Skip to content Skip to footer
Search

Loading Results

HvJ EU: Meerdere btw-pro rata's per belastingplichtige mogelijk

28/01/19

Op 24 januari 2019 heeft het Europese Hof van Justitie (verder: HvJ EU) in de zaak Morgan Stanley geoordeeld over de aftrek van voorbelasting bij het Franse filiaal van die bank, met betrekking tot kosten die (deels) door het hoofdhuis in het Verenigd Koninkrijk worden gebruikt.

Naar het oordeel van het HvJ EU moet een belastingplichtige voor de berekening van het (pro rata) aftrekrecht voor kosten die ook over de grens worden gebruikt, rekening houden met de omzet in de andere lidstaat. Het HvJ EU maakt daarbij onderscheid tussen (i) kosten die uitsluitend worden gebruikt voor handelingen in de andere lidstaat en (ii) kosten die gedeeltelijk worden gebruikt voor eigen handelingen en gedeeltelijk voor handelingen in de andere lidstaat.

Wat betekent dit voor u?

De uitkomst van deze zaak is relevant voor belastingplichtigen die in verschillende landen gevestigd zijn door middel van een of meerdere vaste inrichtingen. Het HvJ EU zet met dit arrest de deur open om tot verschillende pro rata’s te komen op basis van het gebruik van de kosten. Het berekenen van het (pro rata) aftrekrecht kan daarmee aanzienlijk complexer worden.  

In Nederland wordt in de praktijk tot op heden veelal één pro rata berekend voor de aftrek van btw op algemene kosten. Op basis van dit arrest zouden belastingplichtigen bij het bepalen van de aftrek nauwkeuriger moeten aansluiten bij eventuele  gebruik van de kosten door buitenlandse filialen.

Bovendien zal bij grensoverschrijdend gebruik een dubbele toets plaatsvinden. De btw-aftrek wordt begrensd door de regelgeving van zowel de lidstaat waarin de kosten opkomen, als van de lidstaat van de vestiging die de kosten (mede) gebruikt. Gelet op het verschil in aftrekbeperkingen tussen lidstaten, kan dit tot complexe berekeningen leiden.

Facturen voor kosten die uitsluitend door één vestiging worden gebruikt zullen in de praktijk overigens veelal bij die vestiging terechtkomen. De btw-uitvoeringsverordening geeft namelijk aan dat op basis van de aard en het gebruik van de diensten vastgesteld moet worden welke vestiging de afnemer is.

Het HvJ EU besteedt geen aandacht aan de mogelijkheid dat één van de betrokken filialen in een lidstaat deel uitmaakt van een fiscale eenheid btw aldaar.  Op basis van het arrest Skandia kunnen doorbelastingen tussen die fiscale eenheid en een (of meerdere ) vestiging(en) in een andere lidstaat als belastbare handelingen voor de btw worden aangemerkt. Wanneer lidstaten dit arrest verschillend interpreteren, kunnen mismatches in de heffing van btw ontstaan en komt de vraag op hoe de btw-aftrek bepaald moet worden.

De uitkomst van dit arrest is verrassend en afwijkend van de huidige Nederlandse praktijk. Wij raden aan de mogelijke impact van dit arrest in kaart te brengen. Dit geldt eveneens voor mogelijke impact op de aftrek van voorbelasting in lokale situaties. Ook daar kan dit arrest impact hebben en mogelijk leiden tot meerdere pro rata’s per belastingplichtige.

Achtergrond

Het Parijse filiaal van het Britse Morgan Stanley & Co International PLC, een financiële instelling, verricht enerzijds belastbare bank- en financiële diensten voor Franse klanten en anderzijds interne activiteiten voor haar Britse hoofdkantoor. Omdat het Parijse filiaal gebruikmaakt van de nationale mogelijkheid om haar financiële handelingen te belasten met btw, heeft zij de btw op de kosten volledig in aftrek gebracht. Dit betrof ook kosten gebruikt voor de interne activiteiten.

Vragen aan het HvJ EU

De Franse belastingdienst is van mening dat het Parijse filiaal in beginsel geen recht op aftrek van voorbelasting toekomt voor de aankopen die exclusief gebruikt worden voor de interne prestaties ten behoeve van het Britse hoofdkantoor omdat deze prestaties ‘out of scope’ zijn voor de btw. Als verzachtende maatregel staat de Franse belastingdienst wel aftrek van een deel van de btw toe, door toepassing van het pro rata van het Britse hoofdkantoor.

Voor de ‘gemengde’ kosten gerelateerd aan de beide activiteiten is de Franse belastingdienst van oordeel dat slechts recht op aftrek bestaat op basis van het pro rata van het Britse hoofdkantoor, gecorrigeerd met de omzet van de vaste inrichting.

