19/01/26
Volgens het HvJ EU in X BV (C-585/22) is artikel 10a Vpb verenigbaar met EU recht Hoewel dit artikel een binnenlandse en een grensoverschrijdende situatie verschillend behandelt, is een dergelijk verschil gerechtvaardigd op basis van de noodzaak om belastingfraude en belastingontduiking te bestrijden. Bovendien achtte het Hof de werking van artikel 10a Vpb evenredig aan dit doel en nam zij een standpunt in met betrekking tot het eerder besloten Lexel AB-arrest (C-484/19).
Verder stelt het Hof dat, wanneer de kunstmatige aard van een bepaalde transactie voortvloeit uit een uitzonderlijk hoge rentevoet op een dergelijke lening die de economische realiteit weerspiegelt, vereist het evenredigheidsbeginsel dat een aanpassing wordt gemaakt voor het deel van de rente betaald op die lening die de marktconforme rente overschrijdt. Het weigeren van enige renteaftrek zou verder gaan dan wat nodig is om volledig kunstmatige constructies te voorkomen.
Wanneer daarentegen de lening zelf geen enkele economische rechtvaardiging heeft, en deze lening nooit zou zijn aangegaan indien er tussen de betrokken ondernemingen geen bijzondere betrekkingen bestonden en er geen belastingvoordeel werd nagestreefd, is het verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel om de aftrek van rente in zijn geheel te weigeren.
Zie onderaan dit artikel voor een jurisprudentie-update van 16 januari 2026.
Na het arrest van het HvJ EU, is het duidelijk dat het HvJ EU artikel 10a Wet Vpb 1969 in overeenstemming acht met het EU-recht. Als gevolg hiervan zijn er geen wetswijzigingen vereist door de Nederlandse wetgever. Bezwaren tegen belastingaanslagen die een Lexel AB-argument bevatten, zullen naar verwachting door de belastingautoriteiten worden afgewezen, en eerder afgewezen bezwaren hoeven niet opnieuw te worden bekeken.
Voor het HvJ EU is het duidelijk dat marktconforme voorwaarden niet voldoende zijn om het recht op renteaftrek te waarborgen. Er moet een logische economische reden zijn voor het verstrekken van de lening. Het is aan de Hoge Raad om het arrest van X BV te interpreteren binnen de huidige kaders van het Unierecht, en het Nederlandse belastingrecht waarbij de beoordeling van marktvoorwaarden onder toepassing van het arm's-lengthbeginsel voorafgaat aan de toepassing van de rentebeperkingsregels. Lees onderaan dit artikel in ‘Eindarrest Hoge Raad’ wat de Hoge Raad heeft beslist.
De zaak betreft X, een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap, die deel uitmaakt van een multinationale groep van ondernemingen. Tot deze groep behoren onder andere de vennootschappen A en C, die beide in België zijn gevestigd. A is de enig aandeelhouder van X en de meerderheidsaandeelhouder van C. In 2000 verwierf X de meerderheid van de aandelen (78%) van F, een naar Nederlands recht opgerichte besloten vennootschap, waarin A de overige aandelen verwierf. X financierde deze overname met geldleningen verstrekt door C. De door C aan X verstrekte geldleningen financierde C met eigen vermogen dat als kapitaal was ingebracht door A. De Belastingdienst weigerde in het onderhavige jaar, 2007, de renteaftrek van X inzake de door X aan C betaalde rente door toepassing van artikel 10a Wet Vpb 1969. X betwistte dit onder andere op Unierechtelijke gronden. In 2020 handhaafde het Gerechtshof de renteaftrekbeperking op de grondslag dat artikel 10a Wet Vpb 1969 niet met de EU-verdragsvrijheden onverenigbaar is. X ging in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad stelde het HvJ EU prejudiciële vragen over de verenigbaarheid van de renteaftrekbeperking met het EU-recht. Ook vroeg de Hoge Raad het HvJ EU om opheldering over de overwegingen van het HvJ EU in de zaak Lexel AB (C-484/19) waarin het HvJ EU oordeelde dat bij transacties die “at arm’s length” zijn uitgevoerd geen sprake is van misbruik/kunstmatigheid.
Het HvJ EU overweegt dat het vrije verkeer van vestiging van toepassing is. Het HvJ EU overweegt dat artikel 10a Wet Vpb 1969 weliswaar zonder onderscheid van toepassing is, maar de facto een verschil in behandeling in het leven roept tussen binnenlandse en grensoverschrijdende situaties die de uitoefening van de vrijheid van vestiging kan aantasten. Dit verschil in behandeling heeft betrekking op objectief vergelijkbare situaties, aangezien de positie van de Nederlandse debiteur gelijk is, ongeacht of de rente aan een Nederlandse of buitenlandse crediteur verschuldigd is. Het verschil in behandeling kan echter worden gerechtvaardigd uit misbruikbestrijdingsoverwegingen. Het HvJ EU verwijst daarbij onder meer naar de Deense zaken (N Luxembourg 1 e.a.) en de Nederlandse Groupe Steria-zaken (X en X (C-398/16 en C-399/16)) . Deze rechtvaardigingsgrond geldt ook wanneer de verworven vennootschap pas na de verkrijging of uitbreiding met de belastingplichtige verbonden is.
