Handhaving schijnzelfstandigen vanaf 2026

03/02/26

Dit artikel is gebaseerd op de informatie zoals deze op 3 februari 2026 bekend was.

De handhaving op schijnzelfstandigheid is een nieuwe fase ingegaan. Vanaf 1 januari 2026 kan de Belastingdienst weer vergrijpboetes opleggen, maar in 2026 zullen nog geen verzuimboetes worden opgelegd.  Na politieke druk heeft het kabinet de 'zachte landing' gedeeltelijk verlengd. Daarnaast is er het 'ingroeimodel tot 2030' en zijn er ontwikkelingen met betrekking tot horizontaal toezicht. 

Het meest recente nieuws is dat het coalitieakkoord benoemt dat het beoogde wetsvoorstel VBAR grotendeels wordt ingetrokken en wordt vervangen door een Zelfstandigenwet.

Boetes vanaf 2026

In 2025 gold de zachte landing nog volledig: de Belastingdienst controleerde wel weer, maar legde geen verzuim- of vergrijpboetes op. Per 1 januari 2026 is deze opstelling veranderd en is de zachte landing slechts gedeeltelijk verlengd. Zo kunnen er vergrijpboetes worden opgelegd in 2026, dit zijn zwaardere sancties voor situaties waarin sprake is van opzet of grove schuld. Verzuimboetes, waarbij geen sprake hoeft te zijn van opzet of grove schuld, kunnen pas per 1 januari 2027 weer worden opgelegd. Dit is een compromis omdat de kamer de zachte landing volledig wilde verlengen, maar het kabinet was door de koppeling met het Europese herstelfonds genoodzaakt om boetes weer mogelijk te maken in 2026.  Ook hanteert de Belastingdienst in 2026 nog een meer educatieve benadering: controles starten in beginsel met een bedrijfsbezoek in plaats van een boekenonderzoek, als onderdeel van de verlengde zachte landing.

Naheffingen onder het ingroeimodel 2030

Naheffingen zijn normaal gesproken mogelijk tot vijf jaar terug in de tijd, maar in het ingroeimodel 2030 bouwt dit geleidelijk op. Vanwege het handhavingsmoratorium dat gold tot 1 januari 2025 is naheffen pas mogelijk over tijdvakken vanaf die datum. De Belastingdienst gaat in de jaren 2025 tot en met 2029 bij correcties in beginsel niet verder terug dan 1 januari 2025. Hierop bestaan twee uitzonderingen: wanneer sprake is van kwaadwillendheid, of wanneer de Belastingdienst vóór die datum al een aanwijzing heeft gegeven. Pas vanaf 2030 kan weer de volledige vijf jaar worden nageheven, maar de boetebeperkingen uit de 'zachte landing'-jaren blijven van toepassing. 

Horizontaal toezicht en inhuur van zzp'ers

De intensivering van de handhaving op schijnzelfstandigheid heeft ook gevolgen voor het sluiten of verlengen van convenanten in het kader van horizontaal toezicht. De Belastingdienst wil voorkomen dat convenanten worden gesloten of verlengd in situaties waarin vervolgens vergrijpboetes moeten worden opgelegd. Bij geconstateerde schijnzelfstandigheid wordt een convenant pas gesloten of verlengd nadat correctieberichten zijn ingediend en naheffingsaanslagen zijn voldaan. Voor organisaties is het daarom van belang om het juiste toetsingskader te hanteren bij de beoordeling van arbeidsrelaties.

Coalitieakkoord 'Aan de slag': wijzigingen in wetgeving voor zelfstandigen

Op 30 januari 2026 presenteerden D66, VVD en CDA het coalitieakkoord 'Aan de slag'. De nieuwe coalitie wijkt hierin af van eerdere plannen. De wet VBAR, die oorspronkelijk in juli 2026 in werking zou treden, wordt niet doorgezet ten behoeve van de aanpak van schijnzelfstandigheid. Uitsluitend het rechtsvermoeden van werknemerschap blijft behouden. Dit betekent dat bij een uurtarief onder een minimum er vermoedwordt dat er sprake is van een dienstverband. Dit vermoeden is bedoeld om ‘kwetsbare’ zelfstandigen aan de onderkant van de arbeidsmarkt te beschermen, en het minimum uurtarief zal jaarlijks worden geïndexeerd. 

