Prinsjesdag 2025: ontwikkelingen in de winstbelasting

Prinsjesdag 2025: ontwikkelingen in de winstbelasting
  • 29 okt 2025

Op dinsdag 16 september 2025, Prinsjesdag 2025, presenteerde het demissionaire kabinet het Belastingplan 2026. Welke veranderingen in de winstbelasting kunt u vanaf komend jaar verwachten?

Beleidsarme Prinsjesdag

Op dinsdag 16 september 2025 presenteerde het demissionaire kabinet het pakket Belastingplan 2026. In de Voorjaarsnota en de fiscale beleids- en uitvoeringsagenda 2025 waren al fiscale voornemens en maatregelen voor de komende jaren bekendgemaakt. Op 17 oktober 2025 verschenen de nota’s naar aanleiding van het verslag. De maatregelen treden in werking per 1 januari 2026 (tenzij anders aangegeven).

Ondanks de demissionaire status van het kabinet heeft het kabinet de nodige maatregelen voorgesteld. Voor zover het de winstbelasting betreft, bestaan de maatregelen veelal uit technisch onderhoud en herstelwerk of uitvoering van EU-regelgeving. Grote nationale wijzigingen blijven dit jaar uit. Mogelijk zorgen de politiek-inhoudelijke discussies over het Belastingplan 2026 nog voor verrassingen. Het zwaartepunt van die discussies komt waarschijnlijk te liggen in de periode na de Tweede Kamerverkiezingen van woensdag 29 oktober 2025.

In dit artikel behandelen we de meest in het oog springende maatregelen in de winstbelasting uit de Belastingplanstukken 2026. Volledigheidshalve nemen we daarbij ook de wetswijzigingen per 1 januari 2026 mee uit de Fiscale Verzamelwet 2026 die op 28 april 2025 werd ingediend. Voor enige verdere achtergronden verwijzen we naar onze Prinsjesdagbijdrage van vorig jaar en de berichtgeving over Prinsjesdag 2025 op de PwC-website, die steeds wordt bijgewerkt. Daar vindt u ook een bijdrage over de impact van het Belastingplan 2026 op de tax accounting. Bij de specifieke onderdelen vindt u verwijzingen naar meer gedetailleerde overzichten en analyses.

Belastingplanstukken 2026: maatregelen winstbelasting

Reparatie arrest Hoge Raad liquidatieverliesregeling  

Op 21 maart 2025 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een zaak over de toepassing van de liquidatieverliesregeling in de vennootschapsbelasting. Een belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting wilde een liquidatieverlies in aftrek brengen voor twee geliquideerde Ierse dochtervennootschappen. De vraag was of het gebruik van de Ierse group-reliefregeling hieraan in de weg stond. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet het geval is. Deze uitspraak kan, onder omstandigheden, leiden tot het dubbel in aanmerking nemen van een verlies (in het buitenland als een ondernemingsverlies en in Nederland als een liquidatieverlies). Voor meer informatie over deze zaak verwijzen we naar het PwC Belastingnieuwsbericht ‘Group relief staat liquidatieverlies niet in de weg’.

De liquidatieverliesregeling in de vennootschapsbelasting staat belastingplichtigen toe een verlies in aftrek te brengen als een deelneming wordt geliquideerd (opgeheven). Het aftrekbare verlies is kortgezegd gelijk aan het saldo van het voor de deelneming opgeofferde bedrag minus eventuele liquidatie-uitkeringen. Een belangrijke voorwaarde voor aftrek van een liquidatieverlies is dat er geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven. Dit is de zogeheten geen-tegemoetkomingseis. De Hoge Raad oordeelde dat de Ierse group-reliefregeling niet een dergelijke tegemoetkoming vormt. Deze Ierse regeling staat toe fiscale verliezen van een groepsvennootschap in Ierland te verrekenen met winsten van een andere groepsvennootschap in Ierland.

De Miljoenennota 2026 kondigt in navolging van de Kamerbrief van de staatssecretaris van 20 juni 2025 compenserende maatregelen aan voor de budgettaire derving als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 over de toepassing van de liquidatieverliesregeling. De Miljoenennota raamt de incidentele derving in 2025 voor de jaren tot en met 2025 op 840 miljoen euro en de structurele derving op jaarlijks 65 miljoen euro.

De compensatie voor de budgettaire derving wordt gezocht in aanpassing van de fiscale behandeling van de winst op afdekkingsinstrumenten op valutarisico’s. De kosten van het afdekkingsinstrument zijn nu volledig aftrekbaar. Het valutaresultaat op het afdekkingsinstrument is, onder toepassing van het regime van de deelnemingsvrijstelling (op verzoek), vrijgesteld van vennootschapsbelastingheffing. In de beslisnota’s van 15 augustus 2026 bij de Miljoenennota staat dat deze uitkomst ingaat tegen het principe aftrek alleen mogelijk te maken als daar een heffing tegenover staat. Het voorstel is om de gesignaleerde onevenwichtigheid tegen te gaan door de deelnemingsvrijstelling te beperken tot uitsluitend niet-ingeprijsde – dat wil zeggen onverwachte – valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten ter beperking van het valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen. De maatregel zal ter consultatie worden aangeboden. De beoogde inwerkingtredingsdatum van de maatregel is 1 januari 2027.

