Het wetsvoorstel introduceert vier nieuwe veiligehavenregels binnen Piller Two, verlengt de tijdelijke Country-by-Country Reporting-veiligehavenregel en biedt onder voorwaarden een gunstigere behandeling van bepaalde fiscale stimuleringsregelingen. Hoewel de wet op 1 januari 2027 in werking treedt, krijgen verschillende maatregelen terugwerkende kracht tot 31 december 2025 of 1 januari 2026.
Het wetsvoorstel implementeert het internationale Side-by-Sidepakket in de Wet minimumbelasting 2024.
Er komen vier nieuwe veiligehavenregels: de Simplified ETR Safe Harbour, de Side-by-Side Safe Harbour, de UPE Safe Harbour en de Substance-based Tax Incentive Safe Harbour.
De tijdelijke CbCR-veiligehavenregel wordt met één jaar verlengd.
De nieuwe regels kunnen de berekenings- en rapportagelast voor multinationale groepen verminderen.
De Side-by-Side Safe Harbour en de UPE Safe Harbour laten de toepassing van de kwalificerende binnenlandse bijheffing — de Qualified Domestic Minimum Top-up Tax (QDMTT) — onverlet.
Verschillende maatregelen werken terug tot 31 december 2025 of 1 januari 2026.
Multinationale groepen moeten beoordelen welke veilige havens vanaf 2026 beschikbaar zijn en of zij daarvan gebruik willen maken.
“Met het Side-by-Sidepakket blijft Pijler 2 het uitgangspunt, maar wordt het systeem flexibeler. Multinationale groepen kunnen gebruikmaken van nieuwe veilige havens wanneer hun hoofdkantoorland al een robuust minimumbelastingstelsel heeft.”
Maarten de Wilde expert Pillar Two & EU-rechtDe Wet minimumbelasting 2024 bevat de Nederlandse regels voor de wereldwijde minimumbelasting voor grote multinationale ondernemingen. De regels zijn gebaseerd op de Europese minimumbelastingrichtlijn en de OESO-modelregels.
Het doel van Pillar Two is om bij multinationale groepen een effectief belastingtarief van ten minste 15% te waarborgen. Als de belastingdruk in een staat onder dat niveau blijft, kan een aanvullende belasting — de zogenoemde bijheffing — verschuldigd zijn.
Het Side-by-Sidepakket vormt een verdere ontwikkeling van de wereldwijde minimumbelasting. Het Inclusive Framework erkent dat sommige staten al een eigen minimumbelastingstelsel hebben dat vergelijkbare doelstellingen nastreeft als Pillar Two. Ook wordt erkend dat staten fiscale stimuleringsregelingen willen blijven gebruiken voor bijvoorbeeld innovatie en specifieke duurzaamheidsinvesteringen.
Het pakket bevat drie hoofdonderdelen:
veilige havens voor voldoende robuuste binnenlandse en wereldwijde minimumbelastingstelsels;
een gunstigere Pillar Two-behandeling van bepaalde fiscale stimuleringsregelingen; en
vereenvoudigingen van de berekening en rapportage.
Het wetsvoorstel vertaalt deze internationale afspraken naar de Nederlandse wetgeving.
“Het Side-by-Sidepakket brengt vereenvoudiging, maar ook nieuwe keuzemogelijkheden en voorwaarden. De uitdaging voor ondernemingen is daarom niet alleen om de regels te begrijpen, maar vooral om de juiste route binnen het stelsel te kiezen.”
Maarten de Wildeexpert Pillar Two & EU rechtDe nieuwe veiligehavenregels worden opgenomen in hoofdstuk 8 van de Wet minimumbelasting 2024. Zij komen naast de bestaande veiligehavenbepalingen.
De vier nieuwe veilige havens zijn:
Daarnaast wordt de tijdelijke kwalificerend-landenrapport-veiligehavenregel — de CbCR Safe Harbour — verlengd.
