De FASTER-richtlijn (Faster and Safer Relief of Excess Withholding Taxes) heeft als doel procedures voor vermindering van te veel ingehouden bronbelasting binnen de EU te harmoniseren, te versnellen en beter bestand te maken tegen misbruik. De richtlijn moet uiterlijk 31 december 2028 zijn omgezet in nationale wetgeving en de nationale regels moeten vanaf 1 januari 2030 worden toegepast.
In ons eerdere Accountancy Insights-artikel over FASTER beschreven we de belangrijkste elementen van de richtlijn en de mogelijke gevolgen voor investeerders en financiële intermediairs. De Kamerbrief van 16 oktober geeft nu meer duidelijkheid over de keuzes die Nederland voornemens is te maken bij de implementatie.
Nederland is voornemens de FASTER-richtlijn te implementeren in één nieuwe belastingwet. Volgens het kabinet leent de richtlijn zich niet voor opname in een bestaande belastingwet, zoals de Algemene wet inzake rijksbelastingen of de Wet op de dividendbelasting 1965. Daarbij is het uitgangspunt om de richtlijn zo zuiver mogelijk te implementeren en onnodige nationale aanvullingen te vermijden.
De nieuwe wet krijgt daarmee een eigen positie binnen het Nederlandse fiscale stelsel. Besluiten die op grond van deze wet worden genomen, zullen binnen het gesloten stelsel van rechtsbescherming van de AWR vallen. Ook zullen gegevens die bij de uitvoering worden verkregen onder de fiscale geheimhoudingsplicht vallen.
Een belangrijke keuze betreft de procedure waarmee beleggers vermindering van dividendbelasting kunnen verkrijgen.
FASTER biedt lidstaten de mogelijkheid om te kiezen voor een relief-at-sourceprocedure, een quick-refundprocedure, of beide. Het Nederlandse kabinet kiest ervoor uitsluitend de procedure voor vermindering aan de bron te implementeren voor openbaar verhandelde aandelen. Daarbij wordt direct bij de dividenduitkering rekening gehouden met het toepasselijke verdragstarief.
Nederland implementeert dus geen afzonderlijke quick-refundprocedure onder FASTER. Volgens het kabinet beschikt Nederland al over relatief snelle bestaande teruggaafprocedures. Deze blijven gehandhaafd. Levert een investeerder de documentatie voor de relief at source-procedure niet tijdig aan, of heeft de gecertificeerde financiële intermediair (CFI) de vereiste processen niet tijdig ingericht, dan geldt dus alsnog het bestaande systeem. In die gevallen loopt de toepassing van het verdragstarief of de verlaagde inhouding via de reguliere teruggaafprocedure, en niet via verlaging aan de bron. Wel kondigt de staatssecretaris aan te willen onderzoeken of de huidige procedures voor vermindering van dividendbelasting onder belastingverdragen verder kunnen worden verbeterd.
FASTER introduceert daarnaast een Europese digitale woonplaatsverklaring. Nederland kiest voor een verklaring met een geldigheidsduur van één kalenderjaar, waarmee wordt aangesloten bij de bestaande praktijk van de Belastingdienst.
Nederland wil daarbij gebruikmaken van de mogelijkheid om aanvullende informatie in de verklaring op te nemen. Zo is het kabinet voornemens standaard alle belastingverdragen op te nemen, in plaats van uitsluitend het verdrag dat in een specifiek geval van toepassing is. Volgens de Kamerbrief moet deze standaardisatie ook bijdragen aan een lagere uitvoeringslast.
Ook ten aanzien van de rapportageverplichtingen maakt Nederland een duidelijke keuze. FASTER verplicht CFI's bepaalde gegevens te rapporteren. Nederland kiest voor indirecte rapportage. Dit betekent dat de CFI's in de betalingsketen de informatie over hun activiteiten en betalingen niet rechtstreeks aan de Belastingdienst zullen rapporteren maar dat ze deze informatie door de gehele betalingsketen aan de inhoudingsplichtige CFI zullen rapporteren. De inhoudingsplichtige CFI zal vervolgens de geaggregeerde informatie aan de Belastingdienst rapporteren . Volgens het kabinet is deze vorm technologisch minder complex en beperkt deze het aantal intermediairs dat rechtstreeks informatie hoeft aan te leveren. Voor bepaalde CFI's kan dit daarentegen wel tot een hogere administratieve last leiden.
Voor financiële instellingen blijft de impact van FASTER daarmee breder dan uitsluitend tax. Zoals we ook in ons eerdere artikel beschreven, brengt FASTER nieuwe rapportage-, verificatie- en due-diligenceverplichtingen voor CFI's met zich mee.
Nederland wil gebruikmaken van vier van de zes mogelijke uitsluitingsgronden die FASTER biedt. De relief-at-sourceprocedure kan volgens het kabinetsvoornemen niet worden gebruikt wanneer:
het betreffende aandeel is verkregen via een transactie binnen vijf dagen vóór de ex-dividenddatum;
de dividenduitkering samenhangt met een financiële regeling, zoals bepaalde derivaten, die vóór de ex-dividenddatum nog niet is beëindigd;
aanspraak wordt gemaakt op een vrijstelling van dividendbelasting; of
aanspraak wordt gemaakt op een verlaagd bronbelastingtarief dat niet voortvloeit uit een belastingverdrag.
