Actualisatie V&A Belastingdienst Wet minimumbelasting

23/06/26

Op 16 juni 2026 heeft de Belastingdienst een geactualiseerde versie gepubliceerd van het  Vraag- en Antwoorddocument  (V&A) bij de Wet minimumbelasting 2024. Het document bestaat uit 158 Q&A’s waarvan 70 nieuw en 4 inhoudelijk aangepast. Deze actualisatie bouwt voort op de eerdere versie van 2 september 2025, waarover wij hier berichtten.

Het V&A-document bevat verdere verduidelijkingen van het Expertiseteam Pijler 2 over de toepassing van de Nederlandse Pillar Two-regels. Ook is in het V&A-document de Nederlandse invulling opgenomen van de ‘common understanding’ van het Inclusive Framework on BEPS (IF) van 18 mei 2026, over het mitigeren van sancties bij niet-naleving van lokale 'bijheffing informatie aangifte' (BIA)-verplichtingen  in situaties waarin BIA-indiening plaatsvindt in jurisdicties zonder volledig operationeel indienportaal en/of bij onduidelijkheden over tijdige activering in die jurisdicties van bilaterale uitwisselingrelaties.

Wat betekent dit voor jouw organisatie?

Het V&A-document is in toenemende mate van detail richtinggevend voor de wijze waarop de Belastingdienst de Pillar Two-regels in de praktijk uitlegt en toepast. Het document biedt een praktisch interpretatiekader voor de toepassing van de Wet minimumbelasting 2024 (Wmb 2024).

Tegelijkertijd is geen sprake van een formeel beleidsbesluit, het document is juridisch niet bindend. Het document schept geen rechten voor belastingplichtigen en biedt derhalve geen harde rechtszekerheid. Het document heeft een dynamisch karakter en wordt periodiek geactualiseerd op basis van praktijkervaringen en internationale ontwikkelingen, waaronder guidance vanuit de OESO en ontwikkelingen binnen EU-verband.

Het V&A-document sluit nadrukkelijk aan bij internationale interpretatiekaders, met name het OESO-commentaar op de Pillar Two-regels en de bijbehorende administratieve richtsnoeren. Uitkomsten van internationaal overleg (OESO en Europese Commissie) werken zichtbaar door in de beantwoording van vragen. Dit onderstreept dat de Nederlandse toepassing sterk ingebed blijft in de internationale Pillar Two-context.

De nieuwe en geactualiseerde standpunten geven een goed beeld van de belangrijkste knelpunten in de praktijk. Het verdient aanbeveling relevante V&A-standpunten actief te monitoren en te integreren in Pillar Two-processen. Bij materiële interpretatievragen staat de mogelijkheid van vooroverleg met de Belastingdienst open.

Inhoudelijke lijn van het V&A-document

Het V&A-document volgt de structuur van de Wet minimumbelasting 2024 en biedt een brede dekking van relevante Pillar Two-thema’s, waaronder:

  • reikwijdte en kwalificatie van entiteiten;

  • de werking van de verschillende bijheffingen (IIR, UTPR en QDMTT); 

  • bepaling van kwalificerend inkomen en gecorrigeerde belastingen;

  • berekening van het effectieve belastingtarief;

  • specifieke regimes (o.a. bedrijfsreorganisaties en houdsterstructuren);

  • administratieve verplichtingen en transitieregels. 

De nieuwe en geactualiseerde vragen laten zien dat de focus in toenemende mate ligt op (i) praktische uitvoeringsvraagstukken en interpretatieverschillen, (ii) toepassing van de regels in complexe situaties en (iii) aansluiting bij internationale richtsnoeren vanuit de OESO en de Europese Commissie.

Omvang en aard van de wijzigingen

De huidige versie van het V&A-document bevat 158 vragen en antwoorden. Daarvan zijn 70 vragen nieuw opgenomen en 88 bestaande vragen opnieuw beoordeeld. Binnen deze 88 herbeoordeelde vragen zijn 61 vragen redactioneel-technisch aangepast (niet als geactualiseerd aangemerkt), 23 vragen redactioneel verduidelijkt en 4 vragen inhoudelijk aangepast. De groep van 27 vragen (23 redactioneel verduidelijkt en 4 inhoudelijk aangepast) heeft een geactualiseerde datum van juni 2026. De actualisaties zijn met een * gemarkeerd. Per vraag zijn de oorspronkelijke publicatiedatum en laatste actualisatiedatum inzichtelijk gemaakt.

