Op 22 januari 2026 stuurde minister Paul (SZW) de vierde voortgangsrapportage monitoring Wtp naar de Kamer. De transitie ligt op koers. Per 1 januari 2026 zijn in totaal dertig pensioenfondsen/kringen overgestapt, goed voor ongeveer tien miljoen deelnemers. In het restant van de eerste helft van 2026 volgen nog zes fondsen, in de tweede helft van 2026 nog eens vijftien. In 2027 maken 61 fondsen de overstap en op 1 januari 2028 de laatste 25. De uiterste transitiedatum blijft ongewijzigd. De totale pensioenbeheerkosten stegen in 2024 met 17,7 procent naar 1,4 miljard euro, mede door transitievoorbereidingen en ICT-investeringen. De verwachting is dat deze kosten na het zwaartepunt van de transitie (1 januari 2027) weer dalen. De minister benadrukt dat er geen ruimte is voor uitstelgedrag en roept alle partijen op om door te pakken.
De overstap levert direct tastbaar resultaat op. Volgens het nieuwsbericht van de Rijksoverheid zijn de pensioenen bij ingevaren fondsen gemiddeld met veertien procent structureel verhoogd, doordat in het nieuwe stelsel buffers gerichter worden ingezet en een groter deel van iedere euro naar de uitkering kan.
Op 26 februari 2026 bevestigde de Pensioenfederatie dit met concrete cijfers: meer dan 1 miljoen gepensioneerden zien hun uitkering stijgen, met verhogingen variërend van acht procent tot ruim twintig procent, afhankelijk van het fonds en de leeftijdscategorie. PFZW verhoogde met twaalf procent, bpfBOUW met 20,8 procent en Pensioenfonds Horeca & Catering met 18,8 procent. De Pensioenfederatie wijst er daarbij op dat een hogere uitkering gevolgen kan hebben voor toeslagen.
Ondanks de omvang van de transitie blijft het aantal klachten beperkt blijkt uit de voortgangsrapportage. Dit werd ook bevestigd door de Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP). In heel 2025 werden 426 geschillen geregistreerd, waarvan het overgrote deel betrekking heeft op pensioenberekening en informatieverstrekking, niet op de Wtp zelf. Het aantal civiele Wtp-zaken bij de Raad voor de Rechtspraak bleef onder de tien. Wel neemt naar verwachting het aantal Wtp-gerelateerde vragen duidelijk toe naarmate meer deelnemers overstappen.
Op 17 februari 2026 hebben Adfiz, VNO-NCW en MKB-Nederland een urgentiebrief opgesteld waarin werkgevers nadrukkelijk worden opgeroepen om vóór 1 juli 2026 te starten met het aanpassen van hun pensioenregeling. In de brief wordt gewezen op de ingrijpende financiële gevolgen wanneer een regeling niet op tijd is aangepast, en benadrukt dat álle contracten moeten worden gewijzigd, ook wanneer een overeenkomst geen einddatum heeft of als er wordt gekozen voor eerbiedigende werking. Werkgevers wordt geadviseerd als eerste stap contact op te nemen met een pensioenadviseur, die kan helpen bij het maken van keuzes, de communicatie met werknemers en de implementatie.
Dat urgentie geboden is, blijkt ook uit de hiervoor genoemde vierde voortgangsrapportage monitoring Wtp. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat voor een groot deel van de pensioenregelingen bij verzekeraars en ppi's nog geen besluit is genomen over de nieuwe regeling: op dit moment is pas voor 31 procent van de deelnemers bij ppi's en 22 procent van de deelnemers bij verzekeraars een besluit genomen.
Alle pensioenregelingen moeten uiterlijk 1 januari 2028 Wtp-proof zijn. Omdat het arbeidsvoorwaardelijke proces voor werkgevers vaak vele maanden in beslag neemt, wordt geadviseerd om uiterlijk 1 juli 2026 te starten met de aanpassing. Wanneer pensioenregelingen niet tijdig worden aangepast, kan dit ingrijpende fiscale gevolgen voor werknemers hebben.
