Nieuw box 3 mixt vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting

12/09/23

Dit artikel is voor het laatst bijgewerkt op 1 februari 2024

Het demissionair kabinet heeft wijzigingen aangekondigd in de vormgeving van het nieuwe box 3-systeem met het voorstel ‘Wet werkelijk rendement box 3’, dat op 8 september 2023 voor consultatie is gepubliceerd. Naar aanleiding van de reacties hierop heeft het kabinet enkele wijzigingen aangebracht, met de Kamerbrief van 25 januari 2024 en de bijbehorende bijlagen. Het nieuwe box 3-stelsel gaat als hoofdregel uit van het belasten van werkelijke rendementen volgens een vermogensaanwassysteem. Dit systeem belast de gerealiseerde en ongerealiseerde inkomsten uit box 3-vermogen en maakt het mogelijk dat de kosten die daarmee verband houden aftrekbaar zijn.

Voor onroerende zaken en voor aandelen in familiebedrijven en startende ondernemingen gold in het conceptwetsvoorstel als uitzondering op de hoofdregel een vermogenswinstbelasting. Daarbij wordt de waardeontwikkeling voor deze vermogensbestanddelen belast bij realisatie, zoals bij verkoop. Voor de eerste woning in box 3 waarbij hoofdzakelijk sprake is van eigen gebruik gold in het conceptwetsvoorstel een forfaitair rendement maar naar aanleiding van de consultatiereacties is dit geschrapt. Alle onroerende zaken die nu in box 3 worden belast, gaan onder vermogenswinstbelasting vallen.

Dit nieuwe box 3-stelsel zou per 1 januari 2027 in werking moeten treden. Vanwege de demissionaire status van het kabinet is het aan een volgend kabinet om het conceptwetsvoorstel - al dan niet in gewijzigde of in een nieuwe vorm - daadwerkelijk in te dienen.

Wat betekent dit voor u?

Afhankelijk van de samenstelling van uw box 3-vermogen kan dit nieuwe box 3-stelsel een stevige impact hebben. Het voorstel dat nu is gepubliceerd, kan nog sterk veranderen, een nieuw kabinet kan andere ideeën hebben over de vormgeving. Tegelijkertijd is het wel belangrijk om deze ontwikkelingen te volgen om tijdig te kunnen inschatten wat de gevolgen voor u zijn zodat u daar nog rekening mee kunt houden.

Het nieuwe stelsel in het gewijzigde wetsvoorstel komt naar onze eerste inschatting tegemoet aan veel kritiek op het huidige box 3-stelsel.. Dit stelsel zou voor het overgrote deel niet langer op forfaitaire basis belasting over vermogen heffen, maar uitgaan van het werkelijke rendement. Het belasten van werkelijk rendement zou voldoen aan de grondrechtelijke toetsing door de rechter. Ook is er een tegemoetkoming in verwerkt voor vermogen dat ‘vastzit’ en minder liquide is. De vermogenswinsten uit dat type vermogen worden in principe alleen belast bij realisatie van die winst. Een belangrijk nadeel lijkt ons dat het nieuwe stelsel daardoor vrij complex wordt. Aan de andere kant is een forfaitair stelsel ook complex geworden door uitspraken van de rechter en kan het enorm afwijken van de daadwerkelijk behaalde rendementen. Het is de vraag of de huidige vormgeving een goede balans hierin biedt.

Het stelsel in hoofdlijnen

In het nieuwe box 3-stelsel wordt als hoofdregel het werkelijke rendement uit sparen en beleggen belast op basis van vermogensaanwas, dat wil zeggen dat jaarlijks zowel inkomsten uit vermogen als de waardegroei van het vermogen wordt belast. Dat vereist, net als nu, het jaarlijks waarderen van bezittingen en schulden naar de waarde in het economische verkeer. Doordat een vermogensaanwasstelsel de waardegroei jaarlijks belast, wordt langdurig uitstel van belastingheffing voorkomen. Ook wordt voorkomen dat belastingplichtigen en ketenpartners zoals banken en verzekeraars langdurig gegevens moeten bijhouden over historische kostprijzen en investeringen. Een nadeel van een vermogensaanwasbelasting is voor belastingplichtigen echter dat zij ook belasting moeten betalen over waardeontwikkelingen die zij nog niet hebben gerealiseerd.