Het HvJ EU acht artikel 10a Wet Vpb 1969 in het licht van de doelstellingen van deze bepaling geschikt en proportioneel. Het HvJ EU overweegt dat 'hoewel artikel 10a een vermoeden van een volstrekt kunstmatige constructie introduceert, dit vermoeden door belastingplichtige kan worden weerlegd. Dit, door aan te tonen dat aan de dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a, lid 3, onderdeel a of onderdeel b, Wet Vpb 1969 is voldaan’ . Het HvJ EU geeft daarbij aan dat ‘onderdeel a betrekking heeft op zowel de reden voor de lening en de daarmee samenhangende rechtshandeling als de objectieve elementen die kenmerkend zijn voor deze lening en rechtshandeling, waarbij de belastingplichtige moet aantonen dat zij gerechtvaardigd zijn door zakelijke overwegingen en dat zij zonder deze bijzondere betrekkingen tussen lichamen hadden kunnen worden overeengekomen’. Voor de EU-analyse overweegt het HvJ EU dat ‘het onderzoek naar de naleving van marktconforme voorwaarden niet alleen betrekking heeft op de bedingen van de leningsovereenkomst die met name betrekking hebben op het bedrag of de rentevoet, maar ook op de economische logica van de betrokken lening en van de daarmee verband houdende rechtshandelingen’.
Volgens het HvJ EU vereist het evenredigheidsbeginsel dat de weigering van het recht op aftrek beperkt blijft tot het deel van het rentebedrag dat uitgaat boven het rentebedrag dat zou zijn overeengekomen indien er geen bijzondere betrekking tussen de partijen zou zijn geweest . Tevens overweegt het HvJ EU dat wanneer de betrokken lening zelf niet economisch gerechtvaardigd is, de lening nooit zou zijn aangegaan indien er tussen de betrokken ondernemingen geen bijzondere band had bestaan en er geen belastingvoordeel werd nagestreefd, is het verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel om de aftrek van rente in zijn geheel te weigeren. Dit, aangezien de belastingdienst een dergelijke volstrekt kunstmatige constructie moet negeren bij het vaststellen van de verschuldigde vennootschapsbelasting.
Volgens het HvJ EU impliceert het gebruik van abstracte begrippen in artikel 10a Wet Vpb niet dat de toepassing van deze bepaling volledig wordt overgelaten aan de beoordelingsvrijheid van de Belastingdienst. Het rechtszekerheidsbeginsel is daarmee niet geschonden, aldus het HvJ EU.
Naar onze mening, heeft het HvJ EU zijn uitspraak in Lexel AB voor wat betreft de kwalificatie van een lening als kunstmatige constructie niet ongedaan gemaakt. Integendeel, het Hof heeft naast de voorwaarde dat de lening tegen marktconforme voorwaarden moet worden afgesloten, een economische realiteitstoets toegevoegd.
Vrijdag 16 januari 2026 heeft de Hoge Raad zijn eindarrest gewezen. De Hoge Raad oordeelt:
De Hoge Raad beslist dat in de gevallen waarop art. 10a Wet Vpb 1969 betrekking heeft, het kunstmatige karakter van de lening als (onderdeel van) de constructie zijn oorsprong vindt in de omleiding van eigen vermogen van een groep, welk eigen vermogen op kunstmatige wijze bij een Nederlands lichaam van die groep wordt gepresenteerd als vreemd vermogen, en in de omstandigheid dat de rente ter zake van een dergelijke lening in aftrek kan worden gebracht op het in Nederland belastbare resultaat. In die gevallen weerspiegelt de omzetting in vreemd vermogen, en dus de lening, niet de economische realiteit zoals bedoeld in het arrest X BV en is het karakter van die lening volstrekt kunstmatig. De nationale maatstaf van artikel 10a Wet Vpb 1969 is volgens de Hoge Raad niet strenger geformuleerd dan de Unierechtelijke maatstaf. De maatstaf dat de financiering niet zou zijn aangegaan zonder enige bedrijfseconomische reden kan niet door het Hof van Justitie zijn bedoeld.
Kortom, volgens de Hoge Raad is de rente door de inspecteur terecht in aftrek beperkt.
Daarnaast heeft de Hoge Raad sinds de antwoorden van de HvJ EU ook twee ander arresten gewezen over renteaftrekbeperking, namelijk het arrest in de ‘brillenzaak’ (ECLI:NL:HR:2025:1250) en de ‘koffiezaak’ (ECLI:NL:HR:2025:1960). De Hoge Raad oordeelt in deze zaken dat ondanks dat een geslaagd beroep kan worden gedaan op de tegenbewijsmogelijkheid van artikel 10a, lid 3, onderdeel a Wet Vpb 1969, de rente geheel van aftrek kan worden uitgesloten indien sprake is van fraus legis. Ook als niet is gehandeld in strijd met doel en strekking van artikel 10a Wet Vpb 1969 kan namelijk sprake zijn van strijd met doel en strekking (misbruik) van de Wet Vpb 1969 als geheel. Dat doet zich voor in het geval van winstdrainage, waarvan in dit geval sprake is. Alleen als bij de geldverstrekker sprake is van een financiële spilfunctie, hetgeen in casu niet het geval is, is uitgesloten dat ter zake van diezelfde lening wordt voldaan aan het motiefvereiste voor toepassing van het leerstuk van wetsontduiking (fraus legis).