Tax Accounting impact op de (IFRS) jaarrekening

Tax Accounting impact Belastingplan 2027

Tax Accounting impact NL Pillar Two implementatie
  • 16/09/26

Op Prinsjesdag 2026 kondigde het Nederlandse minderheidskabinet verschillende wijzigingen aan als gevolg van het Belastingplan 2027. Deze voorstellen zijn nog niet definitief en moeten nog door het parlement worden goedgekeurd.

 

Deze publicatie richt zich op de gevolgen voor de jaarrekening van de voorgestelde wijzigingen met betrekking tot de vennootschapsbelasting en de Wet minimumbelasting. Bij de analyse van de voorgestelde maatregelen en de mogelijke impact daarvan op de jaarrekening gaan wij uit van de International Financial Reporting Standards (IFRS).

Aangekondigde maatregelen in de Wet op de vennootschapsbelasting

Hier vind je een overzicht van alle maatregelen uit het Belastingplan 2027. In dit deel van onze publicatie richten wij ons op de impact van drie ontwikkelingen op de fiscale positie in de jaarrekening.

Verhoging van het aftrekpercentage van de Energie-investeringsaftrek (EIA)

Het percentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt verhoogd van 40% naar 45,5%. De EIA biedt een aanvullende aftrek op de belastbare winst voor kwalificerende investeringen in nieuwe, energie-efficiënte bedrijfsmiddelen, mits onder meer tijdig elektronisch melding is gedaan en de vereiste bevestiging van de bevoegde autoriteit is verkregen.

De verhoging van het percentage levert een aanvullend voordeel op in de vorm van een lagere acute belastinglast. De EIA is een aanvullende aftrek boven op de reguliere afschrijving en verlaagt de fiscale grondslag van het onderliggende actief niet. Daarom zal de voorgestelde maatregel in het algemeen alleen gevolgen hebben voor de acute belastinglast en niet leiden tot een effect op de latente belastingen.

Valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten onder de deelnemingsvrijstelling

Artikel 13, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bepaalt dat valutaresultaten op een transactie die het valutarisico met betrekking tot een deelneming afdekt, onder de deelnemingsvrijstelling kunnen vallen, mits de inspecteur dit vooraf heeft bevestigd bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Op grond van de voorgestelde maatregel blijft deze behandeling op verzoek beschikbaar voor niet in de prijs verwerkte of onvoorspelbare valutaresultaten. Deze behandeling zal niet langer beschikbaar zijn voor in de prijs verwerkte valutaresultaten, dat wil zeggen valutaresultaten die te verwachten zijn omdat ze verband houden met de sterkte of zwakte van de valuta betrokken valuta’s.

Voor de jaarrekening moeten ondernemingen de behandeling van de relevante afdekkingsinstrumenten voor de fiscale positie opnieuw beoordelen zodra de voorgestelde maatregel wordt aangenomen. Als de deelnemingsvrijstelling niet langer van toepassing is op het afdekkingsinstrument, heeft dit gevolgen voor het effectieve belastingtarief (in vergelijking met voorgaand(e) jaar/jaren), omdat het valutaresultaat niet langer leidt tot een permanent verschil. Het uitstellen van belastbare niet-gerealiseerde valutaresultaten heeft daarnaast gevolgen voor de fiscale waardering en kan daarom leiden tot latente belastingvorderingen en/of -verplichtingen. Als het onderscheid tussen in de prijs verwerkte en niet in de prijs verwerkte valutaresultaten onzeker is, moet ook rekening worden gehouden met de vereisten voor onzekere belastingposities op grond van IFRIC 23.

Afschaffing van de renteaftrekbeperking voor woningcorporaties

Woningcorporaties worden vanaf 2028 volledig uitgezonderd van de earningsstripping renteaftrekbeperking (ATAD-maatregel), waardoor het volledige saldo aan renten jaarlijks aftrekbaar is (afgezien van eventuele andere beperkingen). De huidige regeling blijft van toepassing op het voortgewentelde rentesaldo dat is ontstaan in boekjaren die aanvangen vóór 1 januari 2028.