Tijdelijk overgangsrecht fonds voor gemene rekening

Per 1 januari 2025 zijn de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen (Wet FKR) en de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling (Wet AFV) in werking getreden. 

De Wet FKR wijzigde de fiscale classificatie van rechtsvormen voor de vennootschapsbelasting als transparant of niet-transparant om classificatieverschillen met het buitenland (hybride entiteiten) te verminderen. Sindsdien zijn personenvennootschappen fiscaal transparant, tenzij het gaat om een omgekeerde hybride entiteit die zelfstandig vennootschapsbelastingplichtig is of een fonds voor gemene rekening. De Wet AFV wijzigde de definitie en voorwaarden waaronder een fonds classificeert als niet-transparant fonds voor gemene rekening (fgr). 

Niet-transparante rechtsvormen zoals omgekeerde hybride entiteiten en fgr’s zijn zelfstandig belastingplichtige lichamen voor de vennootschapsbelasting. Bij fiscale transparantie is niet de rechtsvorm belastingplichtig maar worden de ingelegde vermogensbestanddelen toegerekend aan de investerende participanten, die via de inkomsten- of vennootschapsbelasting belasting betalen over hun rendement. Voor enige achtergronden bij de FKR- en AFW-wetgeving verwijzen we naar onze Prinsjesdagbijdrage van twee jaar geleden.

Op dit moment loopt een onderzoek naar het mogelijke probleem dat sommige personenvennootschappen per 2025 onbedoeld als fgr classificeren en daardoor vanaf dat moment voor de vennootschapsbelasting een zelfstandig belastingplichtig lichaam zijn geworden. Dit zou voor sommige fondsen een nieuw classificatieverschil met het buitenland in het leven kunnen roepen. Het onderzoek leidt mogelijk tot nóg een aanpassing van de fgr-definitie. Dit kan betekenen dat personenvennootschappen die sinds 1 januari 2025 als belastingplichtige fgr worden aangemerkt vanaf 2027 (of 2028) niet langer als niet-transparant lichaam classificeren en vanaf dat moment weer als fiscaal transparante rechtsvorm worden aangemerkt.

Om kortstondige vennootschapsbelastingplicht van deze personenvennootschappen voor de jaren 2025 en 2026 (en mogelijk 2027) te voorkomen, is op Prinsjesdag 2025 een overgangsmaatregel voorgesteld. Kortgezegd wordt geregeld dat lichamen die tot en met 2024 voor de vennootschapsbelasting als fiscaal transparant zijn aangemerkt, kunnen kiezen met ingang van 1 januari 2025 op tijdelijke basis niet als fgr te worden aangemerkt. Alle participanten in het betreffende lichaam moeten uiterlijk op 28 februari 2026 instemmen met de keuze van het lichaam voor het voorgestelde overgangsrecht. De overgangsmaatregel vervalt op 1 januari 2028. Als de mogelijke wijziging van de fgr-definitie al op 1 januari 2027 in werking treedt, komt ook de overgangsmaatregel op dat moment te vervallen. Het tijdelijk overgangsrecht is ook van toepassing op een met een fgr vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm.

Aanpassing minimumkapitaalregel

De minimumkapitaalregel in de vennootschapsbelasting wordt aangescherpt. De minimumkapitaalregel is een specifieke renteaftrekbeperking voor banken en verzekeraars. Deze regel kent sinds 1 januari 2024 een uitzondering voor intern liquiditeitsbeheer. De aftrekbeperkende maatregel geldt onder voorwaarden niet voor rentelasten op schulden aan groepslichamen. Deze uitzondering blijkt onbedoeld ruim te zijn vormgegeven en wordt nu ingeperkt. Geldleningen die direct verband houden met geldleningen die zijn verkregen van natuurlijke personen (waar banken veelal deposito’s ophalen) met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2026 komen buiten de uitzondering van intern liquiditeitsbeheer te vallen. De rente op deze leningen valt voortaan onder de aftrekbeperkende maatregel.

Samentelbepaling maximale investeringsbedrag energie-investeringsaftrek

Er komt een samentelbepaling in de energie-investeringsaftrek (EIA), de fiscale stimuleringsregeling in de winstbelasting voor bedrijven om te investeren in energiebesparende technieken en duurzame energie. Per belastingplichtige wordt als totaalbedrag aan kwalificerende energie-investeringen jaarlijks maximaal 151 miljoen euro (bedrag 2025) in aanmerking genomen. Dit  zogeheten samentelplafond wordt gevormd door zowel energie-investeringen in de eigen onderneming als energie-investeringen in een onderneming die deel uitmaakt van een samenwerkingsverband. Nu worden de onderneming en het samenwerkingsverband nog afzonderlijk beoordeeld.

