20/01/26
Dit artikel is voor het laatst bijgewerkt op 14 april 2026
De belastingrente voor vennootschapsbelasting is te hoog, dat oordeelde de Hoge Raad op 16 januari 2026. De belastingrente bedroeg in deze procedure 8 procent, maar liep in de jaren daarna zelfs op naar 10 procent. Belastingrente is een vergoeding die de belastingplichtige moet betalen als de inspecteur een hogere aanslag oplegt dan dat de belastingplichtige in eerste instantie, bijvoorbeeld als schatting, heeft aangegeven. De Hoge Raad geeft aan dat de belastingrente voor de vennootschapsbelasting moet worden gesteld op het percentage zoals dat ook geldt voor andere belastingen zoals de inkomstenbelasting. In de procedure was dat 4 procent. De belastingrente fluctueert mee met ECB-rente en verschilt dus van jaar tot jaar. Vanaf 2024 is het verschil tussen de belastingrente die de Belastingdienst heeft berekend voor de vennootschapsbelasting en de lagere rente die ze nu door de uitspraak van de Hoge Raad moeten berekenen 2,5 procent.
Bezwaren tegen de hoogte van de belastingrente zijn aangewezen als een massaalbezwaarprocedure, waarbij tijdige bezwaren zijn aangehouden en er uiteindelijk collectief een uitspraak op deze bezwaren wordt gedaan. Het ging in deze procedure om belastingrente op vennootschapsbelasting, bronbelasting, solidariteitsbijdrage, minimumbelasting en het winstaandeel (een mijnbouwheffing) in de periode vanaf 1 oktober 2020.
Er liepen ook procedures over de vraag of de belastingrente voor de inkomstenbelasting en overige belastingen misschien ook te hoog was. Daarvan heeft de Hoge Raad bepaald dat deze rente niet te hoog is; vanaf 1 oktober 2020 niet en recent heeft de Hoge Raad bepaald dat de lage belastingrente daarvóór ook niet te hoog was. Voor de hoge belastingrente in de periode vóór 1 oktober 2020 heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten.
Is de belastingrente op de voorlopige of definitieve aanslag vennootschapsbelasting van je onderneming tijdig ter discussie gesteld? Dan zal deze rente naar aanleiding van deze uitspraak in principe worden verlaagd. Houd ook aanslagen die de komende maanden worden opgelegd goed in de gaten, mogelijk rekenen de systemen van de Belastingdienst nog enige tijd met de oorspronkelijke rentepercentages. Dan moet je nog bezwaar maken tegen de belastingrente als je deze rente wilt verlagen. Let daarbij goed op dat het ter discussie stellen van de belastingrente bij voorlopige aanslagen een andere wettelijke route kent dan bij definitieve aanslagen. Jouw adviseur kan je helpen de formeel juiste route te bepalen.
Heb je bezwaar gemaakt tegen de belastingrente op overige belastingen, zoals de inkomstenbelasting? De Hoge Raad vindt deze rente niet te hoog en deze rente wordt door deze uitspraak dus niet verlaagd.
Nadat de lagere rechter in november 2024 al oordeelde dat de belastingrente op de vennootschapsbelasting te hoog was, is er tegen zo'n 29.500 aanslagen bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de belastingrente, zo geeft het ministerie van Financiën aan. De staatssecretaris van Financiën heeft daarom in 2024 besloten alle (tijdige) bezwaren tegen de hoogte van de belastingrente te vatten in een zogenoemd massaalbezwaarprocedure. Dat betekent dat de Belastingdienst al deze bezwaren aanhoudt tot de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan. Dat laatste is nu dus gebeurd.
De volgende stap is dat de Belastingdienst in één gezamenlijke collectieve uitspraak beslist op alle bezwaren die als massaal bezwaar zijn aangewezen. Deze uitspraak is gedaan op 25 februari 2026. Daarna zullen de belastinginspecteurs de belastingrente op alle individuele aanslagen vennootschapsbelasting cijfermatig moeten aanpassen aan de uitspraak. Daarvoor geldt een termijn van zes maanden na de collectieve uitspraak op bezwaar. Aanslagen waarop belastingrente voor overige belastingen is berekend, zoals de inkomstenbelasting, hoeven dus niet aangepast te worden.