Om te voorkomen dat u belasting moet betalen over minder liquide vermogensbestanddelen, zoals onroerende zaken, wordt daar pas belasting over geheven wanneer u daadwerkelijk winst hebt gerealiseerd. Daarvoor worden onroerende zaken en participaties in familie- en startende ondernemingen gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs en moet u bij bijvoorbeeld verkoop belasting betalen over het verschil tussen deze verkrijgingsprijs en de opbrengst: de vermogensgroei. In het conceptwetsvoorstel ontbrak een step-up bij de start van het nieuwe stelsel. In het gewijzigde voorstel is dit gerepareerd. Aangezien de forfaitaire rendementen in het huidige stelsel ook de vermogensgroei omvatten, worden de vermogensbestanddelen die al bij aanvang van het nieuwe stelsel in het bezit zijn van de belastingplichtige, bij aanvang van het kalenderjaar 2027 (de beoogde inwerkingtredingsdatum van het nieuwe stelsel) op de marktwaarde (in beginsel WEV) gewaardeerd. Anders zouden vermogenswinsten of -verliezen van vóór 2027 in de heffing onterecht worden betrokken. Inkomsten uit deze bezittingen, zoals bijvoorbeeld dividenden, worden wel al in het jaar van realisatie belast. Voor woningen wordt de waarde in het economisch verkeer aan het begin van het kalenderjaar 2027 gesteld op de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2027.

Het vermogen dat in het nieuwe box 3-stelsel in aanmerking wordt genomen blijft hetzelfde als in het huidige stelsel en is te verdelen in twee onderdelen:

  1. onroerende zaken en aandelen/winstbewijzen in familiebedrijven en startende ondernemingen: hierbij worden werkelijke inkomsten en vermogenswinsten belast; en
  2. overige bezittingen en schulden, met inbegrip van banktegoeden: hierbij worden werkelijke inkomsten en vermogensaanwas belast.

Het gewijzigde voorstel regelt dat de valutaresultaten van banktegoeden wel worden belast, anders dan in het conceptwetsvoorstel, waarin banktegoeden nog een aparte categorie vormden. Denk bijvoorbeeld aan banktegoeden aangehouden in vreemde valuta. Deze wijziging vergroot wel de administratielast voor belastingplichtigen met buitenlandse betaalrekeningen in vreemde valuta. Dit is echter naar verwachting een relatief kleine groep.

Het huidige heffingvrij vermogen wordt vervangen door een heffingvrij inkomen.

Het conceptwetsvoorstel bevat nog geen specifiek tarief voor box 3-inkomen. Op basis van financiële ramingen bij het consultatievoorstel zou het een tarief van tussen de 33 tot 37 procent kunnen worden. Dit blijft open voor een volgend kabinet, evenals de hoogte van het heffingvrije inkomen.

Aftrekbare kosten

Bij het bepalen van de werkelijke inkomsten mogen kosten in aftrek worden gebracht. Het uitgangspunt is dat uitsluitend kosten in aftrek mogen komen die verband houden met de inning, het behoud en de verwerving van het resultaat. Denk aan bank- en beheerkosten, transactiekosten voor het aan- en verkopen van beleggingen of kosten voor betaalde rente. Om discussies te voorkomen, zal de wettekst kosten aanwijzen die niet aftrekbaar zijn.

Totaalvoordeelgedachte en belasten van eigen gebruik

Het nieuwe box 3-stelsel belast het totale rendement (alle voordelen minus kosten) uit vermogen: de totaalvoordeelgedachte. Dit principe is vormgegeven op basis van de totaalwinstgedachte die voor ondernemers geldt. Daarmee zijn leerstukken zoals goed koopmansgebruik van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van het verschil tussen een onderneming en vermogen, de wettelijke uitzonderingen en afwijkingen in box 3. Een belangrijk verschil tussen de totaalvoordeelgedachte en de totaalwinstgedachte is dat box 3 zoals gezegd als hoofdregel ook vermogensaanwas belast. Dat gebeurt door de betreffende vermogensbestanddelen jaarlijks tegen de waarde in het economisch (WEV) te waarderen. Een ander belangrijk verschil is dat voor box 3 wettelijk is bepaald welk vermogen in box 3 hoort en dus geen vermogensetikettering van toepassing is.

