Prinsjesdag 2026: ontwikkelingen in de winstbelasting

Prinsjesdag 2026: ontwikkelingen in de winstbelasting
  • Insight
  • 21 okt 2026

Op Prinsjesdag 2026 presenteerde het kabinet het pakket Belastingplan 2027. Welke veranderingen in de winstbelasting kun je vanaf komend jaar verwachten?

Door: Maarten de Wilde (International Tax Services) en Merel Mookhoek (Knowledge Centre)

Op Prinsjesdag 2026 presenteerde het kabinet het pakket Belastingplan 2027. De meeste maatregelen treden in werking per 1 januari 2027, tenzij anders aangegeven. Het pakket bestaat uit vier wetsvoorstellen: het Belastingplan 2027, Overige fiscale maatregelen 2027, de Wet fiscale stimulering start-ups en scale-ups en de Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024.

Belangrijkste parameters ongewijzigd, wél enkele in het oog springende maatregelen

Voor de winstbelasting blijven de belangrijkste parameters ongewijzigd. De tarieven in de vennootschapsbelasting blijven 19% voor belastbare winsten tot en met 200.000 euro en 25,8% voor het meerdere. Ook de verliesverrekeningssystematiek blijft hetzelfde. De drempels van de generieke renteaftrekbeperking blijven 1 miljoen euro of, als dat hoger is, 24,5% van de fiscale EBITDA.

Dat betekent niet dat er niets verandert. De forfaitaire regeling binnen de innovatiebox wordt verruimd en het percentage van de energie-investeringsaftrek wordt verhoogd. Voor woningcorporaties wordt een uitzondering op de generieke renteaftrekbeperking voorgesteld. Verder wijzigt de behandeling van ingeprijsde valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten en vervalt het onzakelijkheidsvermoeden in de bedrijfsfusie- en splitsingsfaciliteit. In de dividendbelasting komt een teruggaafregeling voor Nederlandse achterliggers in buitenlandse beleggingsinstellingen. Daarnaast wordt het internationale Side-by-Side-pakket verwerkt in de Wet minimumbelasting 2024.

In dit artikel zetten we deze in het oog springende maatregelen voor je op een rij. De maatregelen hebben steeds een beoogde inwerkingtreding van 1 januari 2027, tenzij anders aangegeven. Voor de ontwikkelingen in eerdere jaren verwijzen we naar onze Prinsjesdagbijdragen over 2025, 2024 en 2023.

Belastingplan 2027: maatregelen in de vennootschapsbelasting

Verruiming forfaitaire regeling innovatiebox

De forfaitaire regeling binnen de innovatiebox wordt verruimd. De innovatiebox is een optionele regeling in de vennootschapsbelasting voor voordelen uit zelfontwikkelde immateriële activa. Deze voordelen worden onder voorwaarden belast tegen een effectief tarief van 9%.

Bij toepassing van het reguliere innovatieboxregime moet worden bepaald welk gedeelte van de winst toerekenbaar is aan de kwalificerende immateriële activa. Vooral voor kleinere innovatieve ondernemingen kunnen de kosten en administratieve lasten daarvan relatief zwaar wegen. Voor hen bestaat een forfaitaire regeling. Daarbij wordt gedurende drie jaar 25% van de winst aangemerkt als voordeel uit immateriële activa, tot een bepaald maximumbedrag.

Dit jaarlijkse maximum wordt verhoogd van 25.000 euro naar 100.000 euro per belastingplichtige. Het percentage van 25% en de toepassingsperiode van drie jaar veranderen niet.

De maatregel moet de innovatiebox toegankelijker maken voor het midden- en kleinbedrijf. Voor ondernemingen die de innovatiebox al gebruiken, is dit een goed moment om de keuze tussen het reguliere regime en het forfait opnieuw te beoordelen. Het reguliere regime kan een hogere innovatieboxgrondslag opleveren, maar vergt een nauwkeuriger berekening van de aan de innovatieve activa toe te rekenen voordelen. Het forfait is eenvoudiger, maar blijft beperkt tot 25% van de winst en maximaal 100.000 euro per jaar.