De Simplified Effective Tax Rate Safe Harbour — de vereenvoudigde effectievebelastingtarief-veiligehavenregel — biedt multinationale groepen de mogelijkheid om onder voorwaarden af te zien van de volledige berekening volgens de gedetailleerde Pillar Two-regels.
De berekening vindt plaats op basis van vereenvoudigde gegevens uit de financiële verslaggeving van de groep, aangevuld met specifieke correcties. De veilige haven wordt op het niveau van een staat toegepast.
De bijheffing wordt op nihil gesteld als:
het vereenvoudigde effectieve belastingtarief ten minste 15% bedraagt; of
sprake is van een vereenvoudigd verlies.
De regeling is bedoeld als een permanente vereenvoudigde veilige haven binnen Pillar Two. Zij kan de administratieve lasten beperken voor groepen die op basis van de vereenvoudigde gegevens kunnen vaststellen dat geen bijheffing verschuldigd is.
De regeling bevat diverse technische voorwaarden. Zo zijn er regels voor de toerekening van inkomen, kosten en belastingen aan staten. Ook gelden verschillende integriteitswaarborgen.
Herintredingsregel
De Simplified ETR Safe Harbour kent een herintredingsregel. Als een groep in een bepaald jaar niet aan de voorwaarden voldoet, kan de veilige haven in een later jaar opnieuw worden toegepast als gedurende de relevante periode van 24 maanden geen bijheffing verschuldigd is geweest.
Een verslagjaar waarin geen bijheffing wordt berekend, wordt daarbij onder voorwaarden aangemerkt als een verslagjaar waarin geen bijheffing verschuldigd is geweest. Deze herintredingsregel houdt verband met het permanente karakter van de Simplified ETR Safe Harbour.
Terugwerkende kracht
De Simplified ETR Safe Harbour krijgt terugwerkende kracht tot en met 31 december 2025. Voor verslagjaren die aanvangen tussen 31 december 2025 en 31 december 2026 kan de veilige haven echter allen worden toegepast indien één van de volgende situaties zich voordoet:
voor de betrokken staat is een kwalificerende binnenlandse bijheffing-veiligehavenregel van toepassing;
niet meer dan één staat is op grond van de Wet minimumbelasting 2024 of vergelijkbare, op de OESO-modelregels gebaseerde regelgeving gerechtigd om over de betrokken staat bij te heffen; of
in alle staten die op grond van de Wet minimumbelasting 2024 of vergelijkbare, op de OESO-modelregels gebaseerde regelgeving gerechtigd zijn om over de betrokken staat bij te heffen, kan de Simplified ETR Safe Harbour worden toegepast en de groep kiest in al die staten voor toepassing van die veilige haven.
De Side-by-Side Safe Harbour — in het wetsvoorstel aangeduid als de kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel-veiligehavenregel — is bedoeld voor multinationale groepen waarvan de uiteindelijke moederentiteit is gevestigd in een staat met een kwalificerend binnenlands én wereldwijd minimumbelastingstelsel.
Bij toepassing van deze veilige haven wordt de bijheffing op grond van zowel:
de inkomen-inclusiemaatregel — de Income Inclusion Rule of IIR; als
de onderbelastewinstmaatregel — de Undertaxed Profits Rule of UTPR,
op nihil gesteld.
De regeling moet voorkomen dat een groep zowel wordt onderworpen aan Pillar Two als aan een ander, als equivalent aangemerkt minimumbelastingstelsel.
Voorwaarden voor kwalificatie
Een staat moet aan verschillende voorwaarden voldoen om als staat met een kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel te worden aangemerkt.
Voor het binnenlandse belastingstelsel gelden onder meer de volgende voorwaarden:
het statutaire vennootschapsbelastingtarief bedraagt ten minste 20%;
er is een kwalificerende binnenlandse bijheffing of een alternatieve minimumwinstbelasting;
deze heffing is gebaseerd op het resultaat volgens een financiële verslaggevingsstandaard;
het tarief van de binnenlandse minimumheffing bedraagt ten minste 15%;
de heffing is van toepassing op een substantieel deel van de binnenlandse winsten van relevante multinationale groepen; en
er bestaat geen materieel risico dat de binnenlandse winsten van relevante groepen effectief tegen een tarief van minder dan 15% worden belast.
