11/12/19
Op 18 november 2019 is het wetsvoorstel Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen ter consultatie aangeboden door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit is het eerste uit het Pensioenakkoord voortvloeiende conceptwetsvoorstel dat betrekking heeft op het tweede- en derdepijlerpensioen. Eerder werd al de temporisering van de AOW-leeftijd geregeld. Deze temporisering van de AOW-leeftijd is ook een regeling die is gebaseerd op de afspraken uit het Pensioenakkoord, maar ziet op het pensioen uit de eerste pijler.
Het wetsvoorstel regelt drie afzonderlijke maatregelen. Allereerst creëert het wetsvoorstel de mogelijkheid tot een eenmalige uitkering van tien procent van het pensioenvermogen bij pensioeningangsleeftijd. Daarnaast regelt het een tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing bij vervroegde uitdiensttredingsregelingen. Ook breidt het wetsvoorstel de mogelijkheden tot fiscaal verlofsparen uit.
De eenmalige uitkering is volgens de wetgever een gedeeltelijke afkoop van het pensioenvermogen. In beginsel wordt afkoop van pensioen sterk ontmoedigd door fiscale wetgeving. Om die reden zijn er wetswijzigingen nodig om te voorkomen dat er fiscale strafheffing plaatsvindt bij het uitkeren van een deel van het pensioenvermogen. De pensioenuitvoerder van de deelnemer is verplicht om het verzoek tot afkoop toe te staan, als er is voldaan aan de volgende voorwaarden:
Momenteel is er in beginsel sprake van een fiscale boeteheffing wanneer een uitkering wordt gedaan die ervoor zorgt dat de werknemer vervroegd kan uittreden. Deze boeteheffing bestaat uit een pseudo-eindheffing van 52 procent die wordt gedragen door de werkgever. Deze fiscale regel wordt onder bepaalde voorwaarden versoepeld tussen 1 januari 2021 en 31 december 2025. Deze voorwaarden zijn als volgt:
Momenteel kunnen medewerkers tot vijftig weken fiscaal gefaciliteerd vakantie- en compensatieverlof opsparen, als de werkgever dit mogelijk maakt. Deze fiscale mogelijkheid wordt verhoogd naar een verlofspaarsaldo van honderd weken. Dit fiscaal verlof kan gebruikt worden voor vervroegde pensionering, maar ook voor bijvoorbeeld zorg- of sabbaticalverlof. Medewerkers zijn overigens wel verplicht hun wettelijke verlof daadwerkelijk te gebruiken. Op fulltimebasis zijn er twintig wettelijke verlofdagen dagen per jaar.
Alle uitvoerders
Pensioenuitvoerders moeten in hun communicatie de mogelijke hoogte van de eenmalige uitkering bij pensioeningangsdatum noemen. Daarnaast dienen de uitvoerders het verwachte verloop van de annuïtaire uitkeringen te schetsen, met en zonder gebruikmaking van de eenmalige uitkering. Ook dienen uitvoerders in hun communicatie te verwijzen naar de informatie van de Belastingdienst over de consequenties van een eenmalige uitkering op inkomstenbelastingheffing en eventuele toeslagen.
Pensioenfondsen
Pensioenfondsen hoeven bij het berekenen van de hoogte van de eenmalige uitkering geen rekening te houden met het uitdelen van positieve of negatieve buffers. Daarentegen werken doorgevoerde kortingen uit het verleden wel door in de waardebepaling van het pensioenvermogen. Het is belangrijk om op een uniforme en consistente manier de maximale waarde van de afkoop te berekenen.
Premiepensioeninstellingen
Bij waardeoverdracht op pensioendatum (“shoprecht”) moet de overdragende pensioenuitvoerder de deelnemer tot de overdrachtsdatum informeren over de eenmalige uitkering. Dit houdt in dat ook premiepensioeninstellingen moeten communiceren over de gevolgen van de eenmalige uitkering voor de annuïtaire uitkering.
Werkgevers
Er ontstaan door deze maatregelen mogelijkheden om werknemers eerder volledig of gedeeltelijk met pensioen te laten gaan. Bij het fiscaal verlofsparen kunnen deze verlofdagen gebruikt worden voor vervroegde pensionering. Daarnaast kunnen de dagen ingezet worden om het arbeidsvoorwaardenpakket te verbeteren.
Wat betreft de RVU-heffing is het voor werkgevers belangrijk om een plan te maken wanneer vervroegde uittreding interessant is voor het personeelsbeleid. Indien het uit te keren bedrag voor 31 december 2025 bij een fonds of verzekeraar is gestort, geldt de gedeeltelijke vrijstelling van de RVU-heffing ook nog voor de uitloopjaren tot en met 31 december 2028. Wanneer het bedrag voor de uittredingsregeling niet vooraf gestort is, wordt daarom de mogelijkheid tot het gebruik van deze fiscale tegemoetkoming niet optimaal benut.
Wij houden u op de hoogte van verdere ontwikkelingen en informeren u zodra het wetsvoorstel na evt. verwerking van commentaren definitief wordt ingediend.