Verhoging energie-investeringsaftrek

Het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt verhoogd van 40% naar 45,5%. De EIA biedt ondernemingen een aanvullende aftrek voor investeringen in aangewezen energiebesparende bedrijfsmiddelen en duurzame energie.

De verhoging maakt deze investeringen fiscaal aantrekkelijker. Omdat de EIA een gebudgetteerde regeling is en de afgelopen jaren sprake was van onderuitputting, wordt het beschikbare budget niet verhoogd.

In het coalitieakkoord is afgesproken dat de EIA, MIA (milieu-investeringsaftrek) en Vamil (willekeurige afschrijving milieu-investeringen) tot één robuuste investeringsaftrek worden samengevoegd. In de Nota naar aanleiding van het Verslag Belastingplan 2027, staat dat het kabinet onderzoek doet naar de effecten van een eventuele samenvoeging. Dit onderzoek zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2027 zijn afgerond. Het kabinet is van plan hier bij de voorjaarsbesluitvorming op terug te komen.

Uitzondering renteaftrekbeperking voor woningcorporaties

Voor woningcorporaties wordt een uitzondering op de generieke renteaftrekbeperking voorgesteld. Deze zogenoemde earningsstrippingmaatregel beperkt de aftrekbaarheid van het saldo aan renten tot 1 miljoen euro of, als dat hoger is, 24,5% van de fiscale EBITDA. Deze algemene systematiek blijft ongewijzigd.

Woningcorporaties financieren woningbouw, verduurzaming en andere volkshuisvestelijke opgaven onder andere met vreemd vermogen. Door de earningsstrippingmaatregel is de rente op die financiering niet altijd volledig aftrekbaar. Dit verhoogt de belastbare winst en vermindert de middelen die beschikbaar zijn voor investeringen.

Het kabinet wil woningcorporaties daarom vanaf 2028 uitzonderen van de toepassing van de generieke renteaftrekbeperking voor zover (1) het gaat om de uitvoering van diensten van algemeen economisch belang (DAEB) en (2) die diensten op grond van de Woningwet aan toegelaten instellingen zijn opgedragen.

Het deel van de gecorrigeerde winst dat toerekenbaar is aan deze activiteiten, wordt dan buiten aanmerking gelaten bij de toepassing van de earningsstrippingmaatregel. De maatregel moet de investeringscapaciteit van woningcorporaties vergroten.

Door de uitzondering nu al wettelijk vast te leggen, kunnen woningcorporaties hiermee rekening houden in hun meerjarenbegrotingen. Volgens de aanbiedingsbrief ontstaat daardoor bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw meer ruimte om gunstigere financiering van woningcorporaties te borgen.

De uitzondering is bij de tweede nota van wijziging in het Belastingplan 2027 opgenomen en moet per 1 januari 2028 gaan gelden. Deze uitzondering op de generieke earningsstrippingmaatregel geldt niet voor andere vennootschapsbelastingplichtigen.

Valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten

De fiscale behandeling van valutaresultaten op instrumenten waarmee het valutarisico op een deelneming wordt afgedekt, verandert.

Een vennootschap die een deelneming in een vreemde valuta houdt, loopt een valutarisico. Dat risico kan worden afgedekt met bijvoorbeeld een lening in dezelfde valuta, een valutatermijncontract of een swap. Als het gaat om het afdekken van een valutarisico op een deelneming, kunnen de resultaten op zo’n afdekkingsinstrument op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling worden gebracht. Een winst is dan vrijgesteld en een verlies niet aftrekbaar.