Het onderdeel van de wet VBAR dat de arbeidsrelatie aan de hand van verschillende elementen moest verduidelijken, komt te vervallen. Hiervoor in de plaats komt de Zelfstandigenwet: een wetsvoorstel dat de coalitie samen met de SGP heeft opgesteld en waarover al in 2025 een consultatie heeft plaatsgevonden. De in de Zelfstandigenwet opgenomen sectorale rechtsvermoedens en toetsingscommissie worden gefaseerd ingevoerd, samen met het rechtsvermoeden van werknemerschap (uit de wet VBAR). Dit houdt verband met Europese verplichtingen: in ruil voor coronasteun heeft Nederland toezeggingen gedaan aan de Europese Commissie over arbeidsmarkthervormingen. De coalitie wil aan deze afspraken blijven voldoen. Het overige deel van de Zelfstandigenwet – met daarin volgens de consultatieversie onder andere een toetsingskader voor de beoordeling van arbeidsrelaties – wordt "zo snel mogelijk" ingevoerd, aldus het coalitieakkoord.

Gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen

De aanpak van de overheid reikt verder dan alleen verscherping van de handhaving. Ook maatregelen om de financiële verschillen tussen werknemers en zelfstandigen te verkleinen staan op de agenda. Het doel is dat de keuze voor zelfstandig ondernemerschap wordt gedreven door de aard van het werk, niet door oneigenlijke financiële prikkels. Op dit moment kunnen zelfstandigen nog van meerdere fiscale faciliteiten gebruikmaken en hoeven zij zich niet te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. Hierdoor is er een mogelijk ongewenst concurrentieverschil dat de overheid wil verminderen ten opzichte van werken in loondienst

Een onderdeel hiervan is de geplande Wet Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen. Deze wet verplicht zelfstandigen zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. Werknemers zijn voor arbeidsongeschiktheid verzekerd via de werknemersverzekeringen. In het coalitieakkoord wordt benoemd dat zelfstandigen een mogelijkheid krijgen om privaat te verzekeren, een zogeheten (opt-out), zoals is afgesproken in het pensioenakkoord. Hoewel de Raad van State kritisch was over het voorstel, dwingt de koppeling aan de Europese herstelfondsen tot een snelle behandeling.

Daarnaast worden de fiscale voordelen voor zelfstandigen afgebouwd. De zelfstandigenaftrek wordt verder verlaagd, de Fiscale Oudedagsreserve is reeds afgeschaft en de MKB-winstvrijstelling wordt beperkt. Deze maatregelen samen moeten leiden tot een eerlijkere concurrentiepositie tussen zelfstandigen en werknemers in loondienst.

Wat betekent dit voor jouw organisatie?

De aangekondigde veranderingen vereisen proactief handelen om risico’s, zoals naheffingen en boetes, te voorkomen.  Het is essentieel om de arbeidsrelaties met zelfstandigen tijdig te beoordelen en dit proces zorgvuldig te documenteren. Zo waarborg je dat zowel de opdrachtgever als de opdrachtnemers duidelijkheid hebben. De Belastingdienst handhaaft sinds 1 januari 2025 weer op schijnzelfstandigheid en per 1 januari 2026 kunnen ook vergrijpboetes opgelegd worden. Handhaving zal via het aangekondigde ingroeimodel tot 2030 stapsgewijs worden geïntensiveerd. Ter ondersteuning zijn er diverse instrumenten en de mogelijkheid door middel van een vooroverleg om vooraf zekerheid te verkrijgen. Een grondige analyse van de specifieke risico’s voor uw organisatie is dan ook een waardevolle stap om goed voorbereid te zijn.

Contact

Henk van Keersop

Henk van Keersop

Senior Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)62 285 13 14

Daniël Sternfeld

Daniël Sternfeld

Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 089 28 89

Maaike Sips

Maaike Sips

Senior Manager Knowledge Centre Tax, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)6 5375 55 65

Maaike Damen

Maaike Damen

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 117 61 13

Volg ons