De 4 inhoudelijk aangepaste vragen zien op:

  1. artikelen 3.1 en 13.1 Wmb 2024 (binnenlandse bijheffing); 
  2. artikel 6.2, lid 1 Wmb 2024 (correcties op het kwalificerend inkomen);
  3. artikel 6.2, lid 1 Wmb 2024 (niet-kwalificerende belastingen);
  4. artikel 8.1, lid 4 Wmb 2024 (jurisdictionele keuzeregimes).

We lichten een aantal antwoorden van de Belastingdienst uit. 

Nederlandse invulling Common Understanding IF

Sancties bij niet (tijdig/correct) voldoen aan BIA-verplichtingen

Het V&A-document bevat een nadere invulling van de gevolgen voor de naleving van de BIA-verplichting in situaties waarin centrale indiening wordt belemmerd door praktische problemen, zoals het ontbreken van een volledig operationeel indienportaal of onduidelijkheid over de tijdige activering van uitwisselingsrelaties. De Belastingdienst erkent dat zich in dergelijke gevallen nalevings- en coördinatieproblemen kunnen voordoen bij de eerste compliancecyclus (FY2024).

Centrale BIA-indiening via een andere jurisdictie (in plaats van lokale indiening in Nederland) is toegestaan, mits sprake is van een kwalificerende inlichtingenuitwisselingsovereenkomst tussen die jurisdictie en Nederland. Indien daarvan geen sprake is en alsnog lokaal moet worden ingediend, kan het niet (tijdig of correct) indienen van de BIA in beginsel leiden tot een vergrijpboete en – in ernstige gevallen – strafrechtelijke gevolgen. 

Tegen deze achtergrond geeft de Belastingdienst in het V&A-document aan dat in specifieke gevallen geen sancties worden opgelegd voor het niet voldoen aan de lokale BIA-verplichting tot uiterlijk het einde van de relevante uitwisselingstermijn (voor kalenderjaar 2024: 31 december 2026), mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden omvatten onder meer: (i) centrale indiening van de BIA in een deelnemende jurisdictie vóór het einde van de uitwisselingstermijn, en (ii) tijdige indiening van de vereiste kennisgeving door de Nederlandse groepsentiteit.

Met deze, feitelijk, vorm van uitstel van lokale BIA-indiening geeft Nederland invulling aan de common understanding binnen het Inclusive Framework van 18 mei 2026. De aansluiting bij de uitwisselingstermijn voor BIA-indiening biedt multinationale groepen in de praktijk enige praktische ruimte bij het voldoen aan hun BIA-verplichting in Nederland.

Inhoudelijk aangepaste antwoorden (publicatie: september 2025, actualisatie: juni 2026)

Ad (i) Artikelen 3.1 en 13.1 Wmb 2024 (binnenlandse bijheffing)

Het V&A-document geeft aan dat voor de Nederlandse aangifteverplichting geldt dat de berekeningen van de verschuldigde bijheffing (waaronder de binnenlandse bijheffing) niet afzonderlijk bij de belastingaangifte te hoeven worden gevoegd. De berekeningen worden opgenomen in de BIA. De belastingaangifte zelf bevat uitsluitend de verschuldigde bedragen aan bijheffing (binnenlandse bijheffing, inkomen-inclusiebijheffing en onderbelastewinstbijheffing), die via de aangifte worden afgedragen. Indien in Nederland geen bijheffing verschuldigd is, hoeft geen belastingaangifte te worden ingediend.

Ad (ii) Artikel 6.2, lid 1 Wmb 2024 (correctie op het kwalificerend inkomen), 

Het V&A-document geeft aan dat bij reorganisaties tussen groepsentiteiten die kwalificeren als een fiscaal geruisloze reorganisatie in de zin van artikel 9.3 Wmb 2024, een eventueel in de financiële verslaggeving opgenomen resultaat wordt uitgesloten bij de bepaling van het kwalificerend inkomen (artikel 6.2, lid 1, letter e WMB 2024 en artikel 9.3, lid 2 WMB 2024). Bij de verkrijgende groepsentiteit wordt aangesloten bij de boekwaarden van de overdragende entiteit. 

De reorganisatie verloopt neutraal voor Pillar Two-doeleinden. Voor zover (een deel van) de reorganisatie alsnog wordt onderworpen aan belastingheffing bij de overdragende entiteit blijven de correcties voor dat deel achterwege. Toepassing van het arm’s‑lengthbeginsel (artikel 6.4 Wmb 2024) kan de omvang van de uitgesloten winst of het uitgesloten verlies beïnvloeden, maar heeft verder geen gevolgen.