Vanaf boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2027 wordt onderscheid gemaakt tussen ingeprijsd en niet-ingeprijsd valutaresultaat. Het ingeprijsde valutaresultaat is het voorzienbare resultaat dat bij het aangaan van het instrument al in de prijs daarvan is verwerkt. Het niet-ingeprijsde valutaresultaat ontstaat door latere koersontwikkelingen die niet vooraf in die prijs waren verwerkt.

Voortaan kan alleen het niet-ingeprijsde valutaresultaat onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Het ingeprijsde valutaresultaat komt in de belaste sfeer terecht. Een ingeprijsde valutawinst wordt daardoor belast en een ingeprijsd valutaverlies kan in beginsel in aftrek komen.

De maatregel dient als dekking voor de budgettaire gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 over de liquidatieverliesregeling dat wij in onze Prinsjesdagbijdrage van vorig jaar bespraken.

Voor ondernemingen is het vooral van belang bestaande afdekkingsinstrumenten, beschikkingen en verzoeken te inventariseren. Ook moet worden bepaald in hoeverre het voorgestelde overgangsrecht van toepassing zou zijn. Vanaf de toepassing van het nieuwe regime zal per instrument moeten worden vastgesteld welk deel van het valutaresultaat al s in de prijs van het instrument was verwerkt en welk deel niet.

Onzakelijkheidsvermoeden bij bedrijfsfusie en splitsing verdwijnt

Het onzakelijkheidsvermoeden in de bedrijfsfusie- en splitsingsfaciliteit wordt geschrapt.

Deze faciliteiten maken het mogelijk om belastingheffing bij een reorganisatie onder voorwaarden door te schuiven. Zij zijn niet van toepassing wanneer de bedrijfsfusie of splitsing vooral is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.

Onder de huidige regeling geldt een bewijsvermoeden: als een bij de reorganisatie betrokken lichaam binnen drie jaar wordt vervreemd aan een niet-verbonden lichaam, dan wordt vermoed dat de reorganisatie niet op zakelijke overwegingen berust. De belastingplichtige zal dan zelf dit vermoeden moeten weerleggen.

De Hoge Raad oordeelde op 27 februari 2026 dat dit bewijsvermoeden bij de splitsingsfaciliteit niet in overeenstemming is met de EU-Fusierichtlijn. Omdat het bewijsvermoeden bij de bedrijfsfusiefaciliteit vrijwel hetzelfde is, vervalt het bij beide faciliteiten.

Een verkoop binnen drie jaar leidt na de wijziging dus niet meer automatisch tot een voor de belastingplichtige ongunstige bewijslastverdeling. De inspecteur zal een begin van bewijs moeten leveren dat zakelijke overwegingen ontbreken of dat de reorganisatie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De algemene antimisbruiktoets blijft bestaan. Alleen het wettelijke bewijsvermoeden vervalt.

Overige fiscale maatregelen 2027: dividendbelasting

Teruggaafregeling voor Nederlandse achterliggers van buitenlandse beleggingsinstellingen

In de dividendbelasting komt er een teruggaafregeling voor Nederlandse beleggers die via een buitenlandse beleggingsinstelling in Nederlandse vennootschappen beleggen.

De aanleiding is het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2024 over de afdrachtvermindering in de dividendbelasting. Een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling kan de door haar af te dragen dividendbelasting onder voorwaarden verminderen met eerder ten laste van haar ingehouden Nederlandse dividendbelasting en buitenlandse bronbelasting. Een buitenlandse beleggingsinstelling kan deze afdrachtvermindering niet op dezelfde wijze benutten.

Daardoor kan bij een Nederlandse belegger die via een buitenlandse beleggingsinstelling in Nederlandse aandelen belegt een hogere Nederlandse belastingdruk ontstaan dan bij een vergelijkbare belegging via een fiscale beleggingsinstelling. Volgens de Hoge Raad moet Nederland dit verschil op grond van het EU-recht voorkomen.

