17/06/26
Een bank (A) verstrekt kredieten voor woningen, verkoopt deze aan een groepsvennootschap (B) die deze gebruikt ter afdekking van uitgegeven obligaties. A blijft de kredieten vervolgens zelf beheren tegen vergoeding. In de zaak A Oy (T-184/25) oordeelt het Gerecht dat in zulke gevallen geen sprake is van een btw-vrijgestelde (beheer)dienst door degene die het krediet heeft verleend. De uitleg van het Gerecht in de zaak leidt er mogelijk toe dat bij kredietbeheerdiensten door banken en andere financiële instellingen in meer gevallen niet meer onder de btw-vrijstelling vallen.
Voor financiële instellingen die kredieten overdragen, lijkt het gevolg dat beheersdiensten die de oorspronkelijke kredietgever na de overdracht van de kredieten aan de overnemer blijft verrichten en factureren, in beginsel met btw-belast zijn.
Voor de overnemende vennootschap, wiens handelingen in beginsel btw-vrijgesteld zijn, zal de op de beheersvergoeding drukkende btw veelal niet aftrekbaar zijn en dus een definitieve kostenpost vormen. Dit verhoogt de kosten in dergelijke structuren. Hoewel de zaak een Finse situatie betreft, werkt de uitleg van de Btw-richtlijn door in alle lidstaten, waaronder Nederland.
Uit de verwijzingsbeschikking en het arrest blijkt dat de kredieten worden verkocht, dat alle aan de leningen verbonden rechten en verplichtingen van A naar B overgaan en dat de overdracht geen tussenkomst van de kredietnemer of de schuldenaar vereist. De uitspraak van het Gerecht heeft dus in eerste instantie betrekking op die situatie. Niet duidelijk is of dezelfde uitleg van toepassing is op de in Nederland gangbare variant van stille cessie. Doordat het Gerecht het (btw-vrijgestelde) beheer koppelt aan de kredietrelatie en rechtsbetrekking tussen de kredietgever en de kredietnemer, is niet geheel duidelijk of bij de overdracht van de kredietvorderingen via stille cessie sprake is van btw-belast beheer van kredieten.
Ons PwC Financial Services team denkt graag met je mee. Neem gerust contact met ons op voor vragen of meer informatie.
Overdracht van kredieten
A Oy is het hoofdkantoor van een Finse bank en staat aan het hoofd van de fiscale eenheid van haar groep. Een groot deel van de door A verstrekte kredieten (voor woningen) wordt tegen marktprijs verkocht aan B Oy, een 100%-dochter die geen deel uitmaakt van diezelfde fiscale eenheid. Daarbij gaan alle aan de kredieten verbonden rechten en verplichtingen op B over. Het grootste deel van de verkochte kredieten dient als zekerheid voor de door B uitgegeven obligaties.
Hoewel de kredieten worden overgedragen, blijft A verantwoordelijk voor het beheer en vervult zij daartoe uiteenlopende taken, zoals klantenservice, administratie, de berekening van aflossingen, rente en kosten, wijzigingen van de lening en beslissingen over bijvoorbeeld herfinanciering. A treedt daarbij namens B op tegenover de kredietnemers en ontvangt voor dit beheer een marktconforme vergoeding op basis van de werkelijke kosten plus een winstmarge (cost-plus).
De vraag aan het Gerecht
De Finse centrale belastingcommissie had geoordeeld dat dit kredietbeheer een btw-vrijgestelde financiële dienst vormde. De Finse belastingdienst kwam daartegen op. Volgens haar geldt de btw-vrijstelling voor "beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend" uitsluitend wanneer dezelfde partij zowel kredietgever als kredietbeheerder is, en A was na de verkoop niet langer de kredietgever. De Finse hoogste bestuursrechter stelde prejudiciële vragen over de reikwijdte van artt. 135(1)(b), (c) en (d) Btw-richtlijn.
Geen sprake van btw-vrijgestelde dienstverlening
De btw-vrijstelling voor beheer van krediet en de bewoordingen "door degene die deze heeft verleend" leveren in de verschillende taalversies van de Btw-richtlijn geen eenduidig antwoord op. Het Gerecht legt de vrijstelling strikt uit en koppelt het beheer aan de kredietrelatie tussen de kredietverstrekker en de kredietnemer. Daarbij lijkt het Gerecht de vrijstelling niet toepasbaar te achten op diensten verricht buiten deze relatie. Zodra de oorspronkelijke kredietgever de kredieten aan een derde overdraagt en deze oorspronkelijke kredietgever het beheer blijft uitvoeren, valt het beheer buiten de rechtsverhouding tussen kredietgever en kredietnemer. De vrijstelling mist in dat geval toepassing en lijkt alleen te werken in de relatie tussen de huidige kredietgever en de kredietnemer.
Het Gerecht verduidelijkt verder dat de btw-vrijstellingen voor het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, en voor handelingen betreffende schuldvorderingen, evenmin van toepassing zijn.