03/06/26
Het nieuwe systeem is een hybride stelsel met een vermogensaanwasbelasting als basis, gecombineerd met een vermogenswinstbelasting voor onroerend goed en aandelen in en winstbewijzen van startups en scale-ups.
Hoewel het wetsvoorstel door de Tweede Kamer is aangenomen, staat de definitieve vormgeving nog niet vast: de staatssecretaris onderzoekt verzachtingen en komt voor de zomer met een brief over uitvoerbaarheid en dekking. Afhankelijk daarvan kan een novelle volgen.
Afhankelijk van de samenstelling van je box 3-vermogen kan dit nieuwe box 3-stelsel, dat per 2028 in werking moet treden, een behoorlijke impact hebben. Het wetsvoorstel komt tegemoet aan de grote kritiek op het huidige box 3-stelsel en zal voor het overgrote deel niet langer op forfaitaire basis belasting over vermogen heffen.
Een nadeel is dat het nieuwe stelsel vrij complex is en een grotere inspanning vereist van belastingplichtigen. Het is daarom belangrijk om na te gaan wat de gevolgen zijn voor jouw administratie
Tot de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel blijft het huidige box 3-stelsel van forfaitaire rendementen gelden. Op grond van de Wet tegenbewijsregeling box 3 heb je de mogelijkheid om aan te tonen dat je werkelijk rendement lager is dan je forfaitaire, in welk geval je over het werkelijk rendement belasting moet betalen.
Het nieuwe box 3-stelsel belast als hoofdregel het werkelijke rendement uit sparen en beleggen op basis van vermogensaanwas. Jaarlijks vindt dan heffing plaats over zowel inkomsten uit vermogen (zoals rente, dividend en huur) als de waardeaangroei van het vermogen. Dat vereist jaarlijkse waardering van bezittingen en schulden naar de waarde in het economische verkeer. Een nadeel is dat je ook belasting moet betalen over waardeontwikkelingen die je nog niet hebt gerealiseerd (‘papieren winsten’).
Voor minder liquide vermogensbestanddelen, zoals onroerende zaken en aandelen in en winstbewijzen van startups en scale-ups, vindt heffing pas plaats bij daadwerkelijke realisatie van de waardeontwikkeling. Deze vermogensbestanddelen worden bij verkrijging gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs; bij verkoop betaal je belasting over het verschil met de verkoopopbrengst.
De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen om te onderzoeken hoe aandelen in familiebedrijven onder de vermogenswinstbelasting kunnen vallen. Vanwege het risico op onrechtmatige staatssteun ziet het kabinet echter nu geen ruimte om een voorstel te doen voor een uitzondering voor familiebedrijven in het nieuwe box 3-stelsel.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel heeft de Tweede Kamer veel kritiek geuit op het vermogensaanwassysteem. Een meerderheid van de Kamer stond vervolgens achter moties om het systeem om te laten vormen naar een volledige vermogenswinstbelasting. De doorontwikkeling van het box 3-stelsel naar een vermogenswinstbelasting stond ook in het coalitieakkoord van het kabinet Jetten.
Ook heeft de Kamer moties aangenomen die verzoeken om verzachtende maatregelen zoals een achterwaartse verliesverrekening en actualisering van de percentages voor de vastgoedbijtelling.
Op 12 februari 2026 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, ondanks de kritiek, aangenomen en sindsdien ligt het ter behandeling bij de Eerste Kamer. Ook de Eerste Kamer heeft kritische vragen gesteld over dit wetsvoorstel.
De staatssecretaris heeft toegezegd om voor de zomer met een brief te komen over de uitkomst van het onderzoek naar de uitvoerbaarheid van deze verzachtende moties. Mocht dit onderzoek leiden tot een aanpassing van het wetsvoorstel, dan zal dit waarschijnlijk zijn in de vorm van een novelle die meeloopt met het Belastingplan 2027. De beoogde ingangsdatum van het wetsvoorstel blijft 1 januari 2028.
Voor vermogensbestanddelen die al bij aanvang van het nieuwe stelsel in bezit zijn, geldt op 1 januari 2028 de waarde in het economische verkeer. Voor woningen sluit het wetsvoorstel aan bij de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2028 (WOZ-beschikking 2029). Bij verhuurde woningen is de leegwaarderatio van toepassing.