De voorgestelde regeling regelt de tegemoetkoming bij de Nederlandse achterligger. Een in Nederland wonende natuurlijke persoon of een in Nederland gevestigd lichaam dat rechtstreeks of door middel van certificaten gerechtigd is tot de voordelen van aandelen in een buitenlandse beleggingsinstelling, kan onder voorwaarden de ten laste van die beleggingsinstelling ingehouden dividendbelasting terugvragen.

De teruggaaf wordt in beginsel berekend volgens een wettelijke formule die onder meer rekening houdt met het belang van de Nederlandse belegger en de verhouding tussen de uitgekeerde winst en de ontvangen opbrengsten van de buitenlandse beleggingsinstelling. In plaats daarvan kan de achterligger kiezen voor een individuele vergelijking met de belastingdruk die zou zijn ontstaan bij een belegging via een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling.

De Belastingdienst verwacht teruggaafverzoeken niet volledig geautomatiseerd te kunnen beoordelen, onder andere omdat daarvoor gegevens over de buitenlandse beleggingsinstelling nodig zijn.

Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024

Implementatie Side-by-Side-pakket

Sinds 31 december 2023 geldt in Nederland de Wet minimumbelasting 2024. Deze wet introduceerde voor grote multinationale en omvangrijke binnenlandse groepen een effectief minimumbelastingniveau van 15% per jurisdictie. De regeling geldt in beginsel voor groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste 750 miljoen euro.

Op 5 januari 2026 is binnen het Inclusive Framework van de OESO overeenstemming bereikt over het zogenoemde Side-by-Side-pakket. Nederland verwerkt deze internationale afspraken met de Wet veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024. Het wetsvoorstel introduceert vier nieuwe veiligehavenregels en verlengt de tijdelijke Country-by-Country Reporting-veiligehavenregel met een jaar.

Het Side-by-Side-pakket verandert het minimumbelastingtarief van 15% niet. Het regelt vooral hoe Pillar Two zich verhoudt tot nationale minimumbelastingstelsels en fiscale stimuleringsregelingen. Daarnaast bevat het vereenvoudigingen die de berekenings- en rapportagelasten voor internationale groepen kunnen verminderen. Lees meer in PwC's Belastingnieuwsartikel Nederlandse implementatie side-by-side pakket Pillar Two.

Conclusie

De belangrijkste parameters van de vennootschapsbelasting blijven in 2027 ongewijzigd. Wel wordt een aantal gerichte wijzigingen in de wetgeving doorgevoerd.

De innovatiebox wordt toegankelijker voor het midden- en kleinbedrijf, woningcorporaties krijgen meer renteaftrekruimte en de behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten verandert. Ook wordt de bewijslastverdeling bij bedrijfsfusies en splitsingen aangepast en komt er een teruggaafregeling voor Nederlandse beleggers in buitenlandse beleggingsinstellingen.

De meest verstrekkende internationale ontwikkeling ligt bij de minimumbelasting. Met het Side-by-Side-pakket wordt ruimte gemaakt voor equivalente nationale minimumbelastingstelsels, bepaalde fiscale stimuleringsregelingen en vereenvoudigde berekeningen. Dit kan de toepassing op onderdelen vereenvoudigen, maar maakt het Pillar Two-stelsel ook minder uniform.

De winstbelasting blijft daarmee in beweging, dit jaar door gerichte aanpassingen in de vennootschapsbelasting en dividendbelasting en door verdere internationale coördinatie binnen de minimumbelasting. De parlementaire behandeling kan nog tot wijzigingen leiden. Blijf daarom de ontwikkelingen volgen, bijvoorbeeld via PwC's webpagina Belastingplan 2027.

Heb je vragen? Neem gerust contact op met:

Maarten de Wilde
Maarten de Wilde

Director, PwC Netherlands

Merel Mookhoek
Merel Mookhoek

Senior Manager Tax, PwC Netherlands

Altijd op de hoogte

Meld je aan voor onze periodieke update, PwC Accountancy Insights

Volg ons