HvJ EU: wettelijke verplichting geen grond voor btw-aftrek

20/03/26

Op 19 maart 2026 heeft het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) arrest gewezen in de zaak C-513/24 (Oblastní nemocnice Kolín). De zaak betreft de vraag of een Tsjechisch ziekenhuis recht heeft op pro-rata btw-aftrek op de aankoop van uitrusting die wettelijk verplicht is voor het verkrijgen van een vergunning voor medische diensten. Het HvJ EU oordeelt dat een dergelijke wettelijke verplichting op zichzelf niet voldoende is om dergelijke kosten als algemene kosten aan te merken en een gedeeltelijk recht op aftrek toe te passen. Per goed of dienst dient te worden beoordeeld of sprake is van gemengd gebruik. Het HvJ EU benadrukt dat zowel het beoogde als het daadwerkelijke gebruik relevant is voor die beoordeling.

Wat betekent dit voor jouw organisatie?

Dit arrest is relevant voor organisaties die zowel btw-belaste als btw-vrijgestelde prestaties verrichten en moeten vaststellen welke kosten als directe kosten en als algemene kosten kwalificeren voor de toepassing van het (pro-rata) btw-aftrekrecht. Hoewel de zaak gaat over de verplichte technische uitrusting van een ziekenhuis, is de kernvraag van bredere betekenis: wanneer zijn kosten van een btw-ondernemer zodanig verbonden aan de algehele economische activiteit dat de btw pro-rata in aftrek mag worden gebracht? Het onderscheid tussen directe en algemene kosten is zowel in de praktijk als in de rechtspraak een complex en veelvoorkomend thema.

Het HvJ EU stelt dat een wettelijke verplichting om bepaalde uitrusting te bezitten niet automatisch leidt tot pro-rata aftrek van de btw op dergelijke uitgaven. Bepalend is de objectieve relatie tussen de kosten en de activiteiten (belast/vrijgesteld) waarvoor ze daadwerkelijk worden gebruikt. Het HvJ EU benadrukt dat een wettelijke verplichting kan worden meegewogen, maar op zichzelf niet voldoende is voor recht op aftrek. Elke situatie dient individueel te worden beoordeeld, waarbij zowel het beoogde als het daadwerkelijke gebruik van de goederen van belang is. Dit arrest bevestigt de bestaande lijn in de jurisprudentie, maar laat gelijktijdig veel vragen onbeantwoord over de kwalificatie van algemene kosten in de praktijk. Ons btw-team adviseert en ondersteunt organisaties bij dit proces. Neem gerust contact met ons op voor vragen of meer informatie.

Achtergrond

Het gaat in deze casus om een Tsjechisch ziekenhuis dat hoofdzakelijk btw-vrijgestelde medische diensten verricht waarvoor geen recht op aftrek bestaat. Daarnaast verricht het ziekenhuis aanvullende diensten die wél aan btw zijn onderworpen, waaronder klinische studies, medische stages, sterilisatiediensten en prenatale cursussen.

Op grond van Tsjechisch recht moet het ziekenhuis beschikken over een minimale technische en materiële uitrusting om een vergunning te verkrijgen voor het verrichten van medische diensten. Het ziekenhuis stelde zich op het standpunt dat de kosten van deze wettelijk verplichte uitrusting als algemene kosten moeten worden aangemerkt en dat de btw daarop pro-rata aftrekbaar is. De Tsjechische belastingdienst weigerde een groot deel van de aftrek omdat de uitrusting naar het oordeel van de belastingdienst hoofdzakelijk bestemd was voor het verrichten van btw-vrijgestelde medische diensten, waarvoor geen recht op aftrek bestaat.

De Tsjechische rechter stelt aan het HvJ EU de vraag of goederen en diensten die wettelijk verplicht zijn voor het verlenen van medische diensten, als algemene kosten kunnen worden aangemerkt en de btw pro-rata aftrekbaar is.

Oordeel van het HvJ EU

Het HvJ EU herhaalt het vaste toetsingskader voor btw-aftrek: er moet een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaan tussen een handeling in een eerder stadium (de aanschaf van goederen en diensten) en een of meer handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat, dan wel met de algehele economische activiteit van de belastingplichtige. Het vereiste "rechtstreeks en onmiddellijk verband" moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve inhoud van de betrokken handelingen. Het beoogde én daadwerkelijke gebruik van de verworven materialen en apparatuur kan daarbij bepalend zijn.

Het HvJ EU oordeelt, in lijn met de eerdere conclusie van Advocaat-Generaal Rantos, dat het bestaan van een wettelijke aankoopverplichting slechts één factor is en niet beslissend is voor het recht op pro-rata btw-aftrek. Het vereiste "rechtstreeks en onmiddellijk verband" moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve inhoud van de betrokken handelingen en niet enkel op basis van juridische verplichtingen.

 

Belanghebbende voerde aan dat zonder de wettelijk vereiste uitrusting geen activiteit mogelijk is en deze aankopen dus verband houden met alle activiteiten.  Het HvJ EU oordeelt dat dit argument als zodanig niet volstaat om een rechtstreeks en onmiddellijk verband met de algehele economische activiteit vast te stellen. Per specifiek goed of dienst moet worden beoordeeld of daadwerkelijk sprake is van gebruik voor zowel belaste als vrijgestelde handelingen. Dit sluit niet uit dat dergelijke uitrustingskosten alsnog als algemene kosten kwalificeren wanneer geen rechtstreeks verband met specifieke handelingen bestaat. Het HvJ EU noemt als voorbeeld uitrusting die om redenen van veiligheid of comfort in bepaalde ruimten aanwezig moet zijn. Dit moet per onderdeel worden beoordeeld en vereist in de praktijk een zorgvuldige onderbouwing.

Contact us

Jochem Kijftenbelt

Jochem Kijftenbelt

Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)64 801 92 27

Joël de Vries

Joël de Vries

Senior Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)68 136 62 37

Volg ons