Geen uitbreiding btw-zorgvrijstelling binnen fiscale eenheid btw

12/06/26

Het Gerecht van de EU ('Gerecht') verduidelijkt in de zaak Cavert (T-444/25) dat toepassing van de btw-vrijstelling per lid van de fiscale eenheid moet worden beoordeeld en niet voor de fiscale eenheid als geheel. Verricht een niet-erkend lid van de fiscale eenheid de prestatie, dan deelt deze niet in de vrijstelling, óók als een ander lid wél erkend is.

Wat betekent dit voor jouw organisatie?

De uitspraak van het Gerecht sluit grotendeels aan bij de Nederlandse praktijk, waardoor de praktische impact beperkt blijft. Wel biedt het arrest bij de zaak Cavert de verduidelijking dat een erkenning van één lid binnen de fiscale eenheid niet automatisch doorwerkt naar de andere leden.

Voor organisaties die activiteiten van algemeen belang verrichten, kan dit arrest relevant zijn wanneer ondersteunende activiteiten zijn ondergebracht in aparte personen binnen dezelfde fiscale eenheid. Wordt de prestatie verricht door een niet-erkend lid, dan is de vrijstelling niet van toepassing. Ook niet wanneer een ander groepslid wél is erkend.

Detachering vanuit personeels-BV

Vanwege de krappe arbeidsmarkt zien we in de praktijk veel zorg- en onderwijsinstellingen werken met een afzonderlijke personeels-BV als deelneming, die personeel detacheert. De detachering vanuit een dergelijke personeels-BV is in beginsel belast met btw.

De vraag was of de zaak Cavert daar verandering in gaat brengen, maar dat is niet het geval. De personeels-BV kan op basis van dit arrest naar onze mening geen beroep doen op de erkenning van haar aandeelhouder en daarmee is een detachering vanuit een dergelijke personeels-BV in beginsel belast met btw. De erkenning van een ander groepslid biedt daarbij geen uitkomst, want de toets vindt plaats op het niveau van de personeels-BV die de dienst feitelijk verricht. Van belang is dus om in kaart te brengen welke entiteit binnen de fiscale eenheid btw detacheert en of die entiteit zelf is erkend.

 

Erkenning als zorginstelling of inrichting van sociale aard

Het arrest in de zaak Cavert maakt de vraag welk groepslid precies 'erkend' is binnen de fiscale eenheid bepalend. In de Nederlandse context is dat geen sluitend gegeven. De Wet OB geeft geen uitsluitsel over wanneer een zorginstelling of instelling van sociale aard als zodanig is erkend en ook andere wetgeving biedt daarvoor geen houvast.

De Nederlandse Hoge Raad neemt in deze zaak erkenning van de stichting en niet-erkenning van de vennootschap aan, maar de grondslag daarvoor blijft onduidelijk. Dit betekent dat je per entiteit moet vaststellen of, en op welke grond, sprake is van een erkenning. Het verdient aanbeveling die erkenning waar mogelijk vooraf met de Belastingdienst af te stemmen, zodat je zekerheid hebt over de btw-behandeling van je prestaties.

Doorwerking naar andere vrijstellingen

De vraag is nog of dezelfde lijn opgaat voor alle vrijstellingen. De redenering van het Gerecht leunt sterk op het karakter van de vrijstellingen als activiteiten van algemeen belang en op het beginsel van fiscale neutraliteit. Of dezelfde lijn één-op-één van toepassing is op andere vrijstellingen, of in bredere zin op andersoortige subjectvoorwaarden, is daarmee nog niet gezegd.

Ons PwC Indirect Tax-team staat klaar om je hierbij te adviseren en te ondersteunen. Neem gerust contact met ons op met vragen of voor meer informatie.

 

Achtergrond

De casus in het kort

De zaak Cavert draait om een Nederlandse fiscale eenheid omzetbelasting, bestaande uit twee stichtingen en drie besloten vennootschappen, die zich allemaal richten op de zorg voor personen met een verstandelijke beperking. Slechts één van de stichtingen is naar behoren erkend als instelling voor verzorging en verpleging én als instelling van sociale aard. Een van de vennootschappen ('vennootschap Y') verleent op afstand toezicht aan cliënten voor zowel de entiteiten in de fiscale eenheid als voor derde partijen.

De kern van het geschil

Vennootschap Y paste een btw-vrijstelling toe op haar diensten. De Belastingdienst weigerde dit, omdat vennootschap Y zelf niet erkend was en dus niet aan alle vrijstellingsvoorwaarden voldeed. Het gerechtshof oordeelde dat de voorwaarden op groepsniveau moeten worden getoetst en dat één erkend lid in de fiscale eenheid btw volstaat voor toepassing van een btw-vrijstelling. De staatssecretaris ging in cassatie, waarna de Hoge Raad twee prejudiciële vragen stelde aan het HvJ EU. Het HvJ EU heeft de zaak vervolgens doorgezonden naar het Gerecht. Met de eerste vraag wilde de Hoge Raad weten of de vrijstellingen alléén gelden als het lid dat de dienst verricht individueel aan alle voorwaarden voldoet. De tweede vraag, gesteld voor het geval de eerste ontkennend zou worden beantwoord, was of het volstaat dat slechts één lid van de fiscale eenheid aan alle voorwaarden voldoet, mede in het licht van de door NEderland gebruikte mogelijkheid om de vrijstelling afhankelijk te stellen van het ontbreken van een winstoogmerk.

 

De overwegingen van het Gerecht

Het Gerecht bevestigt eerst dat een fiscale eenheid als één belastingplichtige moet worden aangemerkt en dat een individueel lid niet als afzonderlijke belastingplichtige telt. Toch sluit dat niet uit dat moet worden vastgesteld of de dienstverlener voldoet aan de voorwaarden over zijn hoedanigheid wanneer de groep een beroep doet op de vrijstelling. Die twee vragen staan namelijk los van elkaar.

Vervolgens benadrukt het Gerecht dat vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, omdat ze een uitzondering vormen op de hoofdregel dat elke dienst btw-belast is. Voor zowel de medische vrijstelling als de sociale vrijstelling gelden twee cumulatieve voorwaarden: één over de aard van de dienst en één over de hoedanigheid van de dienstverlener, die naar behoren erkend moet zijn. Het Gerecht wijst erop dat deze vrijstellingsbepalingen verwijzen naar erkende 'inrichtingen' en 'instellingen', en níet naar het begrip belastingplichtige. Een strikte uitleg pleit er daarom voor bij de hoedanigheidsvoorwarade te kijken naar het lid dat de dients feitelijk verricht.

Een ruime uitleg zou bovendien botsen met het doel van de erkenningseis en met het beginsel van fiscale neutraliteit. Het zou immers oneerlijk zijn als dezelfde dienst van een niet-erkende ondernemer buiten een fiscale eenheid wél belast is, maar binnen een fiscale eenheid niet.

De uitspraak

Het Gerecht legt uit dat een fiscale eenheid zich alleen op de vrijstelling kan beroepen als het lid dat de dienst aan derden verricht zélf aan álle voorwaarden voldoet, inclusief de erkenning als instelling voor medische verzorging of van sociale aard. Aan de tweede prejudiciële vraag komt het Gerecht daardoor niet meer toe.

Contact us

Rick van Bergenhenegouwen

Rick van Bergenhenegouwen

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 396 30 85

Anja van der Linden

Anja van der Linden

Senior Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 755 96 78

Paul Geurten

Paul Geurten

Senior Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 15 13

Volg ons