Ad (iii) Artikel 6.2, lid 1 Wmb 2024 (niet kwalificerende belastingen)

Het V&A-document geeft aan dat bij de bepaling van het kwalificerend inkomen de nettobelastinglast beperkt wordt gecorrigeerd. Alleen betrokken belastingen, belastingen die voortvloeien uit Pillar Two-regels en niet-kwalificerende restitueerbare imputatiebelastingen worden in aanmerking genomen. Andere belastingen – die niet kwalificeren als betrokken belasting – worden niet gecorrigeerd op het nettoresultaat en maken daarmee onderdeel uit van het kwalificerend inkomen.

Ad (iv) Artikel 8.1, lid 4 Wmb 2024 (jurisdictionele keuzeregimes)

Het V&A-document geeft aan dat voor staatloze groepsentiteiten geldt dat deze voor de toepassing van de Pillar Two-regels worden behandeld als ware zij gevestigd in een afzonderlijke jurisdictie. Dit betekent dat het effectieve belastingtarief en de bijheffing moeten worden berekend per staatloze entiteit afzonderlijk. Staatloze entiteiten kunnen daarbij zelfstandig gebruikmaken van de jurisdictionele keuzeregimes, alsof zij een eigen jurisdictie vormen.

Nieuwe antwoorden (publicatie: juni 2026)

Artikel 1.2, lid 1 WMB 2024 – Gezamenlijke bedrijfsactiviteiten

Het V&A-document verduidelijkt dat gezamenlijke bedrijfsactiviteiten (joint operations) regelingen zijn waarbij de deelnemers rechten hebben op de activa en verplichtingen dragen voor de schulden. Deze activiteiten worden doorgaans verwerkt volgens de proportionele (pro rata) consolidatiemethode, waarbij het aandeel van de deelnemer regel-voor-regel in de jaarrekening wordt opgenomen. Dit verschilt van een joint venture, waarbij slechts een aandeel in de netto-activa wordt gehouden.

Indien een gezamenlijke bedrijfsactiviteit in eigendom is van een groepsentiteit, kwalificeert deze ook als groepsentiteit, voor zover het inkomen ervan volgens de proportionele consolidatiemethode wordt opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening (zie paragraaf 23 van het OESO-commentaar bij artikel 1.2.2 Model Rules). In de meeste gevallen zal sprake zijn van een doorkijkentiteit (artikel 1.2, lid 1 Wmb 2024). 

De nettowinst of het nettoverlies van een doorkijkentiteit wordt verminderd met het bedrag dat toerekenbaar is aan eigenaren die geen groepslid zijn (artikel 6.14, lid 1 Wmb 2024). Hierdoor wordt het aandeel van derden reeds geëlimineerd bij de bepaling van het kwalificerend inkomen, zodat geen noodzaak bestaat om dit aandeel nogmaals te verminderen bij de berekening van de bijheffing (artikel 4.2, lid 1 Wmb 2024). 

Het resterende inkomen wordt als volgt behandeld. Eerst wordt het toegewezen aan eventuele vaste inrichtingen van de gezamenlijke bedrijfsactiviteit (die als afzonderlijke groepsentiteiten worden aangemerkt) (artikel 6.13 Wmb 2024), en vervolgens wordt het toegewezen aan groepsentiteit-belanghouders, indien deze in een andere staat aan belasting zijn onderworpen over dat inkomen en de gezamenlijke bedrijfsactiviteit niet de uiteindelijke moederentiteit is. Elk resterend bedrag wordt aangemerkt als inkomen van de gezamenlijke bedrijfsactiviteit zelf.

Het V&A-document markeert dit antwoord als gebaseerd op internationale afstemming binnen de OESO en/of de Europese Commissie, wat benadrukt dat deze benadering aansluit bij de internationale toepassing van de Pillar Two-regels.

Artikel 6.2, lid 1 Wmb 2024 – beoordeling portfoliobelang (1)

Het V&A-document geeft aan bij de beoordeling of sprake is van een portfoliobelang wordt gekeken naar het totale direct door de multinationale groep of binnenlandse groep gehouden belang. Door verschillende groepsentiteiten rechtstreeks gehouden belangen in dezelfde entiteit worden bij elkaar opgeteld.

Het V&A-document geeft het volgende voorbeeld ter illustratie. De uiteindelijke moederentiteit van een groep houdt 80% in CE 1 en 80% in CE 2. Zowel CE 1 als CE 2 houden ieder een direct belang van 5% in Entiteit A. Hoewel het indirecte belang van de uiteindelijke moederentiteit in elk van deze belangen 4% bedraagt (80%x5%), worden voor de beoordeling de directe belangen van CE 1 en CE 2 samengeteld. Deze bedragen gezamenlijk 10% (5%+5%), waardoor geen sprake is van een portfoliobelang (dat wil zeggen: minder dan 10%).