Kosten die verband houden met de inning, het behoud en de verwerving van reguliere voordelen (zoals rente, dividend en huur) zijn direct aftrekbaar, bijvoorbeeld onderhouds- en beheerkosten. Rente op box 3-schulden telt als negatief box 3-inkomen.
Verbeteringskosten en verkrijgingskosten gelden in de vermogensaanwasbelasting als ‘storting’. Bij de vermogenswinstbelasting verhogen zij de verkrijgingsprijs, zodat de kosten pas bij verkoop in mindering komen. Bepaalde kosten zijn per definitie niet aftrekbaar, zoals gemengde kosten (telefoonabonnementen, literatuur, congressen), geldboeten, dwangsommen en dividend- en kansspelbelasting.
Aftrekbare kosten en reguliere voordelen volgen als hoofdregel het kasstelsel. Voor termijnen die betrekking hebben op een tijdvak langer dan een jaar of die meer dan zes maanden na afloop (kosten) of vóór aanvang (voordelen) van het kalenderjaar eindigen, geldt het vorderingenstelsel.
Voor onroerende zaken onderscheidt het wetsvoorstel drie categorieën:
Ten minste 90% van het jaar verhuurd: heffing over de ontvangen huur- en pachtinkomsten.
Het gehele jaar niet verhuurd: heffing over een vastgoedbijtelling van 3,35% van de WOZ-waarde wordt belast.
Gemengd gebruik (minder dan 90% verhuurd): heffing over het hoogste van de huurinkomsten of de vastgoedbijtelling.
Jaarlijkse onderhouds- en andere periodieke kosten zijn in alle situaties aftrekbaar. Verbeteringskosten worden geactiveerd. Het kabinet wil het percentage van de vastgoedbijtelling voor het eerst na vijf jaar herijken.
Het kabinet zal overigens ter uitvoering van een motie van de Tweede Kamer aanvullend onderzoek doen naar rendementen op vakantiewoningen in eigen bezit en een juridische analyse van een houdbare vastgoedbijtelling voor deze woningen. Een eventuele aanpassing van de vastgoedbijtelling zou via een novelle gekoppeld aan het Belastingplan 2027 kunnen lopen.
Voor aandelen in en winstbewijzen van startups en scale-ups geldt de vermogenswinstbelasting. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 definieert een startup en scale-up op dit moment als (i) een vennootschap (BV of NV) die (ii) een onderneming drijft, (iii) niet langer dan vijf jaar geleden is opgericht en (iv) een jaaromzet heeft van maximaal € 30 miljoen. Daarnaast mogen de aandelen voor niet meer dan 25% in handen zijn van een onderneming die zelf geen startup of scale-up is.
Omdat de definitie in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 niet voldoende aansluit bij de kenmerken van startups en scale-ups komt een nieuwe definitie die werkbaar is voor de praktijk en uitvoerbaar is voor de Belastdienst. Op 1 april 2026 is het wetsvoorstel Wet fiscale stimulering startups en scale-ups namelijk gepubliceerd voor internetconsultatie.
Volgens het in consultatie gebrachte conceptwetsvoorstel is een startup of scale-up een onderneming die gericht is op snelle groei door middel van een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel dat zijn oorsprong vindt in innovatie. Het verhandelen van de aandelen mag niet plaatsvinden op een gereguleerde markt en de aandelen mogen niet voor meer dan 25 procent direct of indirect in handen zijn van een beursgenoteerd lichaam.
Een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel houdt in dat een onderneming, dankzij technologie, haar omzet snel kan laten groeien zonder evenredige stijging van kosten en middelen. Onder innovatie verstaat het conceptwetsvoorstel het ontwikkelen of verbeteren van producten, diensten, processen of technologieën, waarbij sprake is van technische vernieuwing of wezenlijke functionele verbetering ten opzichte van de markt.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) beoordeelt op aanvraag bij beschikking of een onderneming aan de criteria voldoet. Een beschikking is acht jaar geldig en kan maximaal driemaal met vijf jaar worden verlengd, zodat de startup/scale-up-status tot maximaal 23 jaar mogelijk is. De bedoeling is dat de nieuwe definitie van toepassing is in het nieuwe box 3-stelsel in 2028.
