03/02/26
De Hoge Raad heeft in de tweede cassatieronde van de Horen- en Zien casus belastingplichtige in het ongelijk gesteld. Het feitelijke oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat er sprake was van twee objectieve ondernemingen (de aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk winst te behalen) voor de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) was naar behoren gemotiveerd zodat de Hoge Raad dit niet op juistheid heeft onderzocht. Als gevolg daarvan was er tijdens de bezitsperiode een procentuele toename van het belang van de aandeelhouder in de onderneming (de ‘subjectieve gerechtigdheid’) in de objectieve onderneming. De Hoge Raad oordeelde ook dat de tegemoetkoming om de bezitsperioden van verkregen aandelen en de afgestane aandelen (in deze zaak in het kader van een ruziesplitsing) bij elkaar op tellen alleen een verzachting biedt van de directebezitseis.
Een van de voorwaarden voor de toepassing van de BOR is dat de schenker van aanmerkelijkbelangaandelen deze aandelen minstens vijf jaar onafgebroken in bezit heeft voordat de schenking plaatsvindt (directebezitseis). Daarnaast moet de vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken minstens vijf jaar een onderneming hebben gedreven (indirectebezitseis).
De Hoge Raad heeft (nogmaals) bevestigd dat een toename van de subjectieve gerechtigdheid tot de objectieve onderneming leidt tot de aanvang van een nieuwe bezitstermijn voor het toegenomen gedeelte.
De vraag of er sprake is van een objectieve onderneming is daarmee een belangrijk onderdeel van de toetsing of de BOR van toepassing is. Of er met de activiteiten sprake is van één of meerdere objectieve ondernemingen wordt bepaald aan de hand van het criterium of er tussen de activiteiten voldoende samenhang c.q. een nauw verband bestaat. Daarbij wordt gekeken naar de aard van de activiteiten, mogelijke economische/commerciële en/of organisatorische verbondenheid, waaronder de intern organisatorische/administratieve verbondenheid (bijvoorbeeld het al dan niet hebben van aparte boekhoudingen en bankrekeningen), klantenkring, synergievoordelen, en het al dan niet hebben van verschillende werklocaties en van verschillend personeel.
In de Horen-en zien zaak stond de exploitatie van optiek- en audicienactiviteiten centraal. De moeder van belanghebbende in de zaak was voor 49% middellijk (dat wil zeggen via een houdstermaatschappij) aandeelhouder van de gezamenlijke holding vennootschap. Haar neef was voor 51% (middellijk) aandeelhouder van de gezamenlijke holding vennootschap. De gezamenlijke holding vennootschap had verschillende deelnemingen waarin de optiek- en audicienactiviteiten werden geëxploiteerd.
In 2011 heeft er een ruziesplitsing van de holding plaatsgevonden waarbij aan de moeder van belanghebbende de audicien (hoor) activiteiten werden toebedeeld. Aan haar neef werden de optiek (zien) activiteiten toebedeeld. Vervolgens heeft de moeder van belanghebbende haar (middellijke) aandelen in de hooractiviteiten geschonken aan haar kind en die wenste hierop de BOR toe te passen. De inspecteur heeft de BOR gecorrigeerd en de BOR gedeeltelijk toegepast voor 49%. Voor de overige 51% van de hooractiviteiten is niet voldaan aan de indirectebezitseis omdat dit gedeelte pas na de splitsing door de moeder van belanghebbende is verkregen.
De Hoge Raad heeft in de eerste cassatieronde van deze zaak, enigszins cryptisch, geoordeeld dat een toename van de subjectieve gerechtigdheid in de objectieve onderneming leidt tot de aanvang van een nieuwe bezitstermijn. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander Gerechtshof omdat het eerste hof eerder had nagelaten om te onderzoeken of er sprake was van één of twee objectieve ondernemingen.
Dit onderscheid is van belang omdat in het geval er sprake is van één objectieve onderneming er wel voldaan is aan indirectebezitseis en in het geval er sprake is van twee objectieve ondernemingen niet voldaan is aan de indirectebezitseis.
In de verwijzingsuitspraak diende het Verwijzingshof te onderzoeken of er sprake was van één of twee objectieve ondernemingen. Allereerst bevestigt het Verwijzingshof de lezing van de Hoge Raad, anders dan de belanghebbende, dat een toename van de subjectieve gerechtigd in de objectieve onderneming leidt tot de aanvang van een nieuwe bezitstermijn.
Het Verwijzingshof geeft aan dat van het drijven van een onderneming sprake is bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk winst te behalen. Een belastingplichtige kan met zijn activiteiten meerdere objectieve ondernemingen drijven. De bepaling of twee activiteiten tot één objectieve onderneming behoren, geschiedt aan de hand van het criterium of er tussen de activiteiten voldoende samenhang c.q. een nauw verband bestaat. Daarbij wordt gekeken naar de aard van de activiteiten, mogelijke economische/commerciële en/of organisatorische verbondenheid, waaronder de intern organisatorische/administratieve verbondenheid (bijvoorbeeld het al dan niet hebben van aparte boekhoudingen en bankrekeningen), klantenkring, synergievoordelen, en het al dan niet hebben van verschillende werklocaties en van verschillend personeel.
Het Verwijzingshof oordeelt uiteindelijk dat belanghebbende kan worden toegegeven dat een aantal feiten en omstandigheden erop zouden kunnen duiden dat bij Horen en Zien sprake was van één onderneming, maar dat de belanghebbende er toch niet in geslaagd is dit aannemelijk te maken.
Belangrijk daarbij waren uiteindelijk:
In haar arrest van 30 januari 2026 oordeelt de Hoge Raad dat de aangedragen middelen van belanghebbende niet toereikend zijn. Bij zijn beoordeling bevestigt de Hoge Raad dat een toename van de subjectieve gerechtigdheid tot de objectieve onderneming leidt tot de aanvang van een nieuwe bezitstermijn voor het toegenomen gedeelte. Dit is alleen anders als de objectieve onderneming (bijvoorbeeld met een activa / passiva transactie) wordt uitgebreid terwijl het procentuele belang even groot blijft. Hierbij verwijst de Hoge Raad naar zijn 29 mei-arresten.
Ten aanzien van de objectieve ondernemingen geeft de Hoge Raad aan dat het feitelijke oordeel van het Verwijzingshof naar behoren is gemotiveerd en daardoor door de Hoge Raad niet op juistheid is onderzocht. Daarmee staat dus vast dat er sprake is van twee objectieve ondernemingen. De BOR kan dan toegepast worden op 49% van de verkrijging, voor de overige 51% wordt niet voldaan aan de indirectebezitseis.
De Hoge Raad oordeelde ook dat de tegemoetkoming om de bezitsperioden van verkregen aandelen en de afgestane aandelen (in casu in het kader van een ruziesplitsing, maar ook van toepassing op een aandelenfusie of juridische fusie) bij elkaar op te tellen alleen een verzachting biedt van de directebezitseis en niet van de indirectebezitseis zoals ter discussie stond in deze casus.