Voor het wereldwijde belastingstelsel gelden onder meer de volgende voorwaarden:
het stelsel ziet op inkomen uit activiteiten buiten de staat, waaronder inkomen van vaste inrichtingen en gecontroleerde lichamen;
het stelsel is van toepassing op zowel actief als passief buitenlands inkomen;
slechts beperkte uitzonderingen zijn toegestaan;
het stelsel bevat voldoende mechanismen om risico’s op grondslaguitholling en winstverschuiving te adresseren; en
er bestaat geen materieel risico dat de buitenlandse winsten van relevante multinationale groepen effectief tegen een tarief van minder dan 15% worden belast.
Daarnaast moet de staat voorzien in een regeling op grond waarvan buitenlandse winstbelasting, waaronder een kwalificerende binnenlandse bijheffing, voor verrekening in aanmerking komt.
Het Inclusive Framework beoordeelt of het belastingstelsel van een staat kwalificeert. De kwalificerende staten worden opgenomen in het centrale register (beschikbaar op de OESO-website). Thans zijn de Verenigde Staten opgenomen in het centrale register als staat met een kwalificerend Side-by-Sidestelsel.
Geen gevolgen voor de binnenlandse bijheffing
De Side-by-Side Safe Harbour heeft geen gevolgen voor de toepassing van de kwalificerende binnenlandse bijheffing, de Qualified Domestic Minimum Top-up Tax (QDMTT).
De binnenlandse bijheffing heeft voorrang boven de extraterritoriale bijheffingsregels van Pillar Two. Een keuze voor de Side-by-Side Safe Harbour betekent daarom niet dat alle Pillar Two-verplichtingen in de betrokken staten vervallen.
De Side-by-Side Safe Harbour kan ook gevolgen hebben voor belangen in joint ventures en met joint ventures verbonden entiteiten. Onder voorwaarden wordt de bijheffing over dergelijke belangen eveneens op nihil gesteld.
De Ultimate Parent Entity Safe Harbour — de UPE Safe Harbour — is beperkter dan de Side-by-Side Safe Harbour.
Deze veilige haven is bedoeld voor groepen waarvan de uiteindelijkemoederentiteit is gevestigd in een staat met een kwalificerend binnenlands minimumbelastingstelsel, maar zonder een kwalificerend wereldwijd minimumbelastingstelsel.
Bij toepassing van de UPE Safe Harbour wordt uitsluitend de UTPR-bijheffing die toerekenbaar is aan groepsentiteiten in de staat van de uiteindelijkemoederentiteit op nihil gesteld.
De regeling heeft geen gevolgen voor:
de toepassing van de inkomen-inclusiemaatregel;
de UTPR-bijheffing die ziet op activiteiten buiten de staat van de uiteindelijkemoederentiteit;
een QDMTT in andere staten; of
de rapportageverplichtingen die elders binnen de groep gelden.
Ook voor de UPE Safe Harbour geldt onder meer dat:
het statutaire vennootschapsbelastingtarief ten minste 20% bedraagt;
een kwalificerende binnenlandse bijheffing of alternatieve minimumwinstbelasting van toepassing is tegen een tarief van ten minste 15%; en
geen materieel risico bestaat dat relevante binnenlandse winsten effectief tegen een tarief van minder dan 15% worden belast.
De kwalificerende binnenlandse minimumheffing moet op 1 januari 2026 in werking zijn en van toepassing zijn. De UPE Safe Harbour vervangt in feite de tijdelijke UTPR-veiligehavenregel, maar kent strengere voorwaarden.