Fiscale verzamelwet 2026

Samenloop werkkostenregeling en aftrekbeperking voor gemengde kosten

De aftrekbeperking in de vennootschapsbelasting voor gemengde kosten wordt aangepast. Aan de vennootschapsbelasting onderworpen werkgevers hebben te maken met deze aftrekbeperking voor kosten en lasten die verband houden met voedsel, drank, genotmiddelen, representatie (inclusief recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak), congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke (de aftrekbeperking geldt niet, kortgezegd, wanneer deze posten deel uitmaken van de omzet, zoals bij een restaurant). Deze kosten worden op dit moment in aftrek toegestaan voor zover deze het bedrag overschrijden van de hoogste van: (i) 5.700 euro, of (ii) 0,4% van het gezamenlijke bedrag van het door de desbetreffende werknemers in het jaar genoten belastbare loon voor de loonbelasting. In de praktijk wordt deze grondslag als administratief complex en onbedoeld ruim ervaren.

De aanpassing ligt erin dat voor het bepalen van de grondslag van de aftrekbeperking voortaan zal worden aangesloten bij het loon waarover ten laste van de betreffende werknemers daadwerkelijk loonbelasting wordt geheven. Loonbestanddelen die voor de loonbelasting zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel worden niet langer in de grondslagberekening betrokken. Zo wordt voor de aftrekbeperking in de vennootschapsbelasting aangesloten bij het loonbegrip dat ook wordt gehanteerd als grondslag voor de berekening van de zogeheten vrije ruimte onder de werkkostenregeling. Het loon waarover de loonheffing wordt berekend is een duidelijke post in de verzamelloonstaat (kolom 14), het overzicht van de totale loonkosten voor het hele jaar per medewerker, die in iedere loonadministratie te vinden is. De wijziging moet de administratieve eenvoud en praktische uitvoerbaarheid van de aftrekbeperking verbeteren. Een bijkomend voordeel van de grondslagversmalling is een versoepeling van de aftrekbeperking. Ook dit is beoogd.

Aanpassing bezwaarmogelijkheid niet verrekende belasting

De bezwaarmogelijkheid voor niet verrekende belasting wordt aangepast. Een belastingplichtige kan bepaalde bedragen verrekenen met de verschuldigde vennootschapsbelasting. Denk daarbij aan de veronderstelde of daadwerkelijke bedragen aan belasting onder de deelnemingsverrekening, de belastingverrekening bij buitenlandse ondernemingswinsten en de verrekening bij voordelen uit hoofde van een gecontroleerd lichaam. 

Wanneer de verschuldigde vennootschapsbelasting in een jaar niet toereikend is om deze bedragen te verrekenen, dan kunnen deze bedragen worden overgeheveld naar het volgende jaar. Overgehevelde bedragen die het volgende jaar niet kunnen worden verrekend, worden weer overgeheveld naar het daaropvolgende jaar. De naar het volgende jaar over te hevelen bedragen worden bij een voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Omdat daar ook de uit eerdere jaren overgehevelde bedragen deel van uitmaken, kan een belastingplichtige ook over die eerdere bedragen (opnieuw) bezwaar maken.

Als gevolg van de aanpassing kunnen belastingplichtigen niet langer in elk toekomstig jaar (opnieuw) bezwaar maken tegen een voor een eerder jaar al bij beschikking vastgesteld onverrekend gebleven over te hevelen bedrag. Belastingplichtigen kunnen voortaan eenmaal in bezwaar (en beroep) komen, en wel in het jaar dat de inspecteur de beschikking voor het eerst heeft vastgesteld. De maatregel heeft als doel de coherentie en uitvoerbaarheid van het wettelijke systeem van verrekeningsbepalingen te vergroten. Bovendien wordt zo voorkomen dat eerder afgewikkelde discussies op een later moment weer zouden kunnen worden opgerakeld.

Minimumbelasting 2024 (Pillar Two)

Tweede wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024

Sinds 31 december 2023 geldt in Nederland een minimum effectief winstbelastingtarief van 15% per jurisdictie voor grote internationale ondernemingen (jaaromzet meer dan 750 miljoen euro). Nederland voert hiermee de internationale afspraken uit die in 2021 zijn gemaakt binnen het Inclusive Framework on Base Erosion and Profit Shifting (IF) over de invoering van een wereldwijd 15%-minimumniveau van winstbelastingheffing (Pillar Two).