Voor de jaarrekening moet worden beoordeeld of een latente belastingvordering (DTA) kan worden opgenomen voor de rente die in eerdere perioden niet in aftrek is gekomen, zodra de wetswijziging is aangenomen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mate waarin het waarschijnlijk is dat kwalificerende winst beschikbaar zal zijn waartegen het voortgewentelde bedrag aan niet-aftrekbare rente kan worden benut. In het bijzonder moet rekening worden gehouden met het effect van het terugnemen van uitgestelde belastingverplichtingen (DTLs). Als onvoldoende DTLs beschikbaar zijn, worden de andere bronnen van belastbare winst in aanmerking genomen. Zodra de wetswijziging is aangenomen, kan deze vanaf 2028 ook leiden tot een lagere acute belastinglast, omdat er meer ruimte is om rente af te trekken. 

Aangekondigde maatregelen met betrekking tot de Wet minimumbelasting 2024

Als onderdeel van het Belastingplan 2027 heeft de Nederlandse regering het wetsvoorstel Regels inzake safe harbours in de Wet minimumbelasting 2024 bij de Tweede Kamer ingediend. Met dit wetsvoorstel implementeert Nederland het Side-by-Side-pakket (“SbS-pakket”) waarover op 5 januari 2026 binnen het Inclusive Framework van de OESO overeenstemming is bereikt. Het wetsvoorstel introduceert vier nieuwe safe harbours onder Pillar Two, verlengt de tijdelijke Country-by-Country veiligehavenregel en voorziet, onder voorwaarden, in een gunstigere behandeling van bepaalde fiscale stimuleringsmaatregelen. Hoewel de wet op 1 januari 2027 in werking treedt, hebben verschillende maatregelen terugwerkende kracht tot 31 december 2025 of 1 januari 2026. Lees ook ons Belastingnieuwsbericht over de Nederlandse implementatie van het side-by-side pakket

In dit deel van onze publicatie richten wij ons op de tax accounting aspecten van het wetsvoorstel die relevant zijn voor de jaarrekening.

Verlenging van de tijdelijke CbCR Safe Harbour

De tijdelijke CbCR-veiligehavenregel wordt met één jaar verlengd. Deze voorgestelde verlenging heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 en is van toepassing op boekjaren die op of na die datum aanvangen. 

IFRS schrijft voor dat acute en latente belastingen worden gewaardeerd op basis van de belastingtarieven en belastingwetgeving die aan het einde van de verslagperiode zijn aangenomen of materieel van kracht zijn (“substantively enacted”). Ondernemingen moeten de gevolgen van de verlenging van de tijdelijke CbCR-veilighavenregel in relatie tot Nederland beoordelen voor verslagperioden die eindigen op of na de datum waarop de verlenging is aangenomen. Voor multinationale groepen die rapporteren op basis van een kalenderjaar betekent de verlenging feitelijk dat ook voor boekjaar 2027 rekening kan worden gehouden met de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel bij het rapporteren van acute belastingen als gevolg van Pillar Two.

Side-by-Side-safe Harbour

De Side-by-Side-safe harbour (“SbS”) — in het wetsvoorstel aangeduid als de veiligehavenregel voor het kwalificerende equivalente minimumbelastingstelsel — is bedoeld voor multinationale groepen waarvan de uiteindelijke moederentiteit (UPE) is gevestigd in een jurisdictie met een gekwalificeerd binnenlands en wereldwijd minimumbelastingstelsel. Als voor deze safe harbour wordt gekozen, wordt de bijheffing op grond van beide:

  • de inkomensinclusiemaatregel (“IIR”); en
  • de onderbelastewinstmaatregel (“UTPR”),

geacht nul te zijn.

De SbS-safe harbour heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 en is van toepassing op boekjaren die op of na die datum aanvangen. 

Zodra deze maatregel is aangenomen, moeten ondernemingen de gevolgen van de SbS-safe harbour voor de Pillar Two-belasting in relatie tot Nederland beoordelen voor verslagperioden die eindigen op of na de datum waarop de maatregel materieel is aangenomen (substantively enacted).

