Bewijsvermoeden splitsingsfaciliteit vpb strijdig met EU recht

03/03/26

Op 27 februari 2026 oordeelde de Hoge Raad dat het algemeen bewijsvermoeden van de antimisbruikbepaling voor de geruisloze juridische splitsing in de vennootschapsbelasting niet verenigbaar is met de EU-fusierichtlijn. Dat binnen drie jaar na de splitsing een vervreemding van aandelen plaatsvindt, betekent niet dat er per definitie geen zakelijke overwegingen voor de splitsing zijn, of dat deze is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Ook niet als het voornemen om aan derden te verkopen al bestond vóór het besluit tot splitsen. 

Wat betekent dit voor jouw organisatie?

Ben je momenteel in overleg met de Belastingdienst over de toepassing van de antimisbruikbepaling bij de splitsingsfaciliteit, of heb je een afwijzende beschikking ontvangen waartegen nog bezwaar kan worden gemaakt? Dan kan dit arrest van de Hoge Raad relevant zijn voor jou. 

Door het buiten toepassing blijven van het algemene bewijsvermoeden verbetert in zijn algemeenheid de positie van belastingplichtigen. De inspecteur is nu immers eerst aan zet om ten minste een begin van bewijs te leveren dat geen sprake is van zakelijke overwegingen of dat er aanwijzingen bestaan voor het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Het zal afhangen van de concrete omstandigheden van de situatie hoe de inspecteur aan dat begin van bewijs invulling kan geven, en of dit praktisch gezien ook veel verschil zal maken. De praktijk zal ook moeten uitwijzen hoe de Belastingdienst hier mee om zal gaan in het geval de belastingplichtige al vóór de splitsing een verzoek doet om te bevestigen dat de splitsing niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. 

 

Ook andere wetsartikelen bevatten een driejaarstermijn bij verkoop of een vermoeden van onzakelijkheid, bijvoorbeeld de splitsingsvrijstelling voor de overdrachtsbelasting en de bedrijfsfusie in de vennootschapsbelasting. Nu de Hoge Raad het bewijsvermoeden als niet verenigbaar met de EU-fusierichtlijn heeft beoordeeld, is het de vraag of deze bewijsvermoedens of driejaarstermijnen ook niet langer houdbaar zijn.

De casus

De belanghebbende was een uitvaartverzekeringsmaatschappij binnen een verzekeringsconcern dat verder bestond uit onder meer een andere uitvaartverzekeraar en twee levensverzekeraars. Zij maakte deel uit van een Nederlandse fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting en was daardoor hoofdelijk aansprakelijk voor de vennootschapsbelastingschulden van die fiscale eenheid, waaronder (potentiële) schulden die voortvloeiden uit een langlopend geschil met de Belastingdienst over herverzekeringsconstructies. Vanwege ingrijpen door De Nederlandsche Bank en de financiële en toezichtsrechtelijke situatie van het concern werd besloten de onderneming van belanghebbende aan een niet‑gelieerde derde te verkopen. Deze verkoop werd vormgegeven via een juridische afsplitsing. Daarbij ging de gehele onderneming van belanghebbende onder algemene titel over op een nieuw opgerichte verkrijgende vennootschap, met achterlating van onder meer de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de belastingschulden van de fiscale eenheid. Als tegenprestatie werd één aandeel in de verkrijgende vennootschap uitgegeven, dat kort na de afsplitsing aan de externe koper werd verkocht.

De belanghebbende heeft zekerheid vooraf gevraagd dat de afsplitsing niet overwegend was gericht op ontgaan of uitstel van belastingheffing zoals bedoeld in art. 14a, lid 6, Wet Vpb 1969. De Inspecteur heeft hierop afwijzend beslist. Volgens de Inspecteur moet de afsplitsing leiden tot fiscale afrekening. Dat betekent dat de afsplitsing voor de vennootschapsbelasting niet geruisloos plaatsvindt, maar wordt behandeld als een belaste verkoop van de onderneming, waardoor met name meerwaarde op de bezittingen en de goodwill bij de splitsing met vennootschapsbelasting worden belast. 

