02/06/26
Op 1 juni 2026 heeft staatssecretaris Eerenberg de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van de verbetermogelijkheden voor de ANBI-regeling. De belangrijkste maatregel is het voorstel om per 1 januari 2029 een bestedingsverplichting in te voeren voor voormalige ANBI's. Daarnaast gaat de staatssecretaris in op het ondersteunen van niet-ANBI’s en volgt nog een inhoudelijke reactie op het advies Beter Geven III over een alternatief voor de regeling ‘geven uit de vennootschap’.
Op 1 juli 2025 stuurde de vorige staatssecretaris de kabinetsreactie op de evaluatie van de ANBI- en SBBI-regelingen naar de Tweede Kamer. Daarin kondigde hij maatregelen en nadere onderzoeken aan. Lees meer over die kabinetsreactie in ons Belastingnieuwsbericht ‘Kabinetsreactie evaluatie ANBI-regeling en familiestichting’. Met de brief van 1 juni 2026 informeert staatssecretaris Eerenberg over de stand van zaken van die aangekondigde maatregelen en onderzoeken. De focus van de staatssecretaris ligt daarbij op het voorkomen van oneigenlijk gebruik van de ANBI-regeling.
De per 1 januari 2024 ingevoerde regeling ‘geven uit de vennootschap’ is per 1 januari 2025 weer afgeschaft. De filantropiesector betreurt dit en de adviescommissie Rinnooy Kan heeft een alternatief voorgesteld (advies Beter Geven III). De staatssecretaris komt voor de zomer met een reactie op dit advies en de evaluatie van het schrappen van de regeling neemt hij mee bij de eerstvolgende evaluatie van giftenaftrek (gepland voor 2028). Hieruit volgt dat de staatssecretaris geen directe aanleiding ziet om een alternatief voor de regeling ‘geven uit de vennootschap’ te introduceren.
Het kabinet ziet ervan af een geefsubsidie als alternatief voor de giftenaftrek te verkennen. Dit is omdat een geefsubsidie meer administratieve lasten voor de verkrijgende instellingen met zich zou brengen en de uitvoering lastig zou zijn.
Het kabinet wil het toezicht op ANBI's versterken via een tactisch handhavingsplan. Dit omvat intensivering van toezicht, verbetering van databeschikbaarheid en uitbreiding van de samenwerking met de filantropische sector. Deze maatregelen vinden plaats vooruitlopend op de invoering van het in de Fiscale Verzamelwet 2026 geregelde ANBI-portal dat naar verwachting rond 2030 volledig operationeel zal zijn.
Eind 2025 hebben de Belastingdienst, Goede Doelen Nederland, de Commissie Normstelling en het CBF een vernieuwd samenwerkingsconvenant gesloten. Het uitgangspunt is dat de partijen elkaars toezichtsoordeel erkennen wanneer hun normenkaders vergelijkbaar zijn. De komende periode blijft de Belastingdienst zich inzetten om de samenwerking met de filantropische sector te versterken en uit te breiden.
Voor het verminderen van de regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen ziet het kabinet de volgende verbeteringen. Allereerst zal de Belastingdienst op zijn communicatiekanalen meer aandacht besteden aan de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot een groepsbeschikking. Daarnaast bestaat sinds 2023 de mogelijkheid om de ANBI-beschikking digitaal aan te vragen. Verder is het online ANBI-loket bedoeld voor kleine en middelgrote aanvragers van een ANBI-status en geeft het praktische uitleg over de ANBI-voorwaarden.
Ondersteuning van (inter)nationale organisaties zonder ANBI-status
De staatssecretaris verduidelijkt de ruimte die ANBI's hebben om samen te werken met organisaties zonder ANBI-status. ANBI's die steunstichtingen zijn, kunnen alleen ANBI's ondersteunen. ANBI's met een eigen algemeen nuttige doelstelling hebben meer bewegingsvrijheid: zij mogen ook organisaties zonder ANBI-status financieren, zolang zij aannemelijk kunnen maken dat het geld in lijn met hun algemeen nuttige doel wordt ingezet. In de praktijk zal hieraan doorgaans zijn voldaan als de ANBI het geld bestemt voor een concreet project en toeziet op de daadwerkelijke besteding, ook bij projecten met een langere looptijd. Dit is een belangrijke toezegging voor de praktijk, omdat er de afgelopen periode veel onduidelijkheid bestond over de vraag of ANBI's (inter)nationale partner- of zusterorganisaties mogen ondersteunen en of deze ondersteuning ook structureel van aard mag zijn. De Belastingdienst bekijkt of zij hierover nadere handvatten kan publiceren.