Wij wijzen erop dat de SbS-safe harbour alleen de toepassing van de IIR en UTPR buiten werking stelt en geen gevolgen heeft voor de bestaande kwalificerende binnenlandse bijheffingen (“QDMTT’s”) wereldwijd. Dit betekent dat multinationale ondernemingen die voor de SbS-safe harbour kiezen, nog steeds zijn onderworpen aan lokale QDMTT’s (bijvoorbeeld de Wmb 2024). Acute belastingen die voortvloeien uit de lokale QDMTT’s moeten in de jaarrekening worden verwerkt en afzonderlijk worden toegelicht. Dit geldt niet voor eventuele latente belastingen die voortvloeien uit QDMTT’s, vanwege de tijdelijke verplichte uitzondering op het opnemen en toelichten van informatie over latente belastingen die verband houden met Pillar Two-winstbelastingen (IAS 12, alinea 88A).

Simplified Effective Tax Rate Safe Harbour

De veiligehavenregel voor het vereenvoudigde effectieve belastingtarief (“SETR”) stelt multinationale groepen, onder bepaalde voorwaarden, in staat de volledige berekening onder de gedetailleerde Pillar Two-regels te vermijden. Net als bij de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel (en andere safe harbours die door de OESO zijn geïntroduceerd), stelt de SETR-safe harbour de bijheffing in een jurisdictie op nul wanneer deze van toepassing is. De SETR-safe harbour heeft terugwerkende kracht tot 31 december 2025 en is van toepassing op boekjaren die op of na die datum aanvangen. 

Zodra deze maatregel is aangenomen, moeten ondernemingen de gevolgen van de SETR-safe harbour voor de Pillar Two-belasting in relatie tot Nederland beoordelen voor verslagperioden die eindigen op of na de datum waarop de maatregel materieel is aangenomen. Aangezien deze safe harbour terugwerkende kracht heeft tot 31 december 2025, moeten MNE-groepen die rapporteren op basis van een kalenderjaar mogelijk rekening houden met de wisselwerking tussen de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel, de SETR-veiligehavenregel en de volledige Pillar Two-regels voor de boekjaren 2026 en 2027.

Hoewel de SETR-veiligehavenregel belangrijke vereenvoudigingen probeert te bewerkstelligen ten opzichte van de gedetailleerde Pillar Two berekening, blijft de berekening van de SETR complex. Zo is het concept van verschillen tussen Pillar Two en de boekwaarde volgens de financiële verslaggeving, zoals geïntroduceerd in de gedetailleerde Pillar Two-berekeningen, ook van toepassing onder de SETR-veiligehavenregel. Dit concept schrijft voor dat latente belastingen voor Pillar Two-doeleinden moeten worden bepaald op basis van de boekwaarde volgens de financiële verslaggeving en de Pillar Two-boekwaarde, indien de boekwaarde voor Pillar Two afwijkt van de financiële verslaggeving. Voor IFRS-doeleinden verandert het voorgaande niets aan de latente belastingvorderingen en -verplichtingen die momenteel in de jaarrekening worden gerapporteerd. Voor financiële verslaggevingsdoeleinden worden belastinglatenties die verband houden met tijdelijke verschillen (temporary differences) nog steeds bepaald op basis van de boekwaarde volgens de financiële verslaggeving ten opzichte van de fiscale boekwaarde. Voor Pillar Two-doeleinden worden de belastinglatenties berekend op basis van de boekwaarde voor Pillar Two ten opzichte van de fiscale boekwaarde. Als gevolg hiervan moeten multinationals een afzonderlijke administratie bijhouden om hun relevante tijdelijke verschillen en/of boekwaarden voor zowel financiële verslaggevings- als Pillar Two-doeleinden te monitoren ten opzichte van de fiscale boekwaarde; dit geldt ook onder de SETR-veiligehavenregel.