Het box 3-voordeel wordt bepaald door vermogensvergelijking. Het uitgangspunt daarbij is de nominale waarde van het begin- en eindvermogen van het totale box 3-vermogen. Er wordt dus geen rekening gehouden met inflatie. In de vermogensvergelijking geldt een correctie voor stortingen en onttrekkingen (tegen WEV) die niet te maken hebben met het box 3-vermogen. Daarmee worden alleen belastbare vermogensmutaties in box 3 belast.

Als onderdeel van de totaalvoordeelgedachte is het zakelijkheidsbeginsel van toepassing. Bij het bepalen van het totaalvoordeel geldt zakelijk handelen als uitgangspunt. Dit is om box 3-planning te voorkomen door bijvoorbeeld onzakelijke handelen tussen ouder en kind, het creëren van verliezen of door constructies met onzakelijke vergoedingen in verhouding tot box 1 en box 2. Om te voorkomen dat het stelsel onnodig ingewikkeld wordt, geldt een doelmatigheidsmarge voor bijvoorbeeld rente op vorderingen/schulden als praktische tegemoetkoming. Het bedrag of percentage van deze doelmatigheidsmarge is nog niet bekend. Voor onroerende zaken zal de economische huurwaarde voor het eigen gebruik, verminderd met de daarmee verband houdende kosten, op basis van een forfait deel uitmaken van de box 3-belastinggrondslag. Roerende zaken voor eigen gebruik, zoals auto’s, caravans en boten, blijven net als in het huidige box 3-stelsel buiten de belastingheffing, tenzij deze hoofdzakelijk ter belegging worden aangehouden.

Er komt een kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling, enigszins vergelijkbaar met die in de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Het kwijtscheldingsvoordeel bij de schuldenaar is vrijgesteld als sprake is van kwijtschelding van een financieel onvolwaardige vordering en voor zover het inkomen de verrekenbare verliezen overstijgt.

Box 3-woningen

In het conceptwetsvoorstel gold aanvankelijk voor één van de box 3-woningen (naar uw eenmalige keuze) een forfaitair rendement. In het gewijzigde voorstel gaan alle onroerende zaken die nu in box 3 worden belast, onder de vermogenswinstbelasting vallen. Het voordeel van het beschikbaar zijn voor eigen gebruik van een onroerende zaak wordt bepaald met een forfait.

Familiebedrijven en startende ondernemingen

De definitie van een familieonderneming in het gewijzigde wetsvoorstel kent twee elementen. Allereerst moet het lichaam een onderneming drijven of een medegerechtigdheid houden. Daarnaast moet de familie een belang van ten minste 25 procent houden in het lichaam dat een onderneming drijft of een medegerechtigdheid houdt. De 'familie' omvat de eerste persoon die een aandelenbelang heeft in het lichaam, zijn partner en al zijn bloed- en aanverwanten in de neergaande lijn. Ook de aandeelhouder die geen deel uitmaakt van de familie, kan gebruik maken van deze regeling. Als een aandeelhouder - familie of geen familie - belast wil worden via het regime van de vermogenswinstbelasting moet deze overtuigend kunnen aantonen dat voldaan is aan de hiervoor genoemde voorwaarden.

Bij een holdingstructuur kan de holding, ook als de holding zelf geen onderneming drijft, toch kwalificeren als een familieonderneming als de werkmaatschappij waarin de holding een belang houdt, zelf wel een onderneming drijft. De belastingplichtige moet wel overtuigend kunnen aantonen dat de 'familie' een belang van ten minste 25 procent houdt in de holding en in werkmaatschappij die de onderneming drijft.

