelnemer vervroegd uit dienst treedt door gebruik te maken van de door de overheid tot en met 2025 gestimuleerde regeling voor vervroegde uittreding (RVU). Bij een partnerpensioen op risicobasis is er tijdens de periode tussen het moment waarop een werknemer vervroegd uit dienst treedt en de pensioendatum geen dekking voor het partnerpensioen. Als de werknemer tijdens deze periode overlijdt, zal de partner geen aanspraak kunnen maken op een partnerpensioen.

De Stichting van de Arbeid draagt in haar brief over de RVU-regeling en het nabestaandenpensioen van 7 oktober 2021 aan de decentrale cao-partijen voor dit probleem de volgende mogelijke oplossingen aan:

  • Op het moment van uitdiensttreding kan de werknemer een deel van het ouderdomspensioen uitruilen voor een partnerpensioen op opbouwbasis. Dan is het partnerpensioen tijdens de periode tussen de uitdiensttreding en de pensioendatum wel gedekt. Bij het bereiken van de eigenlijke pensioendatum kan het partnerpensioen eventueel weer terug worden geruild voor ouderdomspensioen.
  • De werknemer kan ervoor kiezen het pensioen in te laten gaan op het moment van uitdiensttreding. De meeste pensioenregelingen kennen na pensioendatum een partnerpensioen op opbouwbasis. In deze gevallen is het partnerpensioen direct bij uitdiensttreding gedekt. Kanttekening is dat het pensioen (zowel het ouderdomspensioen als het partnerpensioen) lager zal uitvallen, omdat het eerder ingaat.
  • In de RVU-regeling zou kunnen worden afgesproken om de RVU-uitkering (gedeeltelijk) toe te kennen aan de partner in geval van overlijden voor de pensioendatum.

Risico bij overlijden kort voor pensioendatum

Doordat werkgevers het partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum onder het nieuwe wetsvoorstel alleen nog maar kunnen verzekeren op risicobasis kunnen grote verschillen ontstaan tussen de nabestaandenpensioenuitkering bij overlijden vlak voor de pensioendatum of vlak na de pensioendatum. Het partnerpensioen bij overlijden na de pensioendatum is namelijk verzekerd op opbouwbasis. Deze nabestaandenpensioenuitkering is afhankelijk van diensttijd, historie van premie-inleg en beleggingsresultaten, terwijl de nabestaandenuitkering bij overlijden vlak voor de pensioendatum enkel afhankelijk is van het laatstverdiende loon. Voor iemand met een korte diensttijdhistorie en dus een relatief laag opgebouwd nabestaandenpensioen kan dit er bijvoorbeeld toe leiden dat bij overlijden vóór de pensioendatum een (aanzienlijk) hoger nabestaandenpensioen wordt ontvangen dan als die deelnemer na de pensioendatum zou zijn overleden.

Het verschil in de uitkering voor en na de pensioendatum kan er bovendien toe leiden dat werknemers met een lage levensverwachting ervoor kiezen eerder of juist later met pensioen te gaan, afhankelijk van wat financieel aantrekkelijker is. Indien werknemers hieromtrent geen keuze maken, kan dit financieel nadelig uitpakken voor de werknemers.

Risico bij overlijden na een kort dienstverband

Ook bij korte dienstverbanden ontstaat er een dekking voor het nabestaandenpensioen. Deze dekking loopt tot minimaal drie maanden na het einde van het dienstverband door. Zo is het mogelijk dat voor een (ex-)werknemer, die slechts een week in dienst is geweest en binnen drie maanden na het einde van het dienstverband overlijdt, een levenslang nabestaandenpensioen moet worden uitgekeerd. In sommige sectoren waar korte dienstverbanden niet ongebruikelijk zijn, zoals de horeca, kan dit tot onevenredige hoge lasten leiden die drukken op de risicopremies van alle pensioendeelnemers.