De volledige berekeningen voor Pillar Two bevatten een terugnameregel voor uitgestelde belastingverplichtingen (DTL-recapture rule) om bepaalde DTL’s die niet binnen vijf jaar zijn afgewikkeld, effectief buiten de berekening van de Pillar Two-belastingen te houden. Op grond van de terugnameregel leiden DTL’s die niet binnen vijf jaar vanaf de oorspronkelijke opname worden teruggenomen tot een herberekening van de bijheffingen over voorgaande jaren, waarbij deze uitgestelde belastingbedragen met terugwerkende kracht buiten de berekening van de Pillar Two-belastingen worden gelaten. Omdat dit leidt tot een relatief lager effectief belastingtarief, kan deze herberekening in het jaar waarin de herberekening plaatsvindt een aanvullende bijheffing voor Pillar Two veroorzaken. Als een rapporterende entiteit verwacht dat een opgenomen DTL in een toekomstig jaar zal leiden tot een bijheffing voor Pillar Two op grond van de werking van de DTL-terugnameregel, moet in de jaarrekening een verplichting worden opgenomen voor de geschatte te betalen bijheffing voor Pillar Two. De verplichting uit hoofde van de bijheffing zal worden geclassificeerd als langlopend (in lijn met IAS 1, alinea 69, en IFRS 18, alinea 101). Raadpleeg voor meer informatie FAQ9 van onze wereldwijde FAQ over fiscale verslaggeving onder IFRS met betrekking tot Pillar Two.

Een belangrijk verschil tussen de gedetailleerde berekeningen voor Pillar Two en de SETR-veiligehavenregel is dat uitgestelde belastinglasten die binnen de reikwijdte van de DTL-terugnameregel zouden vallen, niet kunnen worden meegenomen in de berekening van de SETR in het jaar waarin deze worden opgenomen. Dit betekent feitelijk dat de DTL-terugnameregel niet van toepassing is onder de SETR-veiligehavenregel en dat daarom geen langlopende verplichting voor deze DTLs in de jaarrekening moet worden opgenomen, indien de SETR-veiligehavenregel van toepassing is.

Pillar Two: Return-To-Provision (RTP)

Voor belastingplichtigen met een boekjaar gelijk aan het kalenderjaar, is de eerste indieningstermijn voor de GloBE Information Return (GIR) van 30 juni 2026 reeds verstreken. Nu de eerste GIRs zijn ingediend, dienen belastingplichtigen eventuele verschillen tussen de ingediende GIR over het boekjaar 2024 en eerdere schattingen van het bedrag aan bijheffing voor Pillar Two over boekjaar 2024 te beoordelen. Tegelijkertijd wordt verwacht dat sommige MNE-groepen wellicht bezwaar zullen maken tegen de GIR over boekjaar 2024 vanwege bepaalde standpunten die in die aangifte zijn ingenomen.

Voor de jaarrekening moet een boeking (‘Return-To-Provision’) in aanmerking worden genomen wanneer de in de GIR gerapporteerde bijheffing voor Pillar Two afwijkt van het eerder ingeschatte belastingbedrag. Deze return to provision boekingen moeten als acute belastinglast worden verwerkt, omdat op grond van de tijdelijke verplichte uitzondering van IAS 12, alinea 88A, geen latente belastingen met betrekking tot Pillar Two-winstbelastingen mogen worden opgenomen.

In gevallen waarin bezwaar wordt gemaakt tegen het ingenomen standpunt in de ingediende Pillar Two aangifte, moeten belastingplichtigen ook beoordelen of in de jaarrekening rekening moet worden gehouden met een onzekere belastingpositie, in overeenstemming met de vereisten van IFRIC 23.

Altijd op de hoogte

Meld u aan voor PwC Belastingnieuws

Contact us

Marcel Kriek

Marcel Kriek

Senior Director, Tax & Legal Tax Reporting & Strategy, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)62 265 01 94

Ying Than

Ying Than

Senior Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)63 419 08 23

Ralph Houmes

Ralph Houmes

Senior Associate, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 890 44 45

Volg ons