Een van de ANBI-voorwaarden is het beschikkingsmachtcriterium. Deze voorwaarde houdt in dat zowel uit de statuten als de feiten moet blijken dat geen natuurlijke of rechtspersoon over het vermogen van de ANBI kan beschikken alsof het zijn eigen vermogen is. Hierbij kan de samenstelling van het ANBI-bestuur een rol spelen. De staatssecretaris heeft twee mogelijke aanscherpingen van het beschikkingsmachtcriterium onderzocht: een verbod op een familiemeerderheid in het bestuur en een verplichting van minimaal drie bestuurders.
Ten aanzien van een verbod op een familiemeerderheid in het bestuur erkent de staatssecretaris dat familieleden onvoldoende onafhankelijk zouden kunnen opereren, waardoor de facto één persoon de zeggenschap kan hebben of een particulier belang wordt behartigd. Tegelijkertijd betekent een familiemeerderheid in het bestuur niet per definitie dat de organisatie niet het algemeen nut kan beogen. Bovendien brengt deze optie afbakeningsvraagstukken met zich mee, zoals de vraag of alleen bloedverwanten of ook aanverwanten en partners onder het begrip 'familie' moeten vallen en zou zij instellingen verplichten hun statuten en bestuurssamenstelling aan te passen. Vooral kleinere organisaties zouden moeite kunnen hebben met het vinden van geschikte vervangende bestuurders.
De staatssecretaris ziet geen heil in de optie van een verplicht minimumaantal bestuurders. Het hebben van een klein bestuur duidt niet per definitie op het dienen van een particulier belang. Bovendien zou deze optie extra administratieve lasten voor de instellingen meebrengen.
Omdat de staatssecretaris de regeldruk niet onnodig wil vergroten ziet hij er voor nu van af om het beschikkingsmachtcriterium aan te scherpen. Volgens hem is aanvullende regelgeving nu niet doeltreffend gezien de beperkte omvang van de groep ANBI's die mogelijk niet aan het huidig beschikkingsmachtcriterium voldoet. Daarbij komt dat deze instellingen over het algemeen bereid lijken aan de eisen te voldoen.
De situatie waarin een NSW-landgoed in een ANBI is geplaatst terwijl de voormalig eigenaren er blijven wonen gaat het kabinet nader onderzoeken. De eerste resultaten verwacht de staatssecretaris in de tweede helft 2026.
De staatssecretaris heeft drie opties onderzocht om te waarborgen dat het vermogen van de ANBI ook na verlies van de ANBI-status het algemeen nut ten goede komt. Het gaat om de volgende opties.
Optie 1: Bestedingsverplichting voormalige ANBI's
De belangrijkste onderzochte maatregel is een bestedingsverplichting voor voormalige ANBI's. Na verlies van de ANBI-status krijgen instellingen twee jaar de tijd om het resterende vermogen aan te wenden voor algemeen nuttige doelen.
Optie 2: Invoering fiscale eindheffing bij het verlies van ANBI-status
Het invoeren van een fiscale eindheffing bij het verlies van de ANBI-status is bedoeld als een extra prikkel om het ANBI-vermogen conform de algemeen nuttige
doelstelling van de instelling binnen een redelijk tijdsbestek te besteden en niet
onnodig aan te houden. Bij introductie van de eindheffing kan de informatieverplichting vervallen op het moment dat de voormalige ANBI de eindheffing heeft voldaan. Deze optie is echter wetstechnisch niet eenvoudig. Opnemen van deze optie in de Successiewet is het meest voor de hand liggend volgens de staatssecretaris.
De staatssecretaris concludeert dat het wenselijk is om de eerste optie in te voeren en verder uit te werken. De staatssecretaris stelt voor deze verplichting per 1 januari 2029 vast te leggen in de Uitvoeringsregeling AWR. Ook instellingen die op die datum al als voormalige ANBI informatieplichtig zijn, vallen onder de voorgenomen regeling.