Meer datacenters bouwen in Nederland: het lijkt op het eerste gezicht moeilijk te rechtvaardigen. Toch zijn er goede redenen om hierin te blijven investeren, stelt Barbara Baarsma, hoofdeconoom van PwC. De ontwikkeling van digitale infrastructuur is essentieel voor onze economie. En datacenters zijn daar een belangrijk onderdeel van.
In een land waar vrijwel alle productiefactoren al tegen hun grenzen aanlopen, lijkt uitbreiding van energie-intensieve datacenterinfrastructuur misschien niet voor de hand te liggen. De Nederlandse economie draait al bijna op volle capaciteit. Ruimte is schaars. Het elektriciteitsnet is overbelast. De beschikbaarheid en kwaliteit van water staan onder druk. De milieugebruiksruimte wordt beperkter. En personeelstekorten raken vrijwel iedere sector.
Er is nog een reden voor scepsis. Datacenters lossen het hardnekkige productiviteitsprobleem van Nederland niet op. De groei van de arbeidsproductiviteit is de afgelopen tien jaar sterk afgezwakt. Het bouwen en runnen van datacenters levert relatief weinig directe werkgelegenheid op en verhoogt de productiviteit van de bredere economie nauwelijks. Als we datacenters alleen beoordelen op hun directe bijdrage aan werkgelegenheid en economische productie, lijken ze misschien niet de meest waardevolle bestemming voor de schaarse Nederlandse middelen.
En toch is er een overtuigende reden om in datacenters te blijven investeren. Datacenters zijn meer dan gebouwen vol servers. Ze vormen een essentieel onderdeel van de infrastructuur voor wat de volgende fase van economische ontwikkeling kan worden: de intelligentie-economie.
Eeuwenlang steunde de economische groei op een vast rijtje productiefactoren: arbeid, kennis, kapitaal, grond, grondstoffen en de natuur zelf. Nu komt daar een nieuwe factor bij: kunstmatige intelligentie.
Soms krijgt AI een fysieke vorm, zoals robots en autonome machines. Maar vaker bestaat AI uit digitale toepassingen, zoals grote taalmodellen (LLM's), AI-agents en toepassingen die steeds meer op digitale collega's lijken. Ze kunnen complete processen uitvoeren, in plaats van alleen losse taken.
Deze kunstmatige systemen leren sneller dan mensen, verwerken informatie op een schaal die mensen niet kunnen bijbenen en lossen complexe vraagstukken op in een fractie van de tijd die voorheen nodig was. In de overgang naar een intelligentie-economiezetten machines -onder menselijke regie- data steeds vaker om in oplossingen, hogere productiviteit en nieuwe vormen van waardecreatie.
Deze verschuiving is al zichtbaar in de Nederlandse economie. Van elke euro die in Nederland wordt verdiend, komt inmiddels bijna tien cent voort uit data. In 2024 waren dataproducten goed voor 9,6 procent van het bbp.
Naarmate data een belangrijkere productiefactor wordt, groeit ook de behoefte om data op te slaan, te verwerken en om te zetten in nieuwe toepassingen. Daarvoor is rekenkracht nodig: van CPU's, GPU's, NPU's en andere gespecialiseerde chips die de ruggengraat vormen van moderne AI-systemen.
En rekenkracht vraagt om fysieke infrastructuur. Datacenters zijn dus niet langer alleen plekken om informatie op te slaan. Ze zijn de fabrieken van de intelligentie economie.
Dat biedt kansen die veel verder gaan dan kostenbesparing en automatisering. AI kan bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken waar we al decennia mee worstelen. Denk aan het versnellen van onderhoud aan bruggen, sluizen en waterinfrastructuur. Aan het ontdekken van nieuwe medicijnen. Aan het versnellen van de energietransitie. Aan betere klimaatadaptatie. En aan efficiëntere mobiliteit en publieke dienstverlening.
Nieuwe ondernemingen zijn cruciaal voor deze ontwikkeling. Start-ups en scale-ups zijn vaak de bedenkers van nieuwe producten, diensten en bedrijfsmodellen. Ze richten zich minder op stapsgewijze optimalisatie en meer op het ontdekken van nieuwe vormen van waardecreatie.
Om te kunnen groeien, hebben zij toegang nodig tot geavanceerde rekenkracht. Zonder die toegang dreigt innovatie beperkt te blijven tot een klein aantal mondiale technologiebedrijven. Daarom is investeren in digitale infrastructuur zo belangrijk. En ja, dat geldt ook voor datacenters.
We moeten voorkomen dat toekomstige productiviteitsgroei wordt afgeremd door een tekort aan rekenkracht. De chips die kunstmatige intelligentie mogelijk maken, worden economisch net zo bepalend als elektriciteit, transportnetwerken en telecommunicatie in eerdere tijdperken.
Een land dat geen toegang heeft tot deze middelen, loopt het risico vooral gebruiker te worden van de volgende generatie technologie, in plaats van die technologie zelf te ontwikkelen.
Dit roept ook de vraag op hoe we onze strategische autonomie waarborgen, want rekenkracht en opslagcapaciteit worden snel strategische waarden. Europa zou niet afhankelijk moeten zijn van buitenlandse digitale infrastructuur voor technologie die steeds belangrijker wordt voor onze economie, publieke dienstverlening en nationale veiligheid.
Een veelbelovend model zijn coöperatieve datacenters. Lokale partijen -van start-ups en scale-ups tot MKB en grote ondernemingen- kunnen daarbij gezamenlijk eigenaar zijn van reken-infrastructuur en de toegang daartoe delen. Zo'n model versterkt de technologische soevereiniteit van Europa en maakt AI-infrastructuur tegelijkertijd toegankelijker voor een bredere groep bedrijven.
Meer datacenters bouwen betekent natuurlijk niet dat we milieugebruiksgrenzen kunnen negeren. Integendeel. Ook datacenterexploitanten hebben er belang bij om het gebruik van elektriciteit en water zo veel mogelijk te beperken.
Minder verbruik verlaagt niet alleen de operationele kosten. Het vergroot ook de kans op een vergunning in een land dat te maken heeft met netcongestie en uitdagingen rond waterbeschikbaarheid. Dat wordt nog belangrijker vanaf 2027, wanneer de eisen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water verder worden aangescherpt.
Met de juiste prikkels kunnen datacenters onderdeel worden van de oplossing in plaats van het probleem. Slimme regelgeving kan economische en ecologische doelen beter met elkaar verbinden. Hogere waterprijzen kunnen efficiënt watergebruik stimuleren. En dynamische elektriciteitstarieven kunnen datacenters aanmoedigen om hun energieverbruik te verschuiven naar momenten waarop het elektriciteitsnet minder wordt belast. Ook batterijen kunnen daarbij een rol spelen. Datacenters kunnen daarmee energie opslaan en beschikbaar stellen wanneer het elektriciteitsnet daarom vraagt.
De echte vraag voor Nederland is niet óf we meer datacenters willen, maar welke datacenters we willen. Als datacenters strategisch worden geplaatst, zuinig omgaan met grondstoffen, onder Europese controle staan én bijdragen aan de Nederlandse intelligentie-economie, kunnen ze uitgroeien tot een van de belangrijkste investeringen in onze toekomstige productiviteit en welvaart.
Hoofdeconoom, PwC Netherlands
Barbara is hoofdeconoom van PwC Nederland en geeft in deze rol leiding aan het economisch bureau van PwC. Sinds 2009 is zij hoogleraar Toegepaste Economie aan de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast vervult zij verschillende maatschappelijke nevenfuncties.