Advies Advocaat-Generaal: vrijwillige regeling in Sociaal Plan geen RVU

Start adding items to your reading lists:
or
Save this item to:
This item has been saved to your reading list.

Binnenkort zal de Hoge Raad opnieuw uitspraak doen over de vraag of een vrijwillige regeling in een Sociaal Plan kwalificeert als Regeling voor Vervroegd Uittreden. De Hoge Raad heeft hierover in 2016 al geoordeeld over een regeling die alleen openstond voor werknemers van 57+. Nu gaat het om een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling die openstaat voor alle werknemers van de organisatie. 

RVU en reorganisatie

Bij reorganisaties met personele gevolgen bestaat het risico dat een vrijwillige vertrekregeling voor (oudere) werknemers kwalificeert als Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU). Als een regeling kwalificeert als RVU, is de werkgever over de uitkeringen 52% eindheffing verschuldigd. Een financiële regeling is een RVU als deze voor 90% of meer is bedoeld om te voorzien in uitkeringen ter overbrugging tot de pensioen- of AOW-datum.

De Hoge Raad heeft in 2016 geoordeeld dat voor de RVU-toets de beweegredenen van de werkgever om deze regeling in te voeren, niet relevant zijn. In de betreffende situatie was sprake van een regeling expliciet voor 57+ werknemers, en daarmee was de conclusie dat dat inderdaad een RVU-regeling was, niet verrassend.

In onderhavige situatie betreft het een reorganisatie die tot ontslag op basis van het afspiegelingsbeginsel kan leiden, waarbij de betreffende werknemers dan een ontslagvergoeding op basis van de kantonrechtersformule ontvangen. Hier gaat echter een vrijwilligers- of plaatsmakersregeling aan vooraf. Dit heeft er toe geleid dat relatief meer oudere werknemers op basis van de regeling met ontslag zijn gegaan.

Het Hof heeft eerder geoordeeld dat de feitelijke uitwerking niet bepalend is voor de vraag of de regeling ‘sec’ als een RVU-regeling moet worden beschouwd. Nu de regeling en de daar in opgenomen kantonrechtersformule geen leeftijdsgebonden elementen zijn, oordeelde het Hof dat geen sprake was van een RVU.

De A-G sluit zich bij deze conclusie aan, waarbij hij niet volledig helder maakt op basis van welke elementen een regeling moet worden beoordeeld. 

Wat betekent de conclusie voor u?

Vooralsnog bevestigt deze conclusie van de A-G onze eerder vermelde opvatting dat de belastingdienst té snel tot het standpunt komt dat, bijvoorbeeld vanwege de aanwezigheid van een vrijwilligers- of plaatsmakersregeling, sprake zou zijn van een RVU-regeling. Ook de feitelijke uitwerking van de regeling is niet leidend. Bezien moet worden of de regeling, op voorhand bezien, als een min of meer doelgerichte regeling voor oudere werknemers ter overbrugging tot aan het pensioen moet worden beschouwd.

De conclusie van de A-G is op zichzelf gunstig, maar uit de conclusie blijkt ook dat onduidelijkheid bestaat over de wijze waarop precies moet worden beoordeeld of een regeling bedoeld is ter overbrugging tot aan het pensioen. We moeten afwachten of het arrest van de Hoge Raad meer duidelijkheid geeft over welke toets precies moet worden aangelegd.

Contact

Henk van Keersop
Senior Manager
Tel: +31 (0)88 792 14 85
E-mailadres

Volg ons