Voor meer informatie, lees ons Belastingnieuwsbericht ‘Consultatie wetsvoorstel fiscale stimulering startups’.
Voor het huidige heffingvrij vermogen komt een heffingsvrij resultaat van € 1.800 in de plaats. Kleine jaarlijkse rendementen in box 3 blijven daarmee onbelast. Het tarief in box 3 blijft 36%.
Verliezen in box 3 kun je onbeperkt voorwaarts verrekenen met positieve box 3-inkomsten uit volgende jaren, met een drempel van € 500 per jaar. Verliesverrekening is uitsluitend mogelijk binnen box 3. Achterwaartse verliesverrekening (carry-back) is in het huidige wetsvoorstel niet mogelijk.
De Tweede Kamer heeft echter een motie aangenomen met het verzoek om achterwaartse verliesverrekening in te voeren. De staatssecretaris heeft aangegeven dat hij een beperkte carry-back van één jaar (vanaf 1 januari 2029) onderzoekt. Een carry-back met een periode langer dan een jaar wil de staatssecretaris niet overwegen vanwege de forse budgettaire derving en de impact op de uitvoering door de Belastingdienst.
De technische uitwerking, uitvoerbaarheid en dekking zal de staatssecretaris uiteenzetten in de brief die hij voor de zomer naar de Kamers zal sturen; een eventuele aanpassing zou via een novelle gekoppeld aan het Belastingplan 2027 kunnen lopen.
De huidige vrijstellingen in box 3 blijven grotendeels gehandhaafd. Uitzonderingen zijn de vrijstelling voor kortlopende termijnen en verplichtingen en de vrijstelling voor groene beleggingen (die op grond van het Belastingplan 2025 sowieso al vervalt per 1 januari 2027). Roerende zaken voor eigen gebruik (zoals auto’s, caravans en boten) blijven buiten de belastingheffing, tenzij deze hoofdzakelijk ter belegging worden aangehouden.
In gelieerde verhoudingen (bijvoorbeeld tussen ouder en kind of tussen de belastingplichtige met een eigen vennootschap) geldt, net als in box 1 en box 2, een zakelijkheidstoets om het werkelijk rendement te bepalen.
Voor genotsrechten, zoals vruchtgebruik of recht van erfpacht, gelden specifieke waarderingsregels. Periodieke vergoedingen zijn als directe inkomsten belast bij de blote eigenaar en aftrekbaar bij de genotsgerechtigde. Waardemutaties worden tijdsevenredig berekend. Bij aankoop van blooteigendom van onroerend goed of aandelen in startups en scale-ups is de waardestijging pas bij vervreemding of einde belastingplicht belast.
Het wetsvoorstel bevat een kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling voor financieel onvolwaardige vorderingen, vergelijkbaar met die in de inkomsten- en vennootschapsbelasting.
Emigratie leidt tot een fictieve vervreemding van aandelen in en winstbewijzen in startups en scale-ups en van in het buitenland gelegen onroerende zaken, om de Nederlandse belastingclaim veilig te stellen. Hiervoor krijgt de belastingplichtige een in de tijd onbeperkte conserverende aanslag met uitstel van betaling opgelegd.
De komende maanden zijn cruciaal voor de definitieve vormgeving van het nieuwe box 3-stelsel:
Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3: Voor de zomer komt de staatssecretaris met een brief met de uitkomst van het onderzoek naar verzachtingen (onder meer carry-back), de uitvoerbaarheid en de dekking daarvan uit het brede vermogensdomein (de eigen woning, box 2, schenk- en erfbelasting, het tarief in de vennootschapsbelasting en box 3).
Startup/scale-up-definitie: Indiening van het wetsvoorstel Wet fiscale stimulering startups en scale-ups bij de Tweede Kamer is voorzien in september 2026.
Tax partner en Family Business Leader, PwC Netherlands
Tel: +31 (0)62 295 34 75