16/03/26
Op 13 maart 2026 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een aantal zaken over de btw-behandeling van pauzedrankjes die zijn inbegrepen in de toegangsprijs van een theatervoorstelling. De kernvraag was of een in de ticketprijs begrepen drankje tijdens de pauze kan worden aangemerkt als een bijkomende prestatie. In dat geval zouden ook alcoholische dranken delen in het verlaagde btw‑tarief van 9% voor de toegang tot theatervoorstellingen. Het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch had deze vraag bevestigend beantwoord. De Hoge Raad draait dat oordeel echter terug: het pauzedrankje is een zelfstandige prestatie en, voor zover het alcoholhoudende drank betreft, belast tegen het algemene tarief van 21%.
Dit arrest is in de eerste plaats van belang voor theaters, schouwburgen, concertzalen en andere podia die all‑in kaartjes aanbieden (bijvoorbeeld inclusief pauzedrankje, hapje of garderobe). Daarnaast is het breder relevant voor ondernemers die werken met samengestelde prestaties zoals arrangementen.
De Hoge Raad benadrukt dat een element alleen bijkomend is als het voor de gemiddelde afnemer geen doel op zich vormt, maar puur een middel is om optimaal van de hoofdprestatie gebruik te maken. Dat criterium wordt strikt toegepast. De Hoge Raad overweegt dat het drankje alleen in de pauze en buiten de zaal wordt genuttigd. De uitkomst zou anders kunnen zijn in situaties waarin het extra element nauwer verweven is met de hoofdprestatie en evident slechts ondersteunend is (bijvoorbeeld bepaalde reserverings- of service-elementen), of waarin uit de feiten duidelijk volgt dat de gemiddelde afnemer het extra element niet als zelfstandig doel ervaart.
Voor ondernemingen met gecombineerde pakketten zoals leisure‑arrangementen, evenementen- of hospitalitypakketten en VIP-pakketten is het raadzaam om de btw-behandeling daarvan te (her)beoordelen naar aanleiding van dit arrest van de Hoge Raad.
Belanghebbende exploiteert een theater en verkoopt toegangskaarten voor voorstellingen. In de kaartprijs is standaard één pauzedrankje inbegrepen, waarbij de bezoeker tijdens de pauze kan kiezen uit alcoholische en niet‑alcoholische dranken. Er is geen optie om een goedkoper kaartje zonder drankje te kopen en bezoekers zonder kaartje hebben geen toegang tot het gebouw. Voor extra consumpties wordt afzonderlijk afgerekend aan de bar.
Voor de gehele ticketprijs paste belanghebbende het verlaagde btw‑tarief toe van 9%, in de veronderstelling dat het pauzedrankje een bijkomende prestatie is bij de toegang tot de theatervoorstelling. De inspecteur stelde daartegenover dat de verstrekking van het alcoholhoudende pauzedrankje een afzonderlijke prestatie vormt, die naar het algemene tarief van 21% is belast.
Het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ging mee met belanghebbende: het hof kwalificeerde de toegang inclusief pauzedrankje als één prestatie, waarbij het drankje als bijkomende prestatie het verlaagde tarief voor de toegang deelde. Het hof kwam daardoor niet meer toe aan de door belanghebbende opgeworpen gelijkheidsargumenten, gebaseerd op het beleidsbesluit over reserveringskosten en garderobe.
De Hoge Raad volgt het hof niet in de kwalificatie van het pauzedrankje als bijkomende prestatie die opgaat in de hoofdprestatie. De Hoge Raad herhaalt eerst het algemene toetsingskader voor samengestelde prestaties:
Daarnaast benadrukt de Hoge Raad dat verlaagde tarieven strikt moeten worden uitgelegd: er is alleen ruimte voor toepassing van het verlaagde tarief voor de limitatief in Tabel I genoemde prestaties, ook als het gaat om een samengesteld aanbod.
Tegen deze achtergrond acht de Hoge Raad doorslaggevend wat het hof over de beleving van de modale bezoeker heeft vastgesteld: het pauzedrankje heeft een afzonderlijk belang, is niet nodig om de voorstelling bij te wonen en wordt alleen tijdens de pauze buiten de zaal genuttigd. Vanuit dat perspectief kan het drankje niet worden gezien als middel om optimaal gebruik van de voorstelling te maken, maar is het juist een doel op zich. Dat de theaterkaart wordt verkocht als een “compleet arrangement” inclusief pauzedrankje en garderobe, en dat dit het bezoek aantrekkelijker en gemaksvriendelijker maakt, verandert volgens de Hoge Raad niets aan dit oordeel.
De consequentie van dit oordeel is dat de verstrekking van het pauzedrankje een zelfstandige prestatie is. Voor zover het gaat om alcoholhoudende dranken sluit Tabel I het verlaagde tarief expliciet uit, zodat daarop het algemene tarief van 21% van toepassing is.
Belanghebbende beriep zich op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 31 maart 2022. In dat besluit is onder meer opgenomen dat reserveringskosten en het gebruik van de garderobe (onder voorwaarden) kunnen delen in het verlaagde tarief voor de toegang. De Hoge Raad wijst dit beroep af omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Reserveringskosten en garderobe hebben een directe, functionele relatie met de toegang tot de voorstelling: zij maken het mogelijk of vergemakkelijken de toegang. Een pauzedrankje voorziet in een andere behoefte en dient niet rechtstreeks de toegang of het bijwonen van de voorstelling, aldus de Hoge Raad.
Opvallend is dat in dit arrest van de Hoge Raad niet wordt verwezen naar de recente lijn in de Europese btw‑rechtspraak over verlaagde tarieven en nevenprestaties. Op 5 maart 2026 oordeelde het Hof van Justitie in de gevoegde Duitse hotelzaken C‑409/24 t/m C‑411/24 (J GmbH) dat lidstaten het bereik van een verlaagd tarief mogen toespitsen op concrete en specifieke aspecten van een categorie diensten. Volgens het Hof van Justitie is het de Duitse wetgever dus in beginsel toegestaan om andere diensten bij hotelovernachtingen – zoals ontbijt, parkeren, fitness/wellness en wifi – van dat verlaagde tarief uit te sluiten, zelfs als die diensten nevenprestaties zijn en deel uitmaken van één all‑in prijs.