Het wetsvoorstel introduceert ook de Substance-based Tax Incentive Safe Harbour — de kwalificerende fiscale stimuleringsregeling-veiligehavenregel. Deze veilige haven ziet op bepaalde fiscale stimuleringsregelingen die verband houden met reële economische activiteiten in een staat.
Het moet gaan om een algemeen beschikbare fiscale stimuleringsregeling waarvan het bedrag:
wordt berekend op basis van gemaakte uitgaven, waarbij het bedrag niet hoger is dan die uitgaven; of
wordt bepaald aan de hand van de hoeveelheid materiële goederen die in de staat worden geproduceerd.
Het kan bijvoorbeeld gaan om stimuleringsregelingen ter ondersteuning van innovatie of specifieke duurzaamheidsinvesteringen.
Onder voorwaarden kan het effect van een dergelijke regeling voor Pillar Two-doeleinden worden geneutraliseerd. Hierdoor leidt de toepassing van de stimuleringsregeling niet automatisch tot een Pillar Two-bijheffing.
Technische werking
Het effectieve belastingtarief wordt voor Pillar Two-doeleinden berekend door de gecorrigeerde betrokken belastingen te delen door het relevante inkomen.
Een fiscale stimuleringsregeling kan de teller van deze breuk verlagen. Daardoor kan het effectieve belastingtarief onder 15% uitkomen en kan een bijheffing ontstaan.
De veiligehavenregel corrigeert dit effect onder voorwaarden. De verlaging van de teller wordt voor Pillar Two-doeleinden geheel of gedeeltelijk teruggedraaid. De belastingdruk wordt daardoor voor Pillar Two-doeleinden hoger voorgesteld dan de belastingdruk die de onderneming feitelijk heeft ondervonden.
De regeling is geen algemene vrijstelling voor fiscale stimuleringsregelingen, maar geldt alleen voor kwalificerende fiscale stimuleringsregelingen en voor zover aan de aanvullende voorwaarden wordt voldaan.Substance Cap
De gunstige behandeling wordt begrensd door een zogenoemde Substance Cap. De bedoeling daarvan is te waarborgen dat de regeling alleen toepassing vindt voor zover sprake is van reële economische activiteiten en investeringen.
Multinationale groepen kunnen per staat kiezen uit twee berekeningsopties. Het maximum bedraagt:
5,5% van het hoogste bedrag van de relevante loonkosten of de afschrijvingen op materiële vaste activa; of
1% van de boekwaarde van de in aanmerking komende materiële vaste activa in de staat, met uitzondering van gronden en andere materiële activa waarop niet wordt afgeschreven.
Een keuze voor de tweede optie ligt vijf jaar vast.
Verlenging van de CbCR-veiligehavenregel
De tijdelijke Country-by-Country Reporting-veiligehavenregel wordt met één jaar verlengd. De regeling blijft daardoor beschikbaar voor verslagjaren die aanvangen op of vóór 31 december 2027 en eindigen vóór 1 juli 2029.
De tijdelijke veilige haven stelt multinationale groepen onder voorwaarden in staat om op basis van een kwalificerend landenrapport en gegevens uit de financiële verslaggeving vast te stellen dat geen Pillar Two-bijheffing verschuldigd is.
Voor toepassing van deze veilige haven moet de groep beschikken over een kwalificerend landenrapport. In plaats van een volledige Pillar Two-berekening kan worden volstaan met een vereenvoudigde toets. Voor de verschillende verslagjaren gelden daarbij verschillende minimumtarieven:
16% voor verslagjaren die in 2025 aanvangen;
17% voor verslagjaren die in 2026 of 2027 aanvangen.
De verlenging vormt een overgang naar de permanente Simplified ETR Safe Harbour.
Technische aanpassingen voor boekjaren van 52 of 53 weken
Het wetsvoorstel bevat daarnaast een technische aanpassing voor multinationale groepen met een boekjaar van 52 of 53 weken.
