Gemeenten spelen een centrale rol bij de aanleg van al die warmtenetten. Eind 2025 is de Wet collectieve warmte aangenomen. Daar staat dat de gemeente de regie over de aanleg van warmtenetten krijgt. De komende vier jaar zijn daarom cruciaal. Als uit jouw warmteprogramma volgt dat voor een of meerdere warmtekavels een collectief warmtesysteem (warmtenet) gewenst is, dan moet uw gemeente een warmtebedrijf aan gaan wijzen dat het warmtenet gaat beheren. Gemeenten moeten keuzes maken over het meefinancieren van de aanleg van warmtenetten. Het nieuwe college moet weten wat het maximale bedrag is dat zij gaan investeren in warmte en hoe alle financiële risico’s goed te beheersen zijn.
Met de nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw) is de gemeente nadrukkelijk aangewezen als regisseur van de warmtetransitie. Als regisseur bepaalt de gemeente welk warmtebedrijf wordt toegelaten in de gemeente. Daarbij kan de gemeente bepaalde eisen stellen. Bovendien moet de gemeente het gesprek met de eigen inwoners aangaan voor het verkrijgen van draagvlak.
Als een gemeente een warmtenet wil aanleggen dan moeten ze een bedrijf zoeken dat het warmtenet gaat beheren. Dit warmtebedrijf moet voor meer dan 50 procent in publieke handen zijn. De gemeente kan (en is dus niet verplicht) ervoor kiezen zelf als aandeelhouder aan het warmtebedrijf deel te nemen. Een alternatief is dat de gemeente het warmtebedrijf met andere partijen opzet, bijvoorbeeld met de provincie of netwerkbedrijven (zoals Liander, Stedin of Enexis). Als aandeelhouder is de gemeente dan betrokken bij het opzetten en de inrichting van het publieke warmtebedrijf. De gemeente moet in dat geval keuzes maken over de investeringen die zij als aandeelhouder wil doen en welke financiële risico’s de gemeente bereid is te nemen. Daarin is het voor de gemeente van belang om duidelijke afspraken te maken met de mogelijke andere aandeelhouders over bijvoorbeeld de verdeling van de risico’s.
Het warmtebedrijf moet vervolgens met een solide en werkbaar investerings- en financieringsplan komen. Hierin komen alle benodigde investeringen te staan. De gemeente kijkt mee met het investeringsplan en kan de plannen toetsen aan haar eigen ambities, zoals haalbaarheid, betaalbaarheid en maatschappelijke impact. Ook de ACM beoordeelt het investeringsplan.
Een essentieel onderdeel van het investeringsplan is het financieringsplan met als uiteindelijke doel te komen tot een Final Investment Decision (FID). Het warmtebedrijf en de gemeente kunnen hierbij Europese en nationale subsidies benutten. Vanuit het Rijk zijn er verschillende subsidiemogelijkheden beschikbaar gesteld voor de verschillende onderdelen van de warmteketen, van opwek tot de aansluiting in huis. Denk aan de SDE++, EIA, WIS, VEKI, DEI en DEMUVA. Dit geheel aan subsidies kan helpen de aanleg van dergelijke netten te vergemakkelijken.
De gemeente kan er eveneens voor kiezen zelf een (achtergestelde) lening aan het warmtebedrijf te verlenen of de gemeente kan een garantie afgeven aan een bank die de lening verstrekt. Een voorbeeld is de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) of het warmtefonds. Bij een lening vanuit de BNG moet er een publieke partij zoals een gemeente zijn die garant staat. De gemeente moet zich daarbij bewust zijn van relevante risico’s en tijdig passende beheersmaatregelen treffen. Verder zal de gemeente haar financiering (lening of garantie) moeten toetsen aan de staatsteunregels.
Het is van belang dat de gemeente en het warmtebedrijf tijdig inzicht krijgen in de fiscale gevolgen, zodat zij de financierings- en rechtspersonenstructuur optimaal vorm kunnen geven. Verkeerde keuzes kunnen betekenen dat op een later moment belastingen te betalen zijn die voorkomen hadden kunnen worden of dat niet voldoende gebruik is gemaakt van gunstige fiscale maatregelen. Een tijdige fiscale scan voorkomt verassingen op een later moment. De fiscaliteit komt in alle stappen van het proces aan de orde. Denk bijvoorbeeld aan:
Het warmtebedrijf moet voldoen aan strenge eisen op het gebied van organisatorische en technische deskundigheid. Dit betekent dat de interne organisatie stevig moet zijn opgezet, met duidelijke interne processen en effectieve beheersmaatregelen (AO/IC). Bovendien moet het warmtebedrijf aantoonbaar beschikken over de juiste kennis, ervaring en structuur om een betrouwbare, veilige en efficiënte warmtevoorziening te waarborgen. Ook dienen alle klant- en factuurprocessen zorgvuldig te zijn ingericht, zodat het bedrijf haar dienstverlening optimaal kan uitvoeren.
Concluderend is de komende coalitieperiode beslissend voor de warmtetransitie: gemeenten moeten hun regierol gaan invullen, keuzes maken over warmteprojecten, keuzes maken of de medefinanciering, zorgen voor het beheersen van de risico’s en tijdig de fiscale uitdagingen in kaart brengen. Zonder die keuzes en voorbereiding dreigt vertraging van de uitrol van warmtenetten en raakt het doel van een duurzame warmtevoorziening in 2050 verder uit zicht.
Peter van Asperen
Anja van der Linden