20/05/26
Op 13 mei 2026 wees het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn arrest in de zaak Stellantis Portugal (C-603/24), een al lang lopend geschil over de vraag of aanpassingen van verrekenprijzen aan het einde van het jaar binnen een multinationale groep moeten worden aangemerkt als tegenprestatie voor een aan btw onderworpen dienst. Het Hof oordeelde dat dergelijke aanpassingen op zichzelf geen tegenprestatie vormen voor een aan btw onderworpen dienst, tenzij er tussen de ondernemingen een rechtsbetrekking bestaat die een rechtstreeks verband legt tussen de verleende diensten en de aanpassing.
General Motors Portugal (GMP), later overgenomen door Stellantis Portugal, trad op als national sales company in Portugal. Zij kocht voertuigen bij Europese OEM's van de General Motors-groep en verkocht deze door aan onafhankelijke Portugese dealers. De dealers voerden reparaties uit in het kader van garantieverplichtingen, terugroepacties en pechhulp, en brachten hun kosten, vermeerderd met btw, in rekening aan GMP.
Op grond van een overeenkomst werden de verrekenprijzen van de door de OEM's aan GMP verkochte voertuigen aan het einde van elke referentieperiode aangepast om GMP een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen. De aanpassing kreeg de vorm van een credit- of debetnota die de OEM's aan GMP uitreikten en weerspiegelde de distributiekosten van GMP, waaronder reparatiekosten en exploitatiekosten zoals personeel, elektriciteit en marketing.
Na een controle herkwalificeerde de Portugese belastingdienst de regeling als een door GMP aan de OEM's verrichte reparatiedienst en legde een btw-naheffing op. Na tegenstrijdige nationale uitspraken vroeg de Portugese verwijzende rechter aan het HvJ EU of dergelijke aanpassingen binnen de werkingssfeer van de btw vallen.
Het HvJ EU verwees om te beginnen naar zijn eerdere rechtspraak, een dienst wordt slechts onder bezwarende titel verricht als er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verleende dienst en de ontvangen vergoeding, binnen een rechtsbetrekking waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld.
In de zaak Stellantis Portugal was de rechtsbetrekking tussen GMP en de OEM's gebaseerd op de interne overeenkomst, die de verrekenprijzen regelde en tot doel had een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen, en niet om een reparatieverplichting van GMP jegens de OEM's te creëren. Geen van de bedingen wees erop dat GMP verplicht was om, tegen vergoeding, de door haar gekochte voertuigen te repareren.
Het HvJ EU merkte op dat de aanpassingen werden berekend op basis van alle distributie- en exploitatiekosten van GMP, niet alleen de reparatiekosten, en konden leiden tot zowel credit- als debetnota's, afhankelijk van de beoogde winstmarge. Zodra de vooraf bepaalde winstmarge was behaald, had GMP geen zekerheid dat haar reparatiekosten zouden worden vergoed. Een eventueel verband met een reparatiedienst was dus hoogstens indirect.
Dit arrest is relevant voor internationaal opererende organisaties die verrekenprijscorrecties aan het einde van het jaar toepassen. Volgens het HvJ EU mogen dergelijke aanpassingen niet standaard worden behandeld als tegenprestatie voor een aan btw onderworpen dienst. Zij vallen alleen binnen de werkingssfeer van de btw als tegenprestatie voor diensten wanneer er bewijs is van een rechtstreeks verband tussen de aanpassing en een individualiseerbare dienst tussen de groepsondernemingen. Het HvJ EU maakte ook duidelijk dat het enkele opnemen van dienstgerelateerde kosten in een verrekenprijsformule niet automatisch zo'n rechtstreeks verband tot stand brengt. Wanneer de aanpassing afhangt van bredere winstgevendheids- en kostenfactoren, kan een eventueel verband met een dienst hoogstens indirect zijn.
Het arrest bevestigt en zet de bestaande lijn in de rechtspraak voort over de noodzaak van een rechtstreeks verband tussen een dienst en de ontvangen tegenprestatie, maar laat een aantal bredere en complexere vragen op het snijvlak van verrekenprijzen en btw grotendeels onbeantwoord.
In haar conclusie in de zaak Stellantis Portugal uitte advocaat-generaal Kokott bedenkingen bij de praktische handvatten die het eerdere arrest van het HvJ EU in Arcomet Towercranes (C-726/23) bood. De advocaat-generaal stelde een meer gestructureerde benadering voor van de btw-gevolgen van verrekenprijscorrecties, waarbij zij drie situaties met mogelijk verschillende btw-uitkomsten onderscheidde (zoals beschreven in onze eerdere tax alert). Het HvJ EU neemt dit bredere kader niet uitdrukkelijk over, maar beperkt zijn antwoord tot de toets van het rechtstreekse verband en de specifieke verrekenprijscorrectie die voorlag.
Voor organisaties betekent dit dat het van belang is om groepsinterne verrekenprijsbeleid en onderbouwende documentatie tegen het licht te houden om te bevestigen of de true-ups aan het einde van het jaar zijn vastgelegd als prijsaanpassingen of als betaling voor een individualiseerbare groepsinterne dienst. Het is ook de moeite waard om te bekijken of historische aanpassingen in plaats daarvan moeten worden behandeld als aanpassingen van de maatstaf van heffing van de onderliggende prestatie.
Ons PwC Indirect Tax-team staat klaar om je hierbij te adviseren en te ondersteunen. Neem gerust contact met ons op met vragen of voor meer informatie.