De eerste twee uitsluitingen houden volgens het kabinet verband met het verhoogde risico op dividendstripping. Bij vrijstellingen en niet-verdragsrechtelijke tariefverlagingen acht het kabinet de vooraf beschikbare waarborgen onvoldoende om met voldoende zekerheid vast te stellen dat recht bestaat op de vermindering waarop FASTER ziet.
Nederland kiest er niet voor om dividenduitkeringen boven €100.000 per geregistreerde eigenaar en betalingsdatum om die reden van de procedure uit te sluiten. Bij dergelijke hoge dividenduitkeringen wil het kabinet wel aanvullende informatie laten rapporteren aan de Belastingdienst. Ten minste één van de financiële intermediairs in de betalingsketen voor effecten is geen gecertificeerde financiële intermediair en geen gecertificeerde financiële intermedia
De Nederlandse keuze om gevallen waarin aanspraak wordt gemaakt op een vrijstelling van dividendbelasting uit te sluiten is in het bijzonder relevant voor partijen die van dergelijke vrijstellingen gebruikmaken.
Pensioenfondsen kunnen recht hebben op een gehele vrijstelling of op een nationaalrechtelijke verlaging. Wanneer lidstaten dergelijke gevallen uitsluiten, kan het toepassingsbereik van FASTER voor pensioenfondsen beperkter zijn en blijven zij voor deze situaties aangewezen op bestaande teruggaafprocedures.
De nu aangekondigde Nederlandse keuze maakt dit aandachtspunt concreet: aanspraken die buitenlandse investeerders doen op een vrijstelling en op een verlaagd tarief dat niet uit een belastingverdrag voortvloeit, worden volgens het huidige kabinetsvoornemen inderdaad uitgesloten van de relief-at-source procedure.
Omnibusrichtlijn voor directe belastingen. Volgens de Kamerbrief stelt de Europese Commissie daarin voor om de FASTER-procedures uit te breiden naar situaties onder de Interest & Royaltyrichtlijn en de Moeder-dochterrichtlijn, waaronder situaties waarin vrijstellingen aan de bron spelen. Daarmee zouden ook pensioenfondsen toegang krijgen tot de FASTER-procedures.
Dat raakt rechtstreeks aan de huidige Nederlandse keuze om situaties waarin aanspraak wordt gemaakt op een vrijstelling juist buiten de FASTER-procedure te houden. Vooralsnog houdt het kabinet vast aan deze uitsluiting, maar het geeft aan de verdere ontwikkelingen rond het Omnibusvoorstel mee te nemen bij de implementatie.
Met de Kamerbrief is meer duidelijkheid ontstaan over de wijze waarop Nederland voornemens is de FASTER-richtlijn te implementeren. De keuze voor vermindering aan de bron, indirecte rapportage en de vier uitsluitingsgronden geeft investeerders en financiële intermediairs meer inzicht in de toekomstige Nederlandse toepassing van FASTER. Tegelijkertijd zijn de Nederlandse regels nog niet definitief. Er komt een internetconsultatie. Ook organiseert het kabinet een bijeenkomst voor belanghebbenden en streeft ernaar het wetsvoorstel rond de zomer van 2027 bij de Tweede Kamer in te dienen.
De gekozen uitsluitingsgronden betekenen dat de FASTER-procedure niet in alle situaties kan worden toegepast. Dit is met name relevant voor buitenlandse pensioenfondsen en andere buitenlandse investeerders die aanspraak maken op een vrijstelling van dividendbelasting of op een verlaagd tarief dat niet voortvloeit uit een belastingverdrag. Zij kunnen voor dergelijke situaties geen gebruikmaken van de Nederlandse relief-at-sourceprocedure onder FASTER.
Voor financiële intermediairs brengt de implementatie van FASTER daarnaast aanpassingen met zich mee op het gebied van onder meer rapportage, due diligence, verificatie en gegevensverwerking. Deze verplichtingen zullen ook gevolgen hebben voor de inrichting van interne processen en systemen. De nu aangekondigde Nederlandse beleidskeuzes bieden meer duidelijkheid voordeze voorbereidingen.
Tot slot blijft de ontwikkeling op Europees niveau relevant. In de Omnibusrichtlijn wordt voorgesteld de FASTER-procedures uit te breiden naar de Interest & Royaltyrichtlijn en de Moeder-dochterrichtlijn. Dit raakt aan de Nederlandse keuze om situaties waarin aanspraak wordt gemaakt op een vrijstelling, bijvoorbeeld door pensioenfondsen, vooralsnog uit te sluiten. Het kabinet heeft aangegeven de verdere ontwikkelingen rond de Omnibusrichtlijn mee te nemen bij de implementatie van FASTER.