De splitsingsfaciliteit in de Wet Vpb en de antimisbruikbepaling

Artikel 14a Wet Vpb 1969 bevat de splitsingsfaciliteit, op grond waarvan een juridische (af)splitsing onder voorwaarden geruisloos kan plaatsvinden, zodat bij de splitsende en verkrijgende vennootschap geen onmiddellijke heffing van vennootschapsbelasting plaatsvindt. Lid 6 van dit artikel bevat echter een antimisbruikbepaling, die bepaalt dat de faciliteit niet van toepassing is indien de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een splitsing die plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van activiteiten, niet als misbruik wordt aangemerkt. In de laatste volzin van lid 6 is een bewijsvermoeden opgenomen op grond waarvan zakelijke overwegingen geacht worden te ontbreken indien aandelen in de gesplitste of verkrijgende vennootschap binnen drie jaar na de splitsing aan een niet‑verbonden derde partij worden verkocht. De belastingplichtige is in zo’n situatie aan zet om aannemelijk te maken dat er wél voldoende zakelijke overwegingen zijn.

 

Hoge Raad laat bewijsvermoeden bij geruisloze juridische splitsing buiten toepassing

De Hoge Raad vindt de veronderstelling dat er geen zakelijke overwegingen zijn als een zich binnen drie jaar een verkoop voordoet, niet in lijn met wat de EU-fusierichtlijn beoogt. Dit algemene vermoeden mag daarom niet worden toegepast. Ook bij een verkoop binnen drie jaar na een juridische splitsing kan de splitsing op zakelijke gronden hebben plaatsgevonden. Dat geldt ook wanneer reeds al vóór de besluitvorming over de splitsing het voornemen bestond om de aandelen te verkopen.

Daarmee is volgens de Hoge Raad de bewijslast onjuist verdeeld. De inspecteur kan niet volstaan met een beroep op het wettelijke vermoeden, maar moet ten minste concrete aanwijzingen aandragen waaruit blijkt dat geen zakelijke overwegingen aanwezig zijn of dat sprake is van belastingontwijking of ‑uitstel. Aan Hof ’s‑Hertogenbosch nu de taak om, uitgaande van de aangepaste bewijslastverdeling, de zaak opnieuw te beoordelen.

De Hoge Raad bevestigt voorts dat voor de beoordeling of een splitsing op zakelijke overwegingen berust, zowel het beoogde einddoel als de gekozen route daarnaartoe relevant zijn. Daarbij sluit hij niet uit dat ook aandeelhoudersmotieven, zoals de wens om activiteiten te verkopen, als zakelijke overwegingen kunnen kwalificeren.

Doorwerking van het HR‑arrest naar andere fusiefaciliteiten en de overdrachtsbelasting

Nu de Hoge Raad het expliciete bewijsvermoeden bij de juridische splitsing als strijdig met de EU‑Fusierichtlijn heeft aangemerkt, komt ook de houdbaarheid van vergelijkbare bewijsvermoedens en beoordelingsmechanismen in andere fusiefaciliteiten onder druk te staan. De bedrijfsfusie in de vennootschapsbelasting kent bijvoorbeeld een dezelfde antimisbruikbepaling. Ook de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting kent een termijn van drie jaar; als binnen die termijn de aandelen worden verkocht, is alsnog overdrachtsbelasting verschuldigd.

In het licht van het arrest van de Hoge Raad rijst de vraag of deze misbruikvermoedens en driejaarstermijnen houdbaar blijven voor zover zij leiden tot een (nagenoeg) automatische weigering van de faciliteit als aandelen binnen drie jaar worden verkocht, zonder dat een individuele beoordeling van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval plaatsvindt.

Contact us

Maarten de Wilde

Maarten de Wilde

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)63 419 67 89

Vassilis Dafnomilis

Vassilis Dafnomilis

Senior Manager Tax, Rotterdam, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 399 87 29

Mariska van der Maas

Mariska van der Maas

Director Knowledge Centre Tax, Amsterdam, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)62 422 10 29

Volg ons