Risico bij emigratie van uw werknemer

Buiten Nederland is het niet gebruikelijk dat een diensttijdonafhankelijk nabestaandenpensioen is verzekerd op risicobasis. Indien u een werknemer naar het buitenland uitzendt en daarmee zijn deelnemerschap aan de Nederlandse pensioenregeling eindigt, zal het nabestaandenpensioen over het algemeen dus moeten worden gedekt op opbouwbasis. Indien de werknemer overlijdt tijdens zijn (korte) dienstbetrekking in het buitenland heeft de werknemer echter nauwelijks nabestaandenpensioen opgebouwd, terwijl er vanuit Nederland ook geen recht meer is op een nabestaandenpensioen. Het is belangrijk dat u uw werknemers hierover informeert zodat zij zich (vrijwillig) kunnen verzekeren voor het nabestaandenpensioen, of dat u op een andere wijze voorziet in deze dekking voor uw uitgezonden werknemer.

Reeds opgebouwd kapitaal

Het wetsvoorstel regelt momenteel dat de al opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen in stand blijven, omdat het tot onevenredige nadelen zou kunnen leiden voor personen die dit jarenlang hebben opgebouwd. De partner van een gewezen deelnemer die overlijdt voor de pensioendatum zou dan bijvoorbeeld geen aanspraak hebben op het opgebouwde partnerpensioen.

Het gevolg hiervan is dat een nabestaande een extra hoge uitkering kan ontvangen als de werknemer voor pensioendatum overlijdt. Boven het reeds opgebouwde nabestaandenpensioen geldt vanaf de inwerkingtreding van dit onderdeel van het wetsvoorstel immers ook een risicodekking ter hoogte van vijftig procent van het pensioengevend salaris. Dit kan leiden tot fiscaal bovenmatige nabestaandenpensioenen die soms aanzienlijk hoger zijn dan de aanspraken op het ouderdomspensioen.

Het is opmerkelijk dat het wetsvoorstel deze dubbele dekking toestaat. Het gedogen van deze samenloop staat haaks op het in de afgelopen tien jaar steeds verder versoberde fiscale pensioenkader. Daarnaast zullen pensioenuitvoerders die volledig overstappen naar een beschikbarepremieregeling de komende decennia alsnog moeten werken met het financieel toetsingskader dat van toepassing is op uitkeringsregelingen. Het geëerbiedigde nabestaandenpensioen op kapitaalbasis is immers een uitkeringsregeling. Uitgaande van jonge werknemers die al nabestaandenpensioen op kapitaalbasis hebben opgebouwd, betekent dit dat werkgevers de komende vijftig jaar een aparte administratie voor uitkeringsregelingen moeten bijhouden voor dit opgebouwde nabestaandenpensioen. Aangezien dit de uitvoering aanzienlijk complexer maakt en de dubbele dekking voor partnerpensioen geen politiek streven beantwoordt, voorzien wij dat hier in het kader van het invaren alsnog een oplossing voor wordt gevonden en dat de definitieve samenloopbepalingen bij het partnerpensioen nog zullen wijzigen.

Werkgevers, informeer uw werknemers

Het wetsvoorstel kan impact hebben op de toekomstige financiële situaties van werknemers en hun partners en kinderen. Afhankelijk van het moment van overlijden en de diensttijdhistorie kan het nabestaandenpensioen een stuk hoger of lager uitvallen dan aanvankelijk gedacht. Het is werknemers aan te raden hier rekening mee te houden bij bijvoorbeeld de keuzes omtrent de pensioeningangsdatum en het vrijwillig voortzetten van de risicodekking bij een vervroegde uitdiensttreding, een carrièreswitch of een ontslag. Als werkgever dient u geïnformeerd het gesprek aan te gaan met werknemers en hen te wijzen op de acties die zij bij uitdiensttreding kunnen ondernemen om de nabestaandenpensioendekking voort te zetten.

Contact

Jan Meijer

Jan Meijer

Senior Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 115 75 16

Volg ons