15/04/26
Op 9 april 2026 heeft de minister van Werk en Participatie de Tweede Kamer geïnformeerd over de kabinetskoers rondom het werken met en als zelfstandige(n). Er moet meer rust en duidelijkheid komen, met nadruk op wat wél kan. Opdrachtgevers en zelfstandigen krijgen meer duidelijkheid over hoe ze binnen de huidige regels kunnen samenwerken. Tegelijk blijft de overheid streng optreden tegen schijnzelfstandigheid. De handhaving wordt verder geïntensiveerd en stapsgewijs opgevoerd richting 2030. Het veelbesproken wetsvoorstel Vbar (Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden) wordt grotendeels ingetrokken. Alleen het rechtsvermoeden van werknemerschap blijft over en moet zo snel mogelijk in werking treden. In plaats van Vbar komt er een nieuwe Zelfstandigenwet die voor meer structurele duidelijkheid over de situaties waarin het wél kan moet zorgen.
De kabinetskoers biedt ruimte om met zelfstandigen te blijven werken, maar vraagt tegelijkertijd om scherpte in de praktijk. De Belastingdienst handhaaft sinds 2025 weer actief op schijnzelfstandigheid en vanaf 2026 kunnen ook vergrijpboetes worden opgelegd. Het is daarom essentieel om arbeidsrelaties met zelfstandigen tijdig en zorgvuldig te beoordelen en dit proces goed te documenteren. Daarbij is het van belang om niet alleen naar de opdracht zelf te kijken, maar deze ook te positioneren binnen het bredere ondernemerschap van de opdrachtnemer.
Het kabinet zet een streep door het verduidelijkingsgedeelte van wetsvoorstel Vbar, dat per 1 juli 2026 in werking zou treden en bedoeld was om preciezer te omschrijven wanneer iemand in dienst of als zelfstandige werkt. Het voorgestelde regime kreeg veel kritiek omdat het strenger leek dan de bestaande regels en jurisprudentie. Door dit gedeelte te schrappen, wil het kabinet de onrust en terughoudendheid bij opdrachtgevers wegnemen. Het signaal is dat werken met zzp’ers binnen de huidige wetgeving prima mogelijk is, als je de opdracht maar goed vormgeeft en ook feitelijk zo uitvoert.
Wat blijft, is het rechtsvermoeden. Werkt een zelfstandige onder een bepaald uurtarief (indicatief €38 per uur in 2026), dan kan de zelfstandige zich op het rechtsvermoeden beroepen en stellen dat sprake is van een dienstverband. Pas als de opdrachtnemer dit rechtsvermoeden heeft ingeroepen, is het vervolgens aan de opdrachtgever om aan te tonen dat er geen sprake is van een dienstverband. Dit rechtsvermoeden is vooral bedoeld om kwetsbare zelfstandigen met lage tarieven te beschermen en misbruik aan de onderkant van de arbeidsmarkt tegen te gaan. Het rechtsvermoeden heeft alleen civielrechtelijke werking; fiscale gevolgen spelen pas nadat is vastgesteld dat daadwerkelijk een dienstbetrekking bestaat. De drempel van het uurtarief wordt halfjaarlijks gekoppeld aan het minimumloon en geïndexeerd.
Het kabinet streeft naar een snelle invoering van het rechtsvermoeden, met publicatie in het Staatsblad uiterlijk op 31 augustus 2026.
Parallel aan het intrekken van het verduidelijkingsgedeelte van de Wet Vbar kondigt het kabinet een Zelfstandigenwet aan. Dit is een apart wetsvoorstel dat al eerder door Tweede Kamerleden als initiatiefwetsvoorstel is voorbereid. Het kabinet stelt dat uit recentere arresten Deliveroo en Uber is gebleken dat in veel situaties wél met zzp’ers kan worden gewerkt omdat zij als ondernemer kunnen worden aangemerkt. Die lijn wordt doorgetrokken.
De Zelfstandigenwet beoogt vooraf meer duidelijkheid te geven over wanneer inzet als zzp’er binnen deze kaders mogelijk is, inclusief de daarbij behorende verantwoordelijkheden. Daarbij staat de zelfstandige centraal. Schijnzelfstandigheid voor werkenden in een kwetsbare positie wordt nog steeds tegengegaan.
Al op korte termijn wil het kabinet door middel van een campagne laten zien hoe wél met zzp’ers kan worden gewerkt. Het afwegingskader van de Belastingdienst wordt aan deze lijn aangepast.
De aangepaste koers biedt weer ruimte voor de inhuur van zelfstandigen door de overheid zelf, aldus de minister. In een interview geeft hij aan dat sectoraal onderscheid kan worden gemaakt.
Vervolgens zet het kabinet bij de verdere uitwerking van deze Zelfstandigenwet nadrukkelijk in op een breed draagvlak. De achterliggende gedachte is om meer duidelijkheid aan de voorkant te bieden, in ruil voor het nemen van verantwoordelijkheid door de zelfstandige zelf.
Waar het kabinet een soepeler benadering van de problematiek voorstaat, blijft de handhaving onverminderd een serieuze zaak. In de kamerbrief wordt expliciet gesteld dat de markt niet gediend is met “zigzagbeleid”. Ofwel, na jaren van onzekerheid komen er nu duidelijke spelregels en consequente handhaving. Naleving van de regels is voor iedereen belangrijk, niet alleen voor de loonheffingen, maar ook bijvoorbeeld voor het arbeidsrecht en pensioenstelsel. Door consequent te handhaven wil men een gelijk speelveld creëren: bedrijven die zich wél aan de regels houden, mogen niet worden geconfronteerd met concurrenten die dat niet doen.
Wij merken hierbij op dat wij nadrukkelijk zien dat de Belastingdienst actief opdrachtgevers benadert over de inhuur van zzp’ers. En waar we eerder zagen dat dit vaak toekomstgericht was, zien wij nu dat expliciet ook voor het verleden wordt gecorrigeerd.
De kernboodschap van deze Kamerbrief is helder: na jaren van discussie stelt het kabinet te kiezen voor rust en duidelijkheid. Meer erkenning voor bona fide zelfstandigen én het aanpakken van misstanden. Voor organisaties is het zaak die richting te omarmen, de ruimte om met zzp’ers te werken te benutten, maar ook de verantwoordelijkheid te nemen om het direct goed in te regelen.