EU Gerecht verduidelijkt btw-gevolgen bedrijfsoverdracht

11/09/26

Bij de btw-behandeling van bedrijfsoverdrachten is de overgang van een algemeenheid van goederen een relevante faciliteit. Uit hoofde van het zogeheten "niet-leveringsbeginsel" is dan doorgaans geen btw verschuldigd. 

Het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het EU Gerecht) wees recent een drietal arresten die het toepassingsbereik van het niet-leveringsbeginsel scherper afbakenen, namelijk A&P Deco (T-397/25), Peckeger (T-413/25) en Szytelbiecka (T-366/25).

Wat betekent dit voor jouw organisatie?

De arresten zijn relevant voor iedere bedrijfsoverdracht of inbreng in natura, in het bijzonder bij transacties waarin vastgoed een rol speelt en bij bedrijfsopvolgingen met meerdere verkrijgers. Hieronder noemen wij op hoofdlijnen de belangrijkste bevindingen uit de drie arresten:

  • Een kapitaalstorting (inbreng) in natura kan tot een met btw belaste (fictieve) levering leiden. Valt de transactie buiten het niet-leveringsbeginsel, dan kan een inbreng dus tot btw-heffing leiden.

  • Het EU Gerecht lijkt te suggereren dat toepassing van het niet-leveringsbeginsel vereist dat de verkrijger recht op aftrek heeft. Dit verdient aandacht bij verkrijgers met een beperkt aftrekrecht.

  • Het niet-leveringsbeginsel geldt niet wanneer een verkrijger slechts een onverdeeld aandeel in de onderneming verkrijgt, ook niet als de verkrijgers de activiteit vervolgens gezamenlijk voortzetten.

  • Lidstaten die het niet-leveringsbeginsel hebben geïmplementeerd mogen de regeling niet beperken tot transacties in specifieke sectoren. De toegestane beperkingsgronden zijn uitputtend en het niet-leveringsbeginsel heeft rechtstreekse werking. 

  • Doorlopende diensten zoals verhuur van OG vallen buiten de werking van het niet-leveringsbeginsel maar kunnen wel leiden tot een herziening van voorbelasting bij de overdrager. 

Wil je weten wat deze arresten betekenen voor jouw situatie? Neem dan contact op met je vaste PwC-adviseur.

Bedrijfsoverdrachten en btw

Alle drie de zaken hebben betrekking op het niet-leveringsbeginsel van art. 19 Btw-richtlijn. Lidstaten mogen bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen (onder bezwarende titel, om niet of als inbreng in een vennootschap) bepalen dat geen levering heeft plaatsgevonden en dat de verkrijger in de plaats treedt van de overdrager. Art. 29 Btw-richtlijn verklaart die regeling van overeenkomstige toepassing op diensten. Er is dan geen btw verschuldigd. 

Het niet-leveringsbeginsel vereenvoudigt bedrijfsoverdrachten en voorkomt dat de verkrijger een groot bedrag aan btw moet voorfinancieren dat hij later (doorgaans) toch zou aftrekken. Heeft een lidstaat art. 19 Btw-richtlijn geïmplementeerd, dan moet hij het niet-leveringsbeginsel toepassen op elke overgang van een algemeenheid van goederen. Beperken mag uitsluitend op grond van concurrentieverstoring bij een niet (volledig) belastingplichtige verkrijger en het tegengaan van fraude of ontwijking. Die opsomming is uitputtend. 

Arrest A&P Deco (T-397/25): herzieningsplicht bij de verhuurder

Achtergrond 

A&P Deco exploiteerde een tuincentrum in eigen bedrijfsgebouwen, liet die in 2004 en 2005 bouwen, verbouwde tussen 2008 en 2011 en bracht de btw over die kosten volledig in aftrek. In 2013 droeg zij de handelszaak over als algemeenheid van goederen en sloot zij diezelfde dag een huurovereenkomst met de overnemer, zodat de overnemer het tuincentrum in dezelfde gebouwen kon voortzetten. De Belgische belastingdienst eiste na controle een deel van de afgetrokken btw terug. 

Oordeel van het EU Gerecht 

Het EU Gerecht volgt die lijn. De overgang van belast gebruik naar vrijgestelde verhuur wijzigt de elementen die het recht op aftrek bepalen, dus moet de overdrager-verhuurder de afgetrokken btw verhoudingsgewijs herzien. Beslissend is de kwalificatie van het huurrecht. Een verhuurrecht kan als onlichamelijke zaak deel uitmaken van de algemeenheid, maar moet dan al vóór de overgang hebben bestaan en zijn overgedragen. Sluit de overdrager bij de overdracht een nieuwe huurovereenkomst, dan ontstaat een nieuw recht dat buiten de overgang valt. Doorschuiven van de herzieningsschuld naar de huurder kan daarom niet, want die zou btw betalen over een transactie waarbij hij niet betrokken was of voor in de plaats is getreden.

