EU Tax Omnibus: belangrijkste wijzigingen en impact voor Nederland

30/06/26

Op 24 juni 2026 heeft de Europese Commissie (EC) haar voorstel voor de Tax Omnibus-richtlijn gepubliceerd, een breed initiatief om het EU-kader voor directe belastingen te vereenvoudigen en te stroomlijnen. Het voorstel introduceert wijzigingen in zes bestaande richtlijnen: de Anti-belastingontwijkingsrichtlijn (ATAD), de Moeder-dochterrichtlijn (MDR), de Interest- en royaltyrichtlijn, de Fusierichtlijn, de Richtlijn geschillenbeslechtingsmechanismen (DRM) en de FASTER-richtlijn. De EC beoogt de compliancekosten voor belastingplichtigen te verminderen, verouderde en overlappende regels te elimineren en het concurrentievermogen van de Europese interne markt te verbeteren.

In dit artikel zetten wij de belangrijkste voorgestelde wijzigingen per richtlijn uiteen en bespreken wij de mogelijke impact voor Nederland.

Wat betekent dit voor jouw organisatie?

De Tax Omnibus kan aanzienlijke gevolgen hebben voor concernstructurering en grensoverschrijdende activiteiten binnen de EU. Signalen uit de praktijk wijzen erop dat het voorstel breed wordt verwelkomd, met name waar het de administratieve lasten verlicht en het kader voor directe belastingen van de EU stroomlijnt.

Indien aangenomen, zou de afschaffing van minimale deelnemingsvereisten onder de Moeder-dochterrichtlijn en Interest- en royaltyrichtlijn betekenen dat alle intra-EU dividenden, rentebetalingen en royalty's in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling van bronbelasting, ongeacht de omvang van het belang.

Het verbod op procedures die voorafgaande goedkeuring vereisen, zou de administratieve last wegnemen die momenteel door verschillende EU-lidstaten wordt opgelegd. Daarvoor komt in de plaats een model van zelfbeoordeling met controle achteraf. De voorgestelde wijzigingen in de renteaftrekbeperking, waaronder de verplichte EBITDA-drempel van 30% en de uitsluiting van laagrisico-leningen van derden, kunnen de aftrekbaarheid van financieringskosten voor veel groepen die in de EU actief zijn aanmerkelijk beïnvloeden.

Toch roepen bepaalde elementen vragen op in de praktijk. Met name kan de gedifferentieerde behandeling tussen Pijler 2-groepen en groepen die onder zogenoemde Side-by-Side-regimes vallen, zoals multinationals met hoofdkantoor in de VS, tot bepaalde asymmetrieën leiden, die aanleiding kunnen geven tot geschillen en beleidsmatige zorgen.

De Anti-belastingontwijkingsrichtlijn (ATAD)

De EC merkt op dat er sinds de inwerkingtreding van ATAD veel is veranderd. Dat komt vooral door de komst van Pijler 2, die deels overlapt met bepaalde ATAD-regels. Sommige ATAD-bepalingen zijn volgens de Commissie verouderd of zorgen voor onnodig hoge administratieve lasten, rechtsonzekerheid en versnippering. Daarom past het voorstel de ATAD-regels op een aantal punten aan. 

Renteaftrekbeperking (earningsstrippingregeling)

De voorgestelde wijzigingen raken de kern van de renteaftrekbeperking. De EBITDA-drempel van 30% wordt verplicht, wat betekent dat EU-lidstaten geen lagere drempels meer mogen toepassen. Dit is ook relevant voor Nederland, dat momenteel een drempel van 24,5% hanteert en deze zou moeten verhogen naar 30%.

Ook de drempel (safe harbour) van EUR 3 miljoen wordt verplicht, met een automatische jaarlijkse indexatie op basis van de inflatie.

Het voorstel introduceert een verplichte uitsluiting voor laagrisico-leningen van derden, mits de lening niet afkomstig is van een gelieerde onderneming en uitsluitend wordt gebruikt om de eigen activiteiten van de leningnemer te financieren. Gebruik van de lening voor het doorlenen aan verbonden partijen of voor kapitaalstortingen in gelieerde partijen geldt geen uitsluiting van de lening. In het licht van deze nieuwe uitsluiting voor leningen van derden is de huidige uitzondering voor op zichzelf staande entiteiten volgens de Commissie overbodig en wordt deze in het voorstel geschrapt. 