De tijdelijke UTPR Safe Harbour kan daardoor ook worden toegepast op een verslagjaar dat op of vóór 31 december 2025 aanvangt en op of vóór 3 januari 2027 eindigt. Hiermee wordt voorkomen dat multinationale groepen met een 53-wekenboekjaar buiten de reikwijdte van de veiligehavenregel vallen uitsluitend vanwege de lengte van hun verslagjaar.
Rapportageverplichtingen blijven bestaan
Een keuze voor een veilige haven betekent niet dat alle Pillar Two-rapportageverplichtingen vervallen.
Multinationale groepen moeten een GloBE Information Return blijven indienen. Wel kan de rapportage worden vereenvoudigd, omdat bepaalde gegevens die uitsluitend betrekking hebben op de berekening van de IIR en de UTPR niet hoeven te worden aangeleverd, voor zover de toepasselijke rapportageregels daarin voorzien.
De rapportageverplichtingen voor een QDMTT blijven afzonderlijk bestaan. Groepen die actief zijn in een staat met een QDMTT moeten daarom blijven voldoen aan de lokale aangifte- en rapportageverplichtingen.
Ook moeten ondernemingen de gevolgen van een veiligehavenkeuze voor de financiële verslaggeving beoordelen. Het moment van verwerking hangt af van het toepasselijke verslaggevingsstelsel en van het moment waarop de wetgeving substantieel of formeel is vastgesteld.
De gevolgen van het Side-by-Sidepakket verschillen per groep en per staat. Multinationale groepen doen er goed aan om in ieder geval de volgende aandachtspunten te beoordelen.
Breng de beschikbare veilige havens in kaart
Onderzoek in welke staten binnen de groep een veilige haven beschikbaar is. Daarbij zijn onder meer van belang:
de vestigingsplaats van de uiteindelijkemoederentiteit;
de vraag of de relevante staat in het centrale register is opgenomen;
de aanwezigheid van een QDMTT;
de vraag of sprake is van een kwalificerende binnenlandse bijheffing;
de kwalificatie van het binnenlandse en eventuele wereldwijde belastingstelsel; en
de kwalificatie van eventuele fiscale stimuleringsregelingen.
Beoordeel of een keuze wenselijk is
De veilige havens zijn in beginsel optioneel. Een keuze kan de berekenings- en rapportagelast aanzienlijk verminderen, maar kan ook gevolgen hebben voor:
beschikbare keuzemogelijkheden binnen de Pillar Two-regels;
de informatie die in de GloBE Information Return moet worden opgenomen;
de toepassing in latere verslagjaren; en
de samenloop met een QDMTT of andere binnenlandse minimumheffing.
Een keuze moet daarom niet alleen worden beoordeeld vanuit het perspectief van de verschuldigde belasting, maar ook vanuit het perspectief van compliance, data en financiële verslaggeving.
Blijf rekening houden met QDMTT-verplichtingen
De Side-by-Side Safe Harbour en de UPE Safe Harbour stellen de binnenlandse bijheffing niet buiten werking.
Groepen moeten daarom afzonderlijk vaststellen:
in welke staten een QDMTT geldt;
of sprake is van een kwalificerende binnenlandse bijheffing;
welke lokale aangifte- en rapportageverplichtingen gelden; en
hoe de QDMTT doorwerkt in de internationale Pillar Two-berekening.
Onderzoek fiscale stimuleringsregelingen
Ondernemingen die gebruikmaken van fiscale stimuleringsregelingen moeten beoordelen:
of de regeling kwalificeert als Qualified Tax Incentive;
of de regeling algemeen beschikbaar is;
of het voordeel is gebaseerd op gemaakte uitgaven of op de hoeveelheid geproduceerde materiële goederen;
of de regeling verband houdt met reële economische activiteiten;
hoe de regeling doorwerkt in het effectieve Pillar Two-belastingtarief;
of toepassing van de Substance-based Tax Incentive Safe Harbour mogelijk is; en
hoe de Substance Cap uitwerkt.