De Franse Hoogste rechter twijfelt over de uitleg van de Europese btw-regels en heeft daarom het Europese Hof om raad gevraagd over het bepalen van het aftrekrecht wanneer de kosten (i) uitsluitend of (ii) gedeeltelijk gebruikt worden door het hoofdhuis in het Verenigd Koninkrijk.

Oordeel HvJ EU

Het HvJ EU oordeelt dat het recht op aftrek van het filiaal in Frankrijk niet enkel bepaald kan worden op basis van de omzet van de handelingen van dit filiaal. Het HvJ EU komt tot dit oordeel omdat het Britse hoofdhuis en de Franse vaste inrichting voor de btw één belastingplichtige vormen. Omdat sprake is van één belastingplichtige moet ook de omzet van de handelingen van het hoofdhuis meegenomen worden indien dit hoofdhuis (mede) gebruik maakt van de kosten.

(i) Aftrekrecht bij gebruik uitsluitend door hoofdhuis

Voor de btw op kosten van het filiaal die uitsluitend worden gebruikt voor handelingen van het hoofdhuis in het Verenigd Koninkrijk, moet de aftrek worden bepaald op basis van deze handelingen van het hoofdhuis. Het aftrekrecht wordt dan vastgesteld op basis van de omzet van de handelingen van het hoofdhuis in het Verenigd Koninkrijk.

Om het aftrekrecht te bepalen wordt gebruik gemaakt van een breuk met in de teller de belaste (aftrekgerechtigde) omzet en in de noemer het totaal van de omzet van deze handelingen. De overige omzet wordt van deze berekening uitgesloten. Hieruit kan worden afgeleid dat het mogelijk is om tot verschillende aftrekpercentages te komen. Bovendien kan slechts de aftrekgerechtigde omzet in aanmerking worden genomen die zowel in de UK als in Frankrijk recht op aftrek geeft.

(ii) Aftrekrecht bij gebruik door zowel filiaal als hoofdhuis

Voor de btw op kosten van het filiaal die zowel worden gebruikt voor haar eigen handelingen als voor handelingen in de lidstaat van het hoofdhuis, moet eveneens een aftrekrecht worden berekend. Deze berekening vindt plaats op basis van de omzet van zowel het filiaal als het hoofdhuis. Onduidelijk is vooralsnog of hierbij rekening moet worden gehouden met alle omzet van beide vestigingen of dat hierbij bepaalde omzet wordt uitgesloten, in lijn met het antwoord op de eerst gestelde vraag (Aftrekrecht bij gebruik uitsluitend door hoofdhuis).

Dubbele toets bij bepalen belaste omzet

Het HvJ maakt bij beide rekenmethodes een kanttekening voor het bepalen van de belaste (aftrekgerechtigde) omzet. De omzet mag volgens het HvJ EU enkel in de teller van de breuk worden opgenomen indien de omzet zowel in de lidstaat waarin de kosten opkomen, als in de lidstaat van de vestiging die de kosten (mede) gebruikt, leidt tot aftrek. Dit betekent dat aftrekbeperkingen van beide lidstaten relevant zijn.

Verhouding ten opzichte van arrest Le Crédit Lyonnais

Met dit oordeel verduidelijkt het Europese Hof de overwegingen in het arrest Le Crédit Lyonnais (C-388/11). In die zaak oordeelde het HvJ dat een Frans hoofdhuis niet de omzet van haar buitenlandse vaste inrichtingen mocht meenemen bij de berekening van het pro rata. Uit het arrest in de zaak Morgan Stanley blijkt dat het HvJ EU voor de berekening van het pro rata geen territoriale grens heeft beoogd, maar dat de omvang van de aftrek veeleer afhankelijk is van het gebruik van de kosten.

 

Meerdere (deel)pro rata’s

Door dit arrest komt de vraag op hoe het toepassen van verschillende aftrekpercentages op basis van gebruik van specifieke kosten past binnen de huidige Nederlandse regels voor berekening van het pro rata aftrekrecht (in artikel 15 lid 6 Wet OB jo. artikel 11 lid 1 onderdeel c Uitv. Besch. OB) en het beleid van de Belastingdienst. Omdat de Nederlandse systematiek in beginsel geen mogelijkheid geeft tot verschillende, naast elkaar bestaande, pro rata percentages, is het afwachten of hier verdere actie op wordt ondernomen.

Status Nederlandse Besluit

Op grond van het Besluit van 23 november 2003 staat de staatssecretaris van Financiën belastingplichtigen toe rekening te houden met het aftrekrecht van een buitenlandse vestiging, wanneer de kosten (mede) worden gebruikt voor de prestaties van die andere vestiging. Na het arrest Le Crédit Lyonnais ontstond in de praktijk twijfel of dit Besluit nog wel houdbaar was. Het oordeel in deze procedure lijkt deze twijfel weg te nemen.

Contact

Joost Vermeer

Joost Vermeer

Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 219 58 86

Edwin van Kasteren

Edwin van Kasteren

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 093 42 58

Volg ons