Para-voetbal is de verzamelnaam voor verschillende handicap specifieke voetbalvormen. Dit zijn amputatievoetbal, blindenvoetbal, CP-voetbal (voor mensen met motorische beperking), dovenvoetbal en rolstoelvoetbal. Voor iedere vorm wordt een 'eigen' EK georganiseerd. Robin Janssen richt zich binnen de KNVB op het ontwikkelen en stimuleren van voetbal voor mensen met een beperking. ‘Bij het organiseren van deze evenementen draait het niet alleen om het schakelen met veel verschillende partijen, maar vooral om het telkens opnieuw opzetten van op zichzelf staande toernooien. Dat vraagt iedere keer om aanzienlijke inspanning, budget en aandacht, en maakt het proces complex en inefficiënt.’
‘Maar het belangrijkste is dat we zichtbaar willen maken dat voetbal voor iedereen is. Die zichtbaarheid creëer je sneller met een groot, impactvol toernooi dan met heel veel losse. Daardoor ontstond het idee om de krachten te bundelen en samen te brengen in één groot EK-evenement.’
Voordat er een besluit wordt genomen over een gezamenlijk EK Para-voetbal, is het belangrijk om niet alleen naar het financiële plaatje te kijken, maar juist ook naar de maatschappelijke impact. Daarom werken de KNVB en PwC met de Responsible Business Simulator (RBS). Het RBS-model stelt beleidsmakers in staat om hun besluitvorming te verantwoorden en transparanter te maken. Bovendien is het breed inzetbaar voor uiteenlopende maatschappelijke vraagstukken. Met dit model kan zowel de maatschappelijke als economische impact van een EK Para-voetbal worden berekend.
Met de RBS kunnen deze factoren meetbaar worden gemaakt en ontstaat inzicht in de waarde van een eventueel evenement. Thom-Ivar van Dijk legt uit: ‘Met de Responsible Business Simulator brengen we alle relevante factoren terug tot vergelijkbare KPI’s. Deze KPI's hebben betrekking op financiële haalbaarheid, naamsbekendheid en inclusiviteit. Vervolgens koppelen we deze factoren aan een aantal rekenregels. Daarna zetten we alles op een schaal van nul tot honderd. Als getal op zichzelf betekent dat niks, maar de onderlinge verhouding is wat telt. Zo leggen we iedere KPI op een weegschaal bij elkaar. In gezamenlijke sessies hebben we samen met de KNVB gekeken welke KPI’s belangrijk waren en hoe die gewogen moesten worden, wat liet zien hoe verschillende scenario’s zich tot elkaar verhouden.’
Volgens Van Dijk laat de RBS zien hoe verschillende vormen van impact in één model samenkomen: ‘Bij de categorie KPI financieel kijken we bijvoorbeeld niet alleen naar wat het kost, maar ook hoe je kunt besparen doordat bepaalde investeringen duurzaam zijn. Als je bijvoorbeeld investeert in rolstoelvriendelijke stadions, kun je deze faciliteiten daarna gebruiken voor andere evenementen. De factoren waar we bij inclusiviteit en naamsbekendheid naar kijken, zijn bijvoorbeeld de maatschappelijke erkenning en de toename van mensen met een beperking die gaan voetballen als we dit evenement organiseren.’
Janssen vindt het waardevol dat de analyse niet start bij de vraag of het evenement zich financieel terugverdient, maar bij de maatschappelijke betekenis ervan: ‘Inclusiviteit was voor ons een belangrijke drijfveer om deze casus te analyseren. We zijn niet gestart vanuit de vraag “verdient dit zich terug?”, maar willen juist breder kijken: wat betekent dit toernooi voor mensen met een beperking en voor de maatschappij?’.
Van Dijk: ‘Het geeft bestuurders een stevig fundament om keuzes te maken die verder gaan dan alleen de begroting. Het mooie van het RBS-model is dat je verschillende KPI’s kunt rangschikken en prioriteren. Zo wordt duidelijk wat voor de KNVB het zwaarst weegt – of dat nu inclusiviteit, naamsbekendheid of financiële haalbaarheid is – en kun je daarop gericht beslissingen nemen.’
Inmiddels is het onderzoek afgerond en zijn de aanbevelingen gepresenteerd aan interne stakeholders binnen KNVB. Janssen: ‘Met als doel dat zij het verder kunnen brengen richting onze directie en later de UEFA (Europese voetbalbond). De boodschap is dat, zelfs met verschillende brillen op, het waardevol is om dit plan voort te zetten.’
‘Onze ambitie is helder: wij geloven sterk dat een gezamenlijk EK Para-voetbal de toekomst is van het para-voetbal in Europa. Het organiseren van het eerste EK in 2030 is voor ons een serieuze ambitie, maar we zijn daarin afhankelijk van samenwerking en akkoord van de UEFA. Zonder dat fundament kan dit evenement geen duurzaam karakter hebben. Juist daarom werken we nu aan een sterk en overtuigend narratief.’
Voor de KNVB is het financiële plaatje niet het belangrijkste. Janssen: ‘Een gezamenlijk EK kost natuurlijk best wat geld. Maar zodra je meeneemt wat het doet voor inclusiviteit en naamsbekendheid, zie je dat het van grote waarde is voor de sport en de samenleving. Ik geloof écht in dit toernooi en dat dit de toekomst is van het para-voetbal. Het kan een enorme bijdrage leveren aan de zichtbaarheid van de sport. In 2026 richten we ons eerst op het uitwerken van een helder narratief richting onze directie'.
Van Dijk: ‘De samenwerking met de KNVB en hun expertise heeft ons echt geholpen om beter te begrijpen welke maatschappelijke rol het EK Para-voetbal kan spelen. Persoonlijk vind ik het belangrijk dat er meer kansen komen voor mensen met een beperking en ik denk dat we met deze casus daar weer een belangrijke stap in ingezet hebben.’