Btw-aftrek bij verschillende btw-behandeling tussen lidstaten

01/03/26

Mag een EU-lidstaat het recht op aftrek van voorbelasting toerekenbaar aan in de eigen lidstaat btw-belastbare diensten weigeren als die dienst in de lidstaat van de afnemer btw-vrijgesteld is? Die vraag ligt nu bij het Gerecht van de EU in de zaak T-96/26 - TellusTax Advisory. De Zweedse Högsta förvaltningsdomstolen (hoogste bestuursrechter) heeft op 26 januari 2026 besloten een prejudiciële vraag te stellen of een lidstaat het recht op aftrek van voorbelasting mag weigeren wanneer de dienst in de lidstaat van vestiging wél belastbaar is, maar in de lidstaat van de afnemer is vrijgesteld als gevolg van een afwijkende implementatie van de btw-vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen (art. 135(1)(g) Btw-richtlijn). De zaak draait om het Zweedse bedrijf TellusTax Advisory AB, dat juridische en administratieve diensten verleent aan een in Luxemburg gevestigde FVC die securitisatietransacties verricht en aldaar als een gemeenschappelijk beleggingsfonds wordt aangemerkt.

Wat betekent dit voor jouw organisatie?

Deze zaak is van groot belang voor ondernemingen die grensoverschrijdende diensten verlenen binnen de EU, met name wanneer deze diensten in de lidstaat van de afnemer btw-vrijgesteld zijn op grond van een nationale implementatie van de Btw-richtlijn. Het antwoord van het Gerecht van de EU (HvJ EU) zal verduidelijken of het recht op aftrek van voorbelasting in de lidstaat van vestiging afhankelijk mag worden gesteld van de btw-behandeling in de lidstaat van de afnemer.

Deze vraag raakt in het bijzonder de financiële sector, waar lidstaten onder andere de btw-vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen (art. 135(1)(g) Btw-richtlijn) op verschillende manieren hebben ingevuld. Het is raadzaam om de voortgang van deze zaak te volgen en te beoordelen of jouw organisatie vergelijkbare diensten verricht waarbij btw-aftrek in het geding kan zijn.

Achtergrond

TellusTax Advisory AB verleent diensten op het gebied van transactiestructurering aan een klant die kwalificeert als een Financial Vehicle Corporation - FVC met zetel in Luxemburg. FVC's zijn entiteiten die securitisatietransacties verrichten. De diensten zijn in Zweden btw-belastbaar, maar worden daar niet daadwerkelijk belast omdat de plaats van dienst in de lidstaat van de afnemer ligt. In Luxemburg hoeft de afnemer echter geen verlegde Luxemburgse btw af te dragen, aangezien de diensten volgens Luxemburgse nationale regelgeving btw-vrijgesteld zijn als beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. De kern van het geschil is of TellusTax in Zweden recht heeft op aftrek van voorbelasting die verband houdt met de kosten voor het verlenen van deze diensten. 

Standpunten van partijen

Skatteverket (Zweedse Belastingdienst) heeft hoger beroep ingesteld en stelt dat het btw-stelsel vereist dat aftrek van voorbelasting toerekenbaar aan intra EU transacties mede wordt bepaald aan de hand van heffing van btw over die transacties in het land van de afnemer. Als TellusTax wél aftrek zou krijgen in Zweden voor diensten die in Luxemburg zijn vrijgesteld, terwijl Luxemburgse ondernemingen die dezelfde diensten verlenen géén aftrekrecht hebben, zou dat een concurrentievoordeel opleveren dat in strijd is met het gelijkheids- en neutraliteitsbeginsel. 

TellusTax Advisory AB stelt dat er geen grondslag is in de Btw-richtlijn om het aftrekrecht op deze manier te beperken. Het concurrentievoordeel dat zou kunnen ontstaan in Luxemburg vloeit voort uit de verschillen tussen de Zweedse en Luxemburgse btw-wetgeving, en dat mag het aftrekrecht in Zweden niet beïnvloeden. Bovendien zou het weigeren van aftrek juist een concurrentienadeel opleveren in Zweden ten opzichte van andere Zweedse bedrijven die vergelijkbare diensten uitsluitend binnenlands verlenen. 

De prejudiciële vraag

De Högsta förvaltningsdomstolen concludeert dat het onduidelijk is hoe het arrest Morgan Stanley & Co International (C-165/17) moet worden uitgelegd in het licht van de huidige tekst van art. 169(a) Btw-richtlijn. Daarom legt zij de volgende vraag voor aan het Hof van Justitie:

Is het verenigbaar met art. 168(a) en art. 169(a) Btw-richtlijn om aftrek van voorbelasting te weigeren voor kosten die een belastingplichtige in een lidstaat maakt ten behoeve van diensten aan een belastingplichtige in een andere lidstaat, op de grond dat de transactie niet belastbaar is in die andere lidstaat terwijl zij wél belastbaar zou zijn geweest in de eerstgenoemde lidstaat, wanneer de verschillen in belastingheffing het gevolg zijn van de wijze waarop de lidstaten de vrijstelling van art. 135(1)(g) Btw-richtlijn hebben omgezet? 

 

Contact

Edwin van Kasteren

Edwin van Kasteren

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 093 42 58

Joost Vermeer

Joost Vermeer

Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 219 58 86

Simon Cornielje

Simon Cornielje

Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 387 92 81

Patriek Pfennings

Patriek Pfennings

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)62 228 97 09

Volg ons