Het gewijzigde wetsvoorstel definieert een startende onderneming als volgt. Dit is een niet-beursgenoteerd lichaam dat een onderneming drijft, niet langer dan vijftien jaar geleden is opgericht, een jaaromzet heeft van minder dan 30 miljoen euro en waarvan de aandelen uiteindelijk voor niet meer dan 25 procent worden gehouden door een lichaam dat geen startende onderneming is. Het gewijzigde wetsvoorstel bevat de mogelijkheid om bedrijven in nog aan te wijzen sectoren uit te sluiten van de kwalificatie als startende onderneming.

Groene beleggingen en spaartegoeden

Het nieuwe stelsel bevat geen vrijstelling meer voor groen sparen en beleggen, maar wel een verhoging van de heffingskorting voor groene beleggingen en spaartegoeden.

Verliesverrekening

Verliesverrekening wordt mogelijk met ander box 3-inkomen, maar niet over de boxen heen. De voorwaartse verliesverrekening is onbeperkt. De aanvankelijke achterwaartse verrekening van verliezen met het voorgaande jaar zal in het gewijzigde voorstel komen te vervallen. Om doelmatigheidsredenen komt er een verliesverrekeningsdrempel (bedrag nog onbekend), zodat verrekening van heel kleine verliezen niet mogelijk is.

Overige punten

Het algemene deel van de concept toelichting bevat de nodige achtergrondinformatie, zoals cijfermatige informatie over de huidige box 3, de afwegingen rondom alternatieve box 3-stelsels en de doorwerking naar inkomensafhankelijke regelingen.

In een stelsel op basis van werkelijk rendement zijn meer gegevens nodig dan in het huidige forfaitaire stelsel. Gegevens van ketenpartners blijven relevant, zodat zoveel mogelijk gegevens vooraf in de aangifte ingevuld worden. Maar er zullen vaak meer gegevens relevant zijn. Als gevolg daarvan komt er ook een administratieplicht voor belastingplichtigen met box 3-vermogen, waarbij nog gekeken wordt hoe dit zo efficiënt mogelijk in te richten.

Vervolgstappen

Of de beoogde invoering per 1 januari 2027 haalbaar is, hangt van diverse factoren af. Een wetgevingstraject kost doorgaans anderhalf jaar, gevolgd door nog eens anderhalf jaar voor de invoering. Dat betekent dat al in het voorjaar van 2024 een nieuw kabinet gevormd moet zijn. Vervolgens is het de vraag of dit nieuwe kabinet het conceptwetsvoorstel in zijn geheel overneemt, aanpast of juist afwijst. Verder moet op 31 december 2025 de wetgeving in de Staatscourant zijn gepubliceerd. Het jaar 2026 hebben de ketenpartners immers nodig om de programmatuur te bouwen en de nieuwe gegevensleveringen te testen met de Belastingdienst. Een en ander betekent dat het voorstel uiterlijk in de zomer van 2024 bij de Tweede Kamer moet zijn ingediend.

Als 2027 niet haalbaar is, dan is de huidige overbruggingswetgeving in principe nog een jaar langer van kracht. Ondertussen kan de Hoge Raad echter de huidige overbruggingswetgeving op onderdelen onrechtmatig verklaren en de wetgever opdragen de nodige aanpassingen te maken. Zo kan de Hoge Raad oordelen dat als een forfaitair rendement op beleggingen van 6,17 procent (cijfer 2023; 6,04 procent in 2024) veel hoger is dan het werkelijk rendement, de belastingplichtige belast moet (kunnen) worden voor het lagere werkelijk rendement. De wetgever moet dan met een oplossing komen, bijvoorbeeld door een tegenbewijsregeling in te voeren. Dit zal het huidige box 3-stelsel een stuk complexer maken.

Contact us

Philip Vossenberg

Philip Vossenberg

Tax partner en Family Business Leader, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)62 295 34 75

Marloes Griffioen

Marloes Griffioen

Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)62 003 49 88

Jan Nieuwenhuizen

Jan Nieuwenhuizen

Senior Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)63 009 60 77

Mitra Tydeman

Mitra Tydeman

Senior Tax Manager Knowledge Centre, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)63 024 66 06

Pjotr Anthoni

Pjotr Anthoni

Senior Tax Manager Knowledge Centre, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 091 73 45

Volg ons