De groepsuitzondering (group escape) wordt verplicht, waardoor ook een overschot aan rente volledig aftrekbaar is wanneer de leverage van de belastingplichtige in lijn ligt met die van zijn groep. Dit is met name relevant voor kapitaalintensieve sectoren die om legitieme redenen sterk met vreemd vermogen zijn gefinancierd. Ook introduceert het voorstel een nieuwe anticyclische uitzondering: volledige aftrek van het saldo aan renten is toegestaan wanneer de EBITDA van de belastingplichtige met ten minste 50% is gedaald ten opzichte van het voorgaande jaar.

De voortwenteling van een niet-aftrekbaar saldo aan renten en van onbenutte rentecapaciteit wordt verplicht, en lidstaten mogen daarnaast achterwaartse verrekening (carry-back) toestaan voor maximaal drie jaar.

Er wordt een verplichte tijdelijke uitzondering ingevoerd voor het saldo aan renten op leningen ter financiering van defensieproducten op kritieke capaciteitsgebieden, die uitsluitend van toepassing is op leningen die zijn aangegaan in de eerste vijf belastingtijdvakken na 1 januari 2029. Het toepassingsbereik van de optionele uitsluiting voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten wordt verruimd tot een breder scala aan projecten van algemeen belang, waaronder projecten die bijdragen aan klimaat, digitalisering, energiezekerheid en sociale en betaalbare huisvesting.

Nieuw: EU-brede R&D aftrek 

Er wordt een nieuw hoofdstuk in de ATAD ingevoerd dat een EU-brede aftrek voor R&D als minimumstandaard vaststelt. Dit maakt volledige aftrek mogelijk van kwalificerende kapitaaluitgaven voor installaties, machines en materiële activa die rechtstreeks voor R&D worden gebruikt, hetzij onmiddellijk in het jaar van aanschaf, hetzij in een van de vier daaropvolgende belastingtijdvakken. De kwalificerende uitgaven moeten gedurende ten minste drie jaar geheel en uitsluitend voor R&D worden gebruikt, en de aftrek kan worden teruggenomen wanneer het activum wordt vervreemd, gesloopt of niet langer voor R&D-doeleinden wordt gebruikt. Om de aftrekbaarheid van rente te waarborgen, wordt de R&D-aftrek bij de berekening van de EBITDA voor de renteaftrekbeperking weer bijgeteld.

Deze R&D-aftrek kan het best worden opgevat als een gerichte maatregel om kosten terug te verdienen, en niet als een brede R&D-stimuleringsmaatregel, aangezien zij beperkt is tot materiële R&D-activa en geen personeelskosten of intern gegenereerde immateriële activa omvat. Het blijft EU-lidstaten vrijstaan om royalere nationale R&D-stimuleringsmaatregelen te handhaven of in te voeren.

CFC-regels

Om de versnippering tussen EU-lidstaten te verkleinen, wordt Model A (de categorische benadering op basis van passief inkomen) verplicht en verdwijnt Model B (de transfer-pricingbenadering).

Voor belastingplichtigen die onder Pijler 2 vallen, komt er een nieuwe vrijstelling voor hun laagbelaste CFC’s, omdat de CFC-regels en de inkomen-inclusiemaatregel (income inclusion rule) van Pijler 2 elkaar sterk overlappen. Deze vrijstelling vervalt als de groep haar hoofdkantoor heeft in een land met een kwalificerend Side-by-Side-regime en de laagbelaste CFC niet onder een kwalificerende binnenlandse bijheffing valt. Ook kleine en middelgrote groepen hoeven de CFC-regels niet toe te passen.

Hybridemismatchregels

Het voorstel schrapt de regels inzake geïmporteerde hybridemismatches. De Commissie acht deze regels te complex en te belastend voor zowel belastingplichtigen als belastingautoriteiten.

Algemene antimisbruikbepaling (GAAR)

De formulering van de GAAR wordt gewijzigd om de reikwijdte te verbreden tot alle directe belastingen waaraan vennootschappen onderworpen zijn (met de bedoeling om ook bronbelastingen en bijheffingen op grond van de Pijler 2-richtlijn daaronder te brengen).

