{{item.title}}
{{item.text}}
{{item.text}}
Op 2 april 2025 presenteerde president Trump een groot bord met daarop de zogeheten Reciprocal Tariffs: aanvullende handelstarieven voor goederen die in de Verenigde Staten worden ingevoerd, gedifferentieerd per land. Als belangrijkste rechtvaardiging voor de invoering van deze tarieven wees de Trump-administratie op het handelstekort van de Verenigde Staten, dat wil zeggen dat de Verenigde Staten structureel meer goederen importeren dan exporteren. Volgens de Trump‑administratie vormde dit handelstekort een nationale noodtoestand, en was de invoering van deze tarieven daarom gerechtvaardigd.
Al vóór de introductie van de Reciprocal Tariffs waren andere aanvullende tarieven ingevoerd, vooral gericht op China, Canada en Mexico. Ook deze maatregelen werden gerechtvaardigd vanuit het oogpunt van nationale veiligheid, namelijk om de Verenigde Staten te beschermen tegen de invoer van fentanyl en bepaalde grondstoffen voor de productie van deze drug.
Ook na de introductie van de Reciprocal Tariffs kwamen de Verenigde Staten met aanvullende heffingen op diverse productgroepen, waaronder auto’s en auto-onderdelen, staal en aluminium. Deze laatste productgroep bevat ook een groot aantal afgeleide producten van staal en aluminium.
De ontwikkelingen rondom de invoertarieven volgen elkaar sindsdien in hoog tempo op. Regelmatig worden aankondigingen gedaan van invoertarieven, welke vervolgens worden uitgesteld en daarna opnieuw gewijzigd. Bedrijven verkeren daardoor voortdurend in onzekerheid over waar zij aan toe zijn.
Bovendien hing lange tijd de vraag boven de markt of de Trump-administratie de Reciprocal Tariffs wel rechtmatig had mogen invoeren. Dit geldt ook voor de tarieven op China, Canada en Mexico en andere landspecifieke heffingen - onder meer gericht op India vanwege de voortgezette aankoop van Russische olie. Deze tarieven worden ook wel aangeduid als de IEEPA Tariffs, naar de International Emergency Economic Powers Act.
De Amerikaanse productspecifieke aanvullende heffingen op diverse productgroepen staan overigens juist niet ter discussie. Hoewel ook deze maatregelen zijn ingevoerd in het kader van de nationale veiligheid, is hieraan een formeel onderzoek voorafgegaan om vast te stellen of de invoer van deze producten daadwerkelijk schadelijk is voor de Verenigde Staten. Deze heffingen zijn dus niet zonder meer en niet eenzijdig door de president opgelegd.
Deze aanvullende tarieven verschillen naar gelang de oorsprong van een product. Welk land het land van oorsprong is, wordt bepaald op basis de niet-preferentiële oorsprongsregels zoals deze in het land van invoer (in dit geval de Verenigde Staten) van toepassing zijn.
In dit kader is het van belang om te onthouden, dat de niet-preferentiële oorsprongsregels over het algemeen inhouden dat er voldoende bewerking in het land van oorsprong heeft plaatsgevonden. Deze regels zijn over het algemeen niet heel specifiek vastgelegd, maar bijvoorbeeld het enkel verschepen van een in China geproduceerd product via Vietnam is niet voldoende om de niet-preferentiële oorsprong te wijzigen van China naar Vietnam.
In 2025 spande een aantal bedrijven een rechtszaak aan tegen de IEEPA‑tarieven, waarin zij de rechtmatigheid van de tarieven ter discussie stelden.
Na maanden van procedures en hoger beroep stelde het Amerikaanse Hooggerechtshof deze bedrijven op 20 februari 2026 in het gelijk. Het Hof oordeelde dat de IEEPA de president geen bevoegdheid verleent om zonder expliciete toestemming van het Congres invoertarieven op te leggen.
Ondanks deze uitspraak is de onzekerheid nog niet weggenomen. Het oordeel van het Amerikaanse Hooggerechtshof bevatte namelijk geen concrete richtlijnen over de wijze waarop bedrijven teruggaafverzoeken kunnen indienen voor reeds betaalde IEEPA‑tarieven. Inmiddels ontstaat hierover geleidelijk aan meer duidelijkheid via verschillende procedures die bedrijven hebben aangespannen bij het Amerikaanse Court of International Trade (CIT).