Bereid de gegevens voor 2026 voor
Verschillende maatregelen werken terug tot 1 januari 2026. Groepen moeten daarom tijdig vaststellen welke gegevens nodig zijn om over 2026 een veilige haven toe te passen.
Dit betreft onder meer:
financiële verslaggevingsgegevens;
loonkosten;
materiële vaste activa;
fiscale stimuleringsregelingen;
gegevens uit het landenrapport; en
informatie over binnenlandse minimumheffingen.
Vergeet eerdere verslagjaren niet
Een veiligehavenkeuze vanaf 2026 verandert niets aan de verplichtingen over eerdere verslagjaren. Voor 2024 en 2025 moeten multinationale groepen hun Pillar Two-posities, berekeningen en rapportages blijven vaststellen op basis van de voor die jaren geldende Pillar Two-regels.
Vereenvoudiging met nieuwe keuzemogelijkheden
Het Side-by-Sidepakket is bedoeld om Pillar Two eenvoudiger en beter uitvoerbaar te maken. De nieuwe veilige havens kunnen voorkomen dat multinationale groepen ieder jaar de volledige berekening volgens de gedetailleerde Pillar Two-regels moeten maken.
Tegelijkertijd leidt het pakket tot verdere differentiatie binnen het stelsel. Ondernemingen krijgen te maken met meerdere veilige havens, afzonderlijke toelatingsvoorwaarden, keuzemogelijkheden, jurisdictielijsten en overgangsregimes.
De vereenvoudiging wordt vooral bereikt door alternatieve routes binnen het bestaande systeem te creëren. Dat kan de compliance voor een specifieke groep verminderen, maar vereist eerst een analyse van de beschikbare routes en de gevolgen van een keuze.
Het Side-by-Sidepakket laat een bredere spanning binnen Pillar Two zien. Enerzijds wordt een wereldwijde ondergrens van 15% nagestreefd. Anderzijds wordt ruimte geboden aan robuuste nationale minimumbelastingstelsels en aan bepaalde fiscale stimuleringsregelingen.
Pillar Two krijgt daarmee steeds meer het karakter van een gefragmenteerd systeem waarin uniformiteit en flexibiliteit naast elkaar bestaan.
“Voor multinationale groepen is het nu belangrijk om in kaart te brengen welke veilige havens beschikbaar zijn en of een keuze aantrekkelijk is. Dat kan de berekenings- en rapportagelast verminderen, maar de QDMTT- en andere rapportageverplichtingen blijven bestaan.”
Maarten de Wildeexpert Pillar Two & EU rechtHet wetsvoorstel treedt in werking op 1 januari 2027.
Verschillende onderdelen krijgen echter terugwerkende kracht:
de Simplified ETR Safe Harbour en daarmee samenhangende bepalingen: tot en met 31 december 2025;
de technische aanpassing voor de tijdelijke UTPR Safe Harbour bij 52- en 53-wekenboekjaren: tot en met 31 december 2025;
de verlenging van de CbCR-veiligehavenregel: tot en met 1 januari 2026; en
de Side-by-Side Safe Harbour, de UPE Safe Harbour en de Substance-based Tax Incentive Safe Harbour: tot en met 1 januari 2026.
Afsluitend
Met het wetsvoorstel Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 implementeert Nederland het Side-by-Sidepakket in de nationale wetgeving.
De belangrijkste wijzigingen zijn de introductie van vier nieuwe veiligehavenregels, de verlenging van de tijdelijke CbCR-veiligehavenregel en de gunstigere behandeling van bepaalde fiscale stimuleringsregelingen.
Voor multinationale groepen ligt de belangrijkste uitdaging niet alleen in het begrijpen van de nieuwe regels, maar vooral in het maken van de juiste keuzes. Groepen moeten beoordelen welke veilige havens beschikbaar zijn, welke gegevens daarvoor nodig zijn en hoe een keuze uitwerkt op de QDMTT, rapportageverplichtingen, financiële verslaggeving en toekomstige jaren.