Het V&A-document markeert dit antwoord als gebaseerd op internationale afstemming binnen de OESO en/of de Europese Commissie.

Artikel 6.2, lid 1 Wmb 2024 – beoordeling portfoliobelang (2)

Het V&A-document geeft aan dat bij de beoordeling of sprake is van een portfoliobelang wordt gekeken naar de direct door de multinationale groep of binnenlandse groep gehouden belangen. Indirecte belangen worden daarbij niet in aanmerking genomen.

Het V&A-document geeft het volgende voorbeeld ter illustratie. De uiteindelijke moederentiteit van een multinationale groep houdt een belang van 40% in Entiteit A, dat wordt verwerkt volgens de vermogensmutatiemethode. Daarnaast houdt een groepsentiteit (CE 1) een direct belang van 6% in Entiteit B, terwijl Entiteit A een belang van 70% houdt in diezelfde Entiteit B. Hoewel de groep via Entiteit A daarmee een indirect belang houdt in Entiteit B van 28% (40%x70%), geeft het V&A-document aan dat voor de beoordeling of sprake is van een portfoliobelang uitsluitend het directe belang van CE 1 relevant is. Omdat dit belang 6% bedraagt en dus lager is dan 10%, is voor Pillar Two-doeleinden sprake van een portfoliobelang.

Het V&A-document markeert dit antwoord als gebaseerd op internationale afstemming binnen de OESO en/of de Europese Commissie.

Artikel 8.8 Wmb 2024 – Tijdelijke veilige haven: kwalificerend landenrapport, “once out, always out”

Het V&A-document geeft aan dat de zogeheten “once out, always out”-regel bij de tijdelijke veilige haven (kwalificerend landenrapport, CbCR) niet van toepassing is in situaties waarin een multinationale groep in een eerder verslagjaar niet onderworpen was aan de Wmb 2024 of vergelijkbare Pillar Two-regelgeving voor een specifieke jurisdictie.

Dit betekent dat groepen pas een keuze hoeven te maken voor toepassing van de veilige haven in het eerste jaar waarin de betreffende jurisdictie daadwerkelijk onder de reikwijdte van de regelgeving valt. Het niet toepassen van de veilige haven in eerdere jaren waarin geen toepasselijke regelgeving gold, heeft dus geen nadelige gevolgen voor latere jaren.

Het V&A-document markeert dit antwoord als gebaseerd op internationale afstemming binnen de OESO en/of de Europese Commissie.

Artikel 8.8 Wmb 2024 – Tijdelijke veilige haven: kwalificerend landenrapport, consistentiestandaard

Het V&A-document geeft aan dat de consistentiestandaard bij de tijdelijke veilige haven beoogt te voorkomen dat multinationale groepen strategisch gebruikmaken van purchase price accounting (PPA)-aanpassingen in het landenrapport om aan de safe harbour-voorwaarden te voldoen.

Uitgangspunt is dat PPA-aanpassingen alleen mogen worden meegenomen indien deze consistent zijn toegepast in eerdere verslagjaren (bijvoorbeeld het CbCR van 2023 voor jurisdicties die de Pillar Two-regels toepassen vanaf verslagjaar 2024). Indien dergelijke aanpassingen in het voorgaande jaar niet zijn opgenomen, kan de groep deze niet alsnog introduceren om te kwalificeren voor de veilige haven.

Hierop geldt een uitzondering indien de opname van PPA-aanpassingen voortvloeit uit een wettelijke verplichting of externe verslaggevingsvereisten (bijvoorbeeld bij een bedrijfscombinatie). In dat geval mogen de aanpassingen alsnog worden meegenomen. 

Het V&A-document markeert dit antwoord als gebaseerd op internationale afstemming binnen de OESO en/of de Europese Commissie.

Artikel 8.8 Wmb 2024 – Tijdelijke veilige haven: kwalificerend landenrapport, onbewuste fout

Het V&A-document geeft aan dat een onbewuste fout in het landenrapport niet uitsluit dat nog steeds sprake kan zijn van een kwalificerend landenrapport. Dit, mits de fout tijdig wordt gecorrigeerd. Indien gegevens uit de kwalificerende financiële verslaggeving per vergissing onjuist zijn opgenomen in het landenrapport, moet een gecorrigeerd landenrapport worden ingediend om de kwalificerende status te behouden. Daarbij moet worden voldaan aan de overige voorwaarden van artikel 8.8 Wmb 2024, waaronder het indienen van het aangepaste rapport bij de relevante belastingautoriteit.

Contact us

Maarten de Wilde

Maarten de Wilde

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)63 419 67 89

Volg ons