Daarnaast is de U.S. Customs and Border Protection (CBP) bezig met de ontwikkeling van een speciale portal binnen het Amerikaanse aangiftesysteem ACE, genaamd CAPE. Deze portal zal fungeren als een web-based platform waarmee importeurs en douaneagenten IEEPA‑teruggaafverzoeken (zogenoemde ‘CAPE‑verklaringen’) bij CBP kunnen indienen, waarbij de eerste verzoeken vanaf 20 april 2026 kunnen worden ingediend. De vraag die blijft is of alle IEEPA-tarieven terugbetaald gaan worden en zo ja, wanneer. Het valt te verwachten dat teruggaafverzoeken zullen moeten voldoen aan diverse voorwaarden (denk aan deadlines en het verstrekken van specifieke informatie).
In een periode die wordt gekenmerkt door geopolitieke onzekerheid, stijgende kosten en toenemende volatiliteit in het handelsbeleid - vooral richting de Verenigde Staten - kan het voor bedrijven strategisch verstandig zijn hun blik te verbreden naar landen en regio’s waarmee de Europese Unie handelsverdragen heeft gesloten. Deze verdragen zijn het resultaat van langdurige en zorgvuldige onderhandelingen, waarin zowel economische belangen als politieke en maatschappelijke randvoorwaarden zijn meegewogen. Het eindresultaat is een stabiel en voorspelbaar kader waarbinnen handel kan plaatsvinden.
In tegenstelling tot unilaterale handelsmaatregelen, zoals die momenteel vanuit de Verenigde Staten worden genomen, bieden EU-handelsverdragen een hoge mate van rechtszekerheid en continuïteit. Zodra deze verdragen in werking zijn getreden, blijven zij in beginsel van kracht onder vaste voorwaarden. Eventuele herzieningen vinden meestal pas na vele jaren plaats en zijn primair bedoeld om het verdrag te moderniseren en beter aan te laten sluiten bij veranderende economische realiteiten, zonder het fundament van de afspraken ingrijpend te wijzigen. Te midden van alle onzekerheid rondom de Verenigde Staten richt de Europese Commissie zich daarom actief op het versterken van de banden met andere landen wereldwijd. Daarmee beoogt zij meer zekerheid te creëren ten aanzien van afzetmarkten en productielocaties en op die manier toegang tot betrouwbare supply chains tot stand te brengen.
In deze verdragen worden ook afspraken vastgelegd die verder reiken dan uitsluitend handel. Zo kunnen zij ook bepalingen bevatten over bijvoorbeeld de bescherming van arbeidsrechten, het bevorderen van de economische empowerment van vrouwen, de bescherming en handhaving van intellectuele‑eigendomsrechten, en afspraken op het gebied van milieu‑ en klimaatvraagstukken.
Wat we momenteel zien, is dat binnen relatief korte tijd een aanzienlijk aantal handelsverdragen wordt afgerond. Zo zijn recent verdragen gesloten met Mercosur, Indonesië, India en, meest recent, Australië. Deze versnelling past binnen de bredere ambitie van de Europese Commissie om haar economische weerbaarheid te vergroten, strategische afhankelijkheden te verminderen en alternatieve, betrouwbare handels‑ en productieketens te ontwikkelen.
Overigens is op dit moment nog geen van deze verdragen daadwerkelijk in werking getreden. De daartoe geldende procedures worden nu doorlopen. Het Mercosur-verdrag zal naar verwachting als eerste (voorlopig) in werking treden, per 1 mei 2026.
Een betrouwbare supply chain draait in de kern uiteindelijk vooral om de handel tussen landen. In vrijhandelsverdragen worden in dit verband afspraken gemaakt over verlaagde of zelfs volledig afgeschafte invoerrechten die wederzijds van toepassing zijn, uiteraard onder de voorwaarde dat aan specifieke criteria wordt voldaan. Deze voorwaarden komen in grote lijnen erop neer dat een voldoende mate van productie in het partnerland heeft plaatsgevonden.
Dit biedt bedrijven duidelijke kansen, met name in het geval van landen als India - een van de landen waarmee recent een verdrag is gesloten dat momenteel de formele procedures doorloopt om daadwerkelijk in werking te treden - waar de invoerrechten traditioneel hoog zijn. Voor Europese exporteurs biedt dit handelsverdrag een beter toegankelijke afzetmarkt, terwijl Europese importeurs kunnen profiteren van lagere invoerkosten voor goederen geproduceerd in India.
