Om in aanmerking te komen voor deze regeling, moet de onderneming aan verschillende voorwaarden voldoen. Een daarvan is het hebben van een RVO-beschikking, waaruit blijkt dat de onderneming kwalificeert als 'start-up' of 'scale-up'. Het is dan ook raadzaam om al in een vroeg stadium te beoordelen of jouw onderneming in aanmerking komt voor een dergelijke beschikking. Daarnaast is het verstandig om te bekijken of het huidige, voorgenomen werknemersnaandelenoptieplan voldoet aan de voorwaarden en wat de regeling concreet betekent voor het beloningsbeleid.
Volgens de toelichting op dit wetsvoorstel is een belangrijk deel van de toekomstige groei van Nederland afhankelijk van het succes van start-ups en scale-ups en de innovatie die deze bedrijven brengen. Met dit wetsvoorstel wil het kabinet deze bedrijven betere kansen bieden om succesvol te groeien in Nederland, onder andere door het ophalen van financiering in een vroege fase te vergemakkelijken en het aantrekken en behouden van talent te stimuleren.
Daarnaast beschikken start-ups en scale-ups vaak over onvoldoende financiële middelen om werknemers een concurrerende beloning te bieden. Werknemersaandelenopties kunnen dit verschil gedeeltelijk overbruggen. Hoewel werknemersparticipaties in verschillende vormen voorkomen, voorziet het wetsvoorstel uitsluitend in een fiscaal gunstige behandeling van werknemersaandelenoptieregelingen bij start-ups en scale-ups die aan de definitie voldoen.
Volgens de toelichting bij het wetsvoorstel blijkt de huidige fiscale behandeling van aandelenopties in Nederland ongunstig te zijn in vergelijking met andere (Europese) startuplanden zoals de Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Zweden. Het voordeel uit aandelenopties wordt nu belast in box 1 tegen het progressieve tarief, terwijl andere landen dit vaak lager belasten of als vermogenswinst behandelen.
Een startup of scale-up is volgens het wetsvoorstel een onderneming die gericht is op snelle groei door middel van een schaalbaar en herhaalbaar bedrijfsmodel dat zijn oorsprong vindt in innovatie. De aandelen mogen niet worden verhandeld op een gereguleerde markt en mogen niet voor meer dan 25 procent direct of indirect worden gehouden door een beursgenoteerd lichaam.
Onder een schaalbaar, herhaalbaar bedrijfsmodel wordt verstaan het vermogen van een onderneming om de omzet snel te laten groeien zonder ten minste lineaire inzet van meer mensen, meer middelen of hogere kosten, door gebruik te maken van technologie die lagere marginale kosten met zich brengt en schaalvoordelen biedt. Onder innovatie wordt verstaan het ontwikkelen of verbeteren van producten, diensten, processen of technologieën, waarbij sprake is van technische vernieuwing of wezenlijke functionele verbetering ten opzichte van de desbetreffende bedrijfstak.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) toetst of er sprake is van een start-up of scale-up en geeft hierover een beschikking af. Deze beschikking is acht jaar geldig en kan maximaal driemaal met vijf jaar worden verlengd.
Indien de geldigheidsduur van de beschikking die door de RVO is afgegeven afloopt, dan is er niet langer sprake meer van een start-up of scale-up als bedoeld in het wetsvoorstel. De regeling is dan niet meer van toepassing en de werknemersaandelenopties of de daaruit verkregen aandelen waarover op dat moment nog geen heffing heeft plaatsgevonden vallen terug in de bestaande regeling voor werknemersaandelenopties. De werknemer behoudt echter het fiscale voordeel (grondslagversmalling) voor de periode dat sprake was van een start-up of scale-up en dit voordeel wordt naar tijdgelang toegekend.
De limitatieve voorwaarden waaraan een aandelenoptierecht moet voldoen:
Werknemersaandelenopties die betrekking hebben op aandelen in een startup of scale-up en die kwalificeren als lucratief belang in de zin van artikel 3.92b Wet IB 2001, zijn uitgesloten van de voorgestelde aandelenoptieregeling. De voorgestelde aandelenoptieregeling is eveneens niet van toepassing op de werknemer die voor of na toekenning van de aandelenoptierechten een aanmerkelijk belang bezit als bedoeld in afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Dit kan een onbedoeld effect hebben op de reikwijdte van de regeling, omdat ook start-ups en scale-ups die geen relatie hebben met private equity – maar waarvan de participaties wel als lucratief belang kwalificeren – geen gebruik kunnen maken van de regeling. Daarnaast kan emigratie van de werknemer tot specifieke fiscale complicaties leiden, waaronder een mogelijke internationale mismatch en belastingheffing zonder dat liquide middelen beschikbaar zijn.
Het wetsvoorstel wijzigt de fiscale behandeling van werknemersaandelenopties die voldoen aan limitatieve voorwaarden op twee punten. Enerzijds geldt een grondslagversmalling: van het belastbare voordeel uit aandelenopties geldt dat slechts 65 procent als loonvoordeel wordt belast, waardoor het effectieve tarief uitkomt op ongeveer 32 procent. Daarnaast schuift het heffingsmoment naar het moment waarop de door uitoefening van de werknemersaandelenopties verkregen aandelen daadwerkelijk worden verkocht. Dit geldt ook als de werknemer in de tussentijd uit dienst gaat. Onder de huidige regeling vindt heffing al plaats op het moment dat de aandelen verhandelbaar worden, wat kan leiden tot een liquiditeitsprobleem, omdat de werknemer de aandelen op dat moment nog niet daadwerkelijk heeft verkocht. Een werknemer kan voor uitoefening kiezen om het heffingsmoment op uitoefening te laten plaatsvinden, of als de aandelen nog niet verhandelbaar zijn, op het moment dat deze verhandelbaar worden en dient dit schriftelijk kenbaar te maken aan de werkgever. De grondslagversmalling blijft bij de keuze voor een eerder heffingsmoment van toepassing. Verkoopt een werknemer het optierecht vóór uitoefening aan een derde, dan wordt het volledige voordeel op dat moment belast. De grondslagversmalling tot 65 procent is dan niet van toepassing.
Het streven is om de aandelenoptieregeling per 1 januari 2027 in werking te laten treden, mits de Eerste en de Tweede Kamer het wetsvoorstel goedkeuren.
Het wetsvoorstel met betrekking tot medewerkersparticipaties voorziet in overgangsrecht: de regeling is al van toepassing op werknemersaandelenopties die op of na 17 april 2025 zijn toegekend, mits deze op 31 december 2026 nog niet in de loonbelasting zijn betrokken en aan alle van de limitatief gestelde voorwaarden voldoen. De RVO-beschikking moet dan uiterlijk op 31 december 2027 zijn aangevraagd.