Een bijzonder aandachtspunt bij de transitie van verzekerde regelingen betreft de individuele keuzemogelijkheid voor werknemers met een geëerbiedigde staffel om over te stappen naar de nieuwe vlakke premieregeling. Deze eenmalige en onomkeerbare keuze kan door de werkgever worden aangeboden, maar brengt risico's met zich mee. Vooral jongere werknemers zullen belangstelling hebben omdat de premie-inleg in de vlakke regeling voor hun leeftijd doorgaans hoger is. Werkgevers moeten er echter rekening mee houden dat dit kan leiden tot hogere totale pensioenpremies. Daarnaast is het essentieel dat werknemers vooraf duidelijk en cijfermatig worden geïnformeerd over de gevolgen, inclusief het feit dat er geen compensatie geldt bij nadelige effecten. Juridische risico's liggen op de loer wanneer werknemers later stellen onvolledig te zijn geïnformeerd. De pensioenuitvoerder is niet verplicht aan zo'n individuele keuze mee te werken, en als hij dat wel doet, is dat doorgaans onder strikte voorwaarden.
In december 2025 waren er twee uitspraken van rechters in Lelystad en Breda in procedures van deelnemers tegen PFZW. In beide zaken vroeg een deelnemer aan de rechter om het fonds op te dragen al zijn persoonsgegevens te delen, waaronder alle berekeningen voor het vaststellen van de pensioenuitkering. De rechters oordeelden echter dat een pensioenberekening geen persoonsgegeven is: het betreft de uitkomst van een rekenkundige formule die op alle pensioenen wordt toegepast. Hoewel het proces wordt gevoed met persoonsgegevens, is de berekening zelf dat niet. Deelnemers kunnen de berekening dus niet opeisen met een beroep op het AVG-inzagerecht.
Op 10 maart 2026 waarschuwde ombudsman Pensioenen Jeroen Steenvoorden in Pensioen Pro dat pensioenfondsen soms jarenlang te hoge bedragen communiceren, in pensioenoverzichten, brieven en andere uitingen, zonder dat deelnemers dit doorhebben. Wanneer de fout wordt hersteld, kan dat de financiële planning van deelnemers serieus raken: zij hebben mogelijk gerekend op de hogere bedragen en hun uitgavenpatroon daarop ingericht. De Ombudsman stelt dat het maatschappelijk begrip voor correcties afneemt naarmate te hoge bedragen langer zijn gecommuniceerd. Hij signaleert dat de bescherming van de collectiviteit in geschillen soms prevaleert boven die van het individu en pleit ervoor dat meer gebruik wordt gemaakt van gewenningsuitkeringen, zodat deelnemers de tijd krijgen hun financiële situatie aan te passen. Zijn oproep aan de wetgever en de Pensioenfederatie is helder: versterk de bescherming van het individu ten opzichte van het collectief. Dat is volgens hem niet alleen goed voor het vertrouwen in het pensioenstelsel, maar vormt ook een stimulans voor fondsen om hun administratie op orde te houden.
Nieuwe Q&A: premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid
Op 17 maart 2026 publiceerde Werken aan ons Pensioen een nieuwe Q&A die verduidelijkt welke pensioenregeling bij een verzekeraar of PPI wordt voortgezet wanneer een deelnemer ziek wordt tijdens de overgang van het oude naar het nieuwe pensioenstelsel. De toezegging hiertoe deed toenmalig minister Paul (SZW) tijdens het Commissiedebat Pensioenen van 29 januari 2026. De kern: de premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid kan onder het karakter van de oude pensioenregeling worden voortgezet wanneer de eerste ziektedag vóór de overgang naar het nieuwe stelsel ligt. Dit geldt ook voor deelnemers die op het moment van overgang ziek zijn en na afloop van de wachttijd arbeidsongeschikt worden verklaard.