De Interest- en royaltyrichtlijn (IRR)

Het voorstel schrapt het minimumdeelnemingsvereiste van 25% uit de definitie van “verbonden onderneming”, wat betekent dat alle intra-EU-rente- en royaltybetalingen in aanmerking zouden komen voor de vrijstelling van bronbelasting, ongeacht de omvang van het belang. Eveneens wordt de optie voor EU-lidstaten om een minimale bezitsperiode van ten minste twee jaar te eisen, ingetrokken.

EU-lidstaten mogen niet langer vooraf toestemming of een administratieve procedure eisen om bij de betaling te controleren of de vrijstelling van toepassing is. In plaats daarvan wordt de toepasselijkheid zelf beoordeeld door de belastingplichtige, onder voorbehoud van controle achteraf en antimisbruikregels. 

Daarnaast komt er een nieuwe maatregel tegen dubbele niet-heffing: de bronlidstaat moet bronbelasting heffen of de aftrek weigeren als de ontvanger is gevestigd in een land buiten de EU dat geen vennootschapsbelasting heft of een nultarief kent. Die maatregel geldt niet als de ontvanger onder de Pijler 2-regels valt, tenzij de groep haar hoofdkantoor heeft in een land met een kwalificerend side-by-side-regime.

De FASTER-richtlijn wordt zodanig gewijzigd dat inkomsten uit beursgenoteerde effecten die in aanmerking komen voor de IRR-vrijstellingen, kunnen profiteren van de versnelde teruggaafprocedures (fast-track) van FASTER.

De Moeder-dochterrichtlijn (MDR)

Het minimumbelang van 10% in de definitie van “moedermaatschappij” wordt geschrapt. Daardoor komen alle intra-EU-dividenden en andere winstuitkeringen in aanmerking voor de vrijstelling van bronbelasting en de deelnemingsvrijstelling, ongeacht de omvang van het belang. Ook breidt de richtlijn haar bereik uit naar pensioeninstellingen, ongeacht hun rechtsvorm, via een uitzondering op het onderworpenheidsvereiste.

De optie voor EU-lidstaten om de aftrek van kosten samenhangend het belang (beheerskosten) te weigeren, wordt beperkt tot belangen van ten minste 10%. In lijn met de IRR worden voorafgaande toestemmingsprocedures verboden, en worden de versnelde FASTER-procedures beschikbaar gesteld voor beursgenoteerde effecten.

Daarnaast bepaalt het voorstel uitdrukkelijk dat de MDR nationale antimisbruikmaatregelen “onverlet laat” die het ontwijken van vermogens- of inkomstenbelasting via houdstervennootschappen tegengaan. Deze passage stond nog niet in het eerder uitgelekte ontwerp en lijkt een reactie op de zorg dat het schrappen van het minimumbelang het aantrekkelijker maakt om beleggingsportefeuilles via een persoonlijke houdstervennootschap aan te houden.

Fusierichtlijn

Het voorstel moderniseert de Fusierichtlijn, zodat deze aansluit op recente ontwikkelingen in het EU-vennootschapsrecht en de fiscale neutraliteit bij grensoverschrijdende reorganisaties behouden blijft. Daarmee volgt de richtlijn in grote lijnen dezelfde vereenvoudiging als de IRR en de MDR. De definitie van “fusie” wordt uitgebreid met “vereenvoudigde fusies” en die van “splitsing” omvat nu ook “splitsing door afsplitsing”.

Een nieuw hoofdstuk voegt regels toe voor fiscale neutraliteit bij grensoverschrijdende omzettingen. Die regels gaan verder dan voorheen, toen alleen Europese Vennootschappen (SE) en Europese Coöperatieve Vennootschappen (SCE) eronder vielen. Vermogenswinsten uit zo’n omzetting worden dan niet belast in de lidstaat van vertrek, zolang de vennootschap daar fiscaal inwoner blijft of er een vaste inrichting houdt die met de activa is verbonden.