Om daadwerkelijk te kunnen profiteren van de nieuwe handelsverdragen die de Europese Unie sluit, moet aan een aantal specifieke voorwaarden worden voldaan. Elk handelsverdrag bevat daartoe een oorsprongsprotocol met bijbehorende bijlagen, waarin per product de relevante preferentiële oorsprongsregels zijn vastgelegd.
Zoals hierboven kort is aangestipt, is een van de kernvoorwaarden dat er voldoende bewerking of verwerking heeft plaatsgevonden in een van de partnerlanden bij het handelsverdrag. Wat onder ‘voldoende bewerking’ wordt verstaan, is per verdrag en per product gespecificeerd in de preferentiële oorsprongsregels. Dit gebeurt veelal aan de hand van een toegevoegdewaardecriterium in het productieland of het vereiste dat een specifiek productie‑ of bewerkingsproces is doorlopen.
Als er daadwerkelijk aan de vereiste oorsprongscriteria is voldaan, moet dit ook kunnen worden aangetoond in het land van invoer. Daartoe bestaan verschillende vormen van oorsprongsverklaringen - die per handelsverdrag kunnen verschillen - waarmee wordt bevestigd dat aan de toepasselijke oorsprongsregels is voldaan en dat de goederen van preferentiële oorsprong zijn uit het partnerland.
Ten aanzien van het bewijs van oorsprong is de afgelopen jaren een duidelijke verschuiving zichtbaar. Hoewel het altijd al de verantwoordelijkheid van de importeur is geweest om te waarborgen dat het oorsprongsbewijs correct is afgegeven, is de betrokkenheid van douaneautoriteiten in het exporterende land afgenomen. Hierdoor komt er een steeds grotere controle‑ en nalevingsverantwoordelijkheid bij de importeur te liggen.
Het enkel verschepen via een ander land is niet voldoende om de oorsprong van een product aan te passen. Daarvoor moet de productie daadwerkelijk worden aangepast of verplaatst. Het verplaatsen van de productie is geen beslissing die van de ene op de andere dag wordt genomen. Soms overwegen bedrijven toch om hun productie te verplaatsen omdat verlaagde invoerrechten dit ineens aantrekkelijk maken. Een bijkomend voordeel kan zijn dat bepaalde aanvullende heffingen, zoals die momenteel in de Verenigde Staten worden opgelegd, op die manier worden vermeden. In dat geval is het echter essentieel dat bedrijven zich bewust zijn van de toepasselijke anti-circumventionwetgeving.
Anti-circumventionwetgeving houdt op hoofdlijnen in dat wanneer de productie van goederen uitsluitend wordt verplaatst met het doel om aanvullende rechten te ontwijken, de goederen die in het nieuwe land worden geproduceerd niet automatisch de oorsprong van dat land verkrijgen. Dit geldt zelfs als het productieproces op zichzelf voldoet aan de relevante oorsprongsregels. In zo’n geval bestaat het risico dat de beoogde tariefvoordelen (namelijk het ontwijken van de aanvullende rechten) niet kunnen worden toegepast en dat de gedane investering uiteindelijk geen voordeel oplevert. De tariefvoordelen die onder een vrijhandelsverdrag kunnen worden verkregen staan hier los van.
Het is daarom van groot belang dat bedrijven die overwegen hun productie te verplaatsen, vanaf het begin ook het douanerechtelijke aspect - vooral op het gebied van oorsprong - nadrukkelijk meenemen in hun besluitvorming.
De internationale handel wordt momenteel gekenmerkt door grote onzekerheid, terwijl de behoefte aan stabiele en voorspelbare handelsstromen toeneemt. De Europese Commissie speelt hierop in door actief nieuwe handelsverdragen te sluiten met betrouwbare partners.
Voor bedrijven is het zinvol om de kansen van deze nieuwe handelsverdragen te onderzoeken. Daarbij is het wel essentieel rekening te houden met de geldende oorsprongsregels en te beoordelen of het benutten van tariefvoordelen geen risico oplevert onder de anti-circumventionwetgeving.
{{item.text}}
{{item.text}}
Suzanne Bras
Senior Manager Customs & International Trade, PwC Netherlands
Tel: +31 (0)65 395 86 76