In november 2024 oordeelde de Rechtbank Noord-Nederland dat de belastingrente voor de vennootschapsbelasting onredelijk hoog was. De hoogte van de belastingrente wordt sinds enige jaren bepaald door het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi). De rechtbank verklaarde het Besluit op dit punt onverbindend wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Volgens de rechtbank stonden de negatieve gevolgen van een hoog rentepercentage niet in evenredige verhouding tot de doelen die de regelgever beoogde.
De staatssecretaris van financiën was het hier niet mee eens. De vraag werd rechtstreeks voorgelegd aan de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt nu ook dat de 8 procent belastingrente voor de vennootschapsbelasting onverbindend is, omdat de bepaling van het Bbi in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad verlaagt het percentage naar het percentage dat geldt voor andere belastingen zoals de inkomstenbelasting. Hiermee geldt voor bedrijven, die vennootschapsbelasting betalen, geen zwaardere belastingrentelast dan voor anderen.
Met het oog op de vele bezwaren die inmiddels ook voor de overige belastingen waren ingesteld, heeft de Hoge Raad zich ook uitgesproken over de vraag of het belastingpercentage dat geldt voor de overige belastingen ook te hoog is. De Hoge Raad toetst onder andere aan het gelijkheidsbeginsel, aan meerdere discriminatieverboden, aan het evenredigheidsbeginsel, en geeft een oordeel over het feit dat het belastingrentepercentage een minimum kent. Al deze toetsen leiden tot de conclusie dat het belastingrentepercentage voor overige belastingen in stand kan blijven. Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat dit ook geldt voor de jaren vanaf 2024, toen de grondslag van het belastingrentepercentage wijzigde. Daarmee heeft de Hoge Raad de voorliggende (rechts)vragen beantwoord voor zowel de massaalbezwaarprocedure belastingrente bij vennootschapsbelasting als voor de massaalbezwaarprocedure belastingrente.
In de periode vóór 1 oktober 2020 werd de hoogte van de belastingrente nog niet geregeld door het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi), maar was het in de (formele) wet vastgelegd. Deze periode valt niet onder het massaal bezwaar en de uitspraak van 16 januari 2026 van de Hoge Raad. Technisch mag een formele wet – anders dan een besluit – namelijk niet aan ongeschreven rechtsbeginselen worden getoetst. Wel mag dit aan rechtsbeginselen worden getoetst die zijn vastgelegd in bijvoorbeeld verdragen, zoals het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel zijn vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgelaten over de hoge belastingrente o.a. voor de vennootschapsbelasting voor de periode vóór 1 oktober 2020. Wel is recent het Gerechtshof van Den Haag tot oordeel gekomen dat de hogere belastingrente voor de vennootschapsbelasting in de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 mei 2020 niet voldoet aan het vereiste van “fair balance”. (Voor de volledigheid: over de periode 1 juni 2020 tot 1 oktober 2020 waren hoge en lage belastingrente aan elkaar gelijk, deze bedroeg slechts 0,01% in verband met de corona-crisis.) Het Hof heeft de rente dan ook verlaagd naar het 'lage' belastingrentepercentage zoals dat voor o.a. de inkomstenbelasting geldt. De verwachting is dat deze zaak aan de Hoge Raad zal worden voorgelegd.
Voor het lagere rentepercentage (o.a. inkomstenbelasting) in de periode tot 1 oktober 2020, heeft de Hoge Raad op 10 april 2026 geoordeeld dat dit in stand kan blijven. Het rentepercentage maakt geen inbreuk op artikel 1 EP EVRM en blijft binnen de beoordelingsmarge van de wetgever. Voor het lagere belastingrentepercentage trekt de Hoge Raad de lijn zoals die voor de periode vanaf 1 oktober 2020 is uitgezet in het arrest van 16 januari 2026, door naar de periode tot 1 oktober 2020.