FASTER-richtlijn

Het voorstel wijzigt de FASTER-richtlijn zo dat de bronbelastingvrijstellingen onder de IRR en de MDR voortaan ook gebruik kunnen maken van de procedures voor vermindering aan de bron (relief-at-source) en snelle teruggaaf (quick-refund). Soms kan de vrijstelling niet meteen worden toegepast, bijvoorbeeld bij beursgenoteerde effecten die via financiële tussenpersonen of nominee accounts worden aangehouden. In die gevallen kunnen belastingplichtigen die recht hebben op de IRR- of MDR-vrijstelling alsnog terugvallen op de versnelde FASTER-procedures.

Wat is de impact van de Tax Omnibus voor Nederland?

Neemt de Raad het voorstel aan in de vorm die de Europese Commissie nu voorstelt, dan zou Nederland bestaande wetgeving op verschillende punten moeten aanpassen.

Met betrekking tot de renteaftrekbeperking (artikel 15b Wet Vpb) zou het EBITDA-percentage moeten worden verhoogd van 24,5% naar 30%. Leningen van derden zouden onder bepaalde voorwaarden moeten worden uitgesloten van de renteaftrekbeperking. De groepsescape (group escape) zou in wetgeving moeten worden vastgelegd, wat met name relevant is voor kapitaalintensieve sectoren die om legitieme redenen sterk met vreemd vermogen zijn gefinancierd.

De Nederlandse deelnemingsvrijstelling (artikel 13 Wet Vpb) geldt nu pas vanaf een belang van 5% en belangen onder die grens zijn in beginsel belast. Nederland zal de deelnemingsvrijstelling daarom moeten herzien en in beginsel moeten uitbreiden tot portefeuillebelangen van minder dan 5%. Voor uitgaande dividenden is de vrijstelling van bronbelasting gekoppeld aan de deelnemingsvrijstelling en zou deze, onder het voorstel, moeten gelden voor in de EU gevestigde vennootschappelijke aandeelhouders, ongeacht de omvang van het belang. 

Het schrappen van het minimumdeelnemingsvereiste kan het aanhouden van portefeuillebeleggingen via een persoonlijke houdstervennootschap aantrekkelijker maken. In een dergelijke structuur kunnen dividenden profiteren van de deelnemingsvrijstelling, terwijl de heffing op het niveau van de aandeelhouder wordt uitgesteld tot realisatie (box 2). Een toegevoegde antimisbruikwaarborg bevestigt echter dat EU-lidstaten de mogelijkheid behouden om dergelijke arbitrage tussen box 2 en box 3 met gerichte maatregelen aan te pakken, zonder inbreuk te maken op de MDR.

De relevante wijzigingen in de MDR en de IRR gaan naar verwachting pas gelden vanaf 1 januari 2037, waardoor de urgentie op korte tot middellange termijn beperkt is. Toch zullen zij de vormgeving van de Nederlandse deelnemingsvrijstelling en de dividendbelasting waarschijnlijk structureel raken.

Vervolgstappen

Het voorstel vereist unanieme goedkeuring door de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 115 VWEU. De definitieve tekst zal daarom afhangen van politieke onderhandelingen tussen de EU-lidstaten en kan wezenlijk afwijken van het voorstel van de Europese Commissie. Het Europees Parlement heeft slechts een adviserende rol, wat betekent dat de Raad niet aan zijn advies is gebonden.

De Europese Commissie stelt voor dat de lidstaten de Omnibus uiterlijk op 31 december 2028 in nationaal recht omzetten, waarbij de nieuwe bepalingen van toepassing worden vanaf 1 januari 2029. 

Een aantal kernbepalingen kent echter uitgestelde toepassingsdata. Het meest opvallend is dat de belangrijkste wijzigingen in de IRR en de MDR, waaronder het schrappen van de deelnemingsvereisten en de invoering van gestroomlijnde teruggaafprocedures, pas vanaf 1 januari 2037 van toepassing zouden worden.

De verplichte drempel (safe harbour) van EUR 3 miljoen onder de renteaftrekbeperking zou van toepassing worden vanaf 1 januari 2032.

Altijd op de hoogte

Meld u aan voor PwC Belastingnieuws

Contact us

Maarten de Wilde

Maarten de Wilde

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)63 419 67 89

Vassilis Dafnomilis

Vassilis Dafnomilis

Senior Manager Tax, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 399 87 29

Volg ons