Er worden enige technische wijzigingen doorgevoerd in de minimumbelasting. Daarnaast worden aanvullende regels uit de administratieve richtsnoeren van het IF in wetgeving vastgelegd. Dit, voor zover deze niet al eerder in het Pillar Two-implementatiewetgevingsproces zijn meegenomen. Omdat de maatregelen technisch gedetailleerd en complex zijn, beperken we ons hier tot een overzicht van de onderwerpen:

  • doorkijkentiteiten en hybride entiteiten (begripsomschrijving, winsttoerekening);
  • joint venture en met joint venture verbonden partijen als groepsentiteit;
  • ander verslagjaar van niet-meegeconsolideerde groepsentiteit;
  • andere boekwaarde dan op grond van de financiële verslaggeving; 
  • actieve belastinglatenties ontstaan vóór het overgangsjaar als gevolg van een regeling met een overheidsinstantie of de invoering van een winstbelasting; 
  • de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport.

De maatregelen werken grotendeels terug tot en met 31 december 2023 en zijn van toepassing voor verslagjaren die aanvangen op of na 31 december 2023. Dit, voor zover het kabinet dit niet bezwaarlijk acht voor belastingplichtigen. Voor het overige treden de maatregelen in werking met ingang van 31 december 2025.

Voor uitwerkingen van de maatregelen verwijzen we naar het artikel ‘Pillar Two Belastingplan 2026’ en het artikel ‘Tax Accounting impact Belastingplan 2026’  op de PwC-website. Voor een algemene introductie van de minimumbelasting in Nederland verwijzen we naar het artikel ‘De Wet minimumbelasting 2024 (Pillar Two) ’ en een recent overzicht van de meer beleidsmatige internationale ontwikkelingen.

Implementatie EU-richtlijn DAC9

De EU-richtlijn DAC9, de achtste wijzigingsrichtlijn van de Administratieve Samenwerkingsrichtlijn (Directive on Administrative Cooperation, DAC), wordt geïmplementeerd. De Wet op de internationale bijstandsverlening (WIB) bij de heffing van belastingen wordt aangepast. DAC9 faciliteert de gegevensuitwisseling over Pillar Two-gerelateerde informatie tussen belastingautoriteiten binnen de EU. Onderdeel hiervan is een vereenvoudigde procedure voor het indienen van een zogeheten Top-up Tax Information Return (TTIR), ook wel bijheffing-informatieaangifte (BIA), op centraal niveau voor de hele multinationale groep. Deze aangifte wordt opgesteld aan de hand van een standaardsjabloon, het zogeheten GloBE Information Return (GIR)-format, dat binnen het IF is ontwikkeld op basis van de eerdergenoemde internationale afspraken uit 2021 over Pillar Two.

Op internationaal niveau wordt de gegevensuitwisseling over Pillar Two-gerelateerde informatie tussen belastingautoriteiten geregeld via de zogenoemde Multilateral Competent Authority Agreement (MCAA). Deze MCAA vormt de internationale pendant van DAC9, maar dan op basis van het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (Wabb-verdrag; Convention on mutual administrative assistance in tax matters). De MCAA is in de zomer van 2025 voor ondertekening opengesteld. Nederland heeft zich ook bij de MCAA aangesloten. Voor verdere uitwerkingen van de maatregelen verwijzen we naar de bijdrage over de implementatie door Nederland van DAC9 op de PwC-website. Daar vindt u ook een artikel over de EU-richtlijn.

Conclusie

De winstbelasting blijft in beweging. Hoewel het belastingplanpakket beleidsarm is, bevat het ook dit jaar weer een stevig pakket technische maatregelen. Wellicht geven de uitkomsten van de Tweede Kamerverkiezingen aanleiding tot verdere ontwikkelingen. In onze Prinsjesdagbijdragen van de afgelopen twee jaar schreven we over de aandeleninkoopfaciliteit voor beursfondsen in de dividendbelasting. In 2023 werd voorgesteld deze faciliteit af te schaffen. In 2024 werd besloten deze maatregel uit concurrentie- en investeringsklimaatoverwegingen tóch te behouden. Vermeldenswaard is dat SOMO onlangs, op 15 oktober 2025, een rapport presenteerde waarin de opbrengsten van afschaffing van de faciliteit worden geraamd op tenminste 2,2 miljard euro, ruim twee keer zoveel als het Centraal Planbureau (CPB) eerder berekende. Het verdient aanbeveling de ontwikkelingen te blijven volgen. Kijk ook eens op PwC Belastingnieuws. Daar vindt u actuele artikelen en publicaties op belastinggebied.

Altijd op de hoogte

Meld je aan voor onze periodieke update, PwC Accountancy Insights

Contact us

Maarten de Wilde

Maarten de Wilde

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)63 419 67 89

Merel Mookhoek

Merel Mookhoek

Senior Manager Tax, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 163 90 79

Volg ons