Arrest Peckeger (T-413/25): inbreng van verhuurd vastgoed 

Achtergrond 

Peckeger dreef een Oostenrijkse eenmanszaak met meerdere btw-belast verhuurde panden en had de voorbelasting volledig in aftrek gebracht. In 2007 verrichtte Peckeger een inbreng van die panden in R GmbH, de vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder was, op basis van een overeenkomst tot inbreng in natura zonder verkrijging van extra aandelen. De Oostenrijkse belastingdienst zag een ruiltransactie van vastgoed tegen aandelen, belastte de inbreng en herzag de aftrek. Naar nationaal recht gold het niet-leveringsbeginsel niet, omdat de inkomsten uit verhuur en verpachting kwamen en niet uit een "commerciële activiteit". 

Oordeel van het EU Gerecht 

Het EU Gerecht verwerpt de Oostenrijkse beperking. Een nationale regeling die het niet-leveringsbeginsel beperkt tot bepaalde inkomstensoorten is niet terug te voeren op een van de toegestane beperkingsgronden in art. 19 Btw-richtlijn en is in strijd met het Unierecht. Het niet-leveringsbeginsel is voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk geformuleerd om rechtstreekse werking te hebben, zodat de belastingplichtige zich er rechtstreeks op kan beroepen. De Oostenrijkse regels dateren weliswaar van vóór de toetreding in 1995, maar vallen niet onder een standstillclausule. 

Opvallend is dat het EU Gerecht de prejudiciële vraag naar de algemeenheid van goederen voorrang geeft boven de kwalificatie als levering of onttrekking. Valt de transactie buiten het niet-leveringsbeginsel, dan is er geen levering onder bezwarende titel (een werkelijke tegenwaarde ontbreekt en nieuwe aandelen zijn niet uitgegeven), maar volgt heffing mogelijk alsnog via een onttrekking en wordt gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel. Hieruit lijkt te volgen dat aan een onttrekking niet wordt toegekomen wanneer de lidstaat art. 19 Btw-richtlijn juist heeft geïmplementeerd en de transactie daaronder valt, omdat er dan geen levering is. Het EU Gerecht zegt dit echter niet met zoveel woorden. 

Tot slot roept het arrest de vraag op of aftrekgerechtigdheid van de verkrijger een toepassingsvoorwaarde is van het niet-leveringsbeginsel. Die overweging lijkt eerder een onderbouwing van de doel en strekking van het niet-leveringsbeginsel dan een zelfstandige voorwaarde. Toch verdient dit punt aandacht bij overdrachten aan verkrijgers met beperkt aftrekrecht.

Arrest Szytelbiecka (T-366/25): overdracht aan meerdere verkrijgers 

Achtergrond 

De Poolse ondernemer Szytelbiecka wilde haar gehele onderneming schenken aan haar twee dochters, die elk 50% zouden verkrijgen, waarna Szytelbiecka haar economische activiteiten onmiddellijk zou beëindigen. De dochters dreven al een vennootschap onder firma (vof) en waren voornemens de geschonken onderneming daarin op te nemen en de activiteiten vrijwel ongewijzigd voort te zetten. Volgens de Poolse belastingdienst verwierf elke dochter slechts een onverdeeld aandeel in de onderdelen van de onderneming en niet het geheel. Zulk gedeeld eigendom maakt autonome uitoefening van economische activiteiten niet mogelijk. Bovendien zou niet de verkrijgers, maar de vof de activiteit voortzetten. 

Oordeel van het EU Gerecht 

Het EU Gerecht beoordeelt eerst of de schenking en de latere inbreng één ondeelbare prestatie vormen. Dat is niet het geval, want het gaat om zelfstandige handelingen, namelijk de schenking van elk 50% en de daaropvolgende inbreng van elk aandeel in de vof. Elke dochter is als mede-eigenaar een afzonderlijk rechtssubject en zonder toestemming van de ander beschikken over haar aandeel en al dan niet besluiten tot inbreng in de vof. Bovendien hangt inbreng niet af van de schenking en vindt later plaats. 

Vervolgens toetst het EU Gerecht de voorwaarden voor het niet-leveringsbeginsel. Het overgedragen geheel moet volstaan om een autonome economische activiteit voort te zetten en de verkrijger moet het voornemen hebben die voort te zetten. Aan de eerste voorwaarde is niet voldaan. Een aandeel van 50% biedt niet de mogelijkheid om een autonome economische activiteit uit te oefenen, want het vertegenwoordigt slechts de helft van de onderneming en biedt afzonderlijk niet de middelen om de activiteit als geheel voort te zetten. Dat de dochters hun aandelen wilden inbrengen in een vennootschap die de activiteit wél voortzet, doet daar niet aan af, want het EU Gerecht beoordeelt elke overdracht afzonderlijk. Aan de tweede voorwaarde, het voornemen, komt het EU Gerecht niet meer toe. Het niet-leveringsbeginsel is niet van toepassing.

Altijd op de hoogte

Meld u aan voor PwC Belastingnieuws

Contact us

Simon Cornielje

Simon Cornielje

Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 387 92 81

Joël de Vries

Joël de Vries

Senior Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)68 136 62 37

Robert Lantman

Robert Lantman

Partner - Indirect Taxes, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 183 82 79

Volg ons