09/11/22
Het geschil in deze door PwC gevoerde procedure ging over de vraag op welke wijze een overheidsonderneming haar deelnemingen moet waarderen op het moment waarop zij belastingplichtig is geworden: de waarde in het economisch verkeer per 1 januari 2016 (standpunt Belastingdienst), of de (hogere) historische kostprijs uit het verleden (standpunt belanghebbende). Het antwoord op deze vraag is van belang voor de hoogte van het opgeofferd bedrag, en daarmee voor de omvang van het liquidatieverlies dat de overheidsonderneming zou mogen nemen. Het standpunt van de belanghebbende heeft tot gevolg dat ook het verlies dat zijn oorsprong vindt in de periode vóór het begin van de belastingplicht, bij liquidatie van een deelneming in aanmerking mag worden genomen.
De uitkomst van dit arrest is van belang voor de waardering van deelnemingen op de openingsbalans van reeds bestaande entiteiten die belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting worden. Dat zijn bijvoorbeeld overheidslichamen - zoals de belanghebbende in de onderhavige procedure - die per 1 januari 2016 belastingplichtig zijn geworden voor de vennootschapsbelasting op grond van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen, en op wiens openingsbalans deelnemingen staan.
In de vennootschapsbelasting mag bij aandelenbelangen van ten minste 5% de deelnemingsvrijstelling worden toegepast. Op grond van de deelnemingsvrijstelling worden winsten en verliezen uit hoofde van een deelneming niet tot de winst van de houder van de deelneming gerekend. Met de deelnemingsvrijstelling wordt voorkomen dat winsten dubbel wordt belast. Zonder de deelnemingsvrijstelling zou immers vennootschapsbelasting worden geheven over de winst van de deelneming en – bij uitkering daarvan – nogmaals op het niveau van de aandeelhouder.
De liquidatieverliesregeling vormt een uitzondering op de deelnemingsvrijstelling. Wanneer bij liquidatie van een deelneming een verlies resulteert (“liquidatieverlies”), mag dit verlies wel in mindering worden gebracht op de winst van de aandeelhouder.
De omvang van het liquidatieverlies wordt gesteld op het verschil tussen het voor de deelneming ‘opgeofferde bedrag’ en de ontvangen liquidatie-uitkeringen. Als opgeofferde bedrag wordt in beginsel de verkrijgingsprijs van de aandelen gehanteerd.
Met ingang van 1 januari 2016 zijn bepaalde overheidsondernemingen belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting geworden, tenzij een specifieke in de wet genoemde vrijstelling geldt (‘Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen’). De gedachte achter de vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen is het creëren van een gelijk speelveld tussen overheidsondernemingen en private ondernemingen (die immers ook vennootschapsbelasting betalen over hun winst).
In de procedure die heeft geleid tot het arrest van 4 november 2022 gaat het over de vraag op welke wijze een overheidsonderneming haar deelnemingen moet waarderen op het moment waarop zij belastingplichtig wordt: de waarde in het economisch verkeer per 1 januari 2016 (standpunt Belastingdienst), of de (hogere) historische kostprijs uit het verleden (standpunt belanghebbende). Het antwoord op deze vraag is van belang voor de hoogte van het opgeofferd bedrag, en daarmee voor de omvang van het liquidatieverlies. Het standpunt van belanghebbende heeft tot gevolg dat ook het verlies dat zijn oorsprong vindt in de periode vóór het begin van de belastingplicht, bij liquidatie van een deelneming in aanmerking mag worden genomen.
De rechtbank heeft belanghebbende in het gelijk gesteld waarna de staatssecretaris van Financiën sprongcassatie heeft ingesteld. In zijn conclusie adviseerde de Advocaat-Generaal de Hoge Raad om het cassatieberoep van de staatssecretaris af te wijzen.
De Hoge Raad oordeelt dat noch de tekst, noch de strekking van de liquidatieverliesregeling aanleiding geeft om aan te nemen dat een liquidatieverlies van aftrek is uitgesloten voor zover dat verlies is toe te rekenen aan een periode waarin een lichaam nog niet belastingplichtig was voor de vennootschapsbelasting. De Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen bevat op dit punt geen overgangsrecht voor de situatie waarin een lichaam al voor aanvang van diens belastingplicht een of meer deelnemingen hield, en door de inwerkingtreding van deze wet met ingang van 2016 belastingplichtig is geworden. Dit brengt mee dat de liquidatieverliesregeling in de vennootschapsbelasting met ingang van dat jaar toepassing vindt op alle liquidatieverliezen die op of na 1 januari 2016 tot uitdrukking komen.
Anders dan de staatssecretaris van Financiën in zijn beroep in cassatie had betoogd, bestaat voor de rechter geen grond om een voor aftrek in aanmerking komend liquidatieverlies op grond van een redelijke wetstoepassing te beperken tot het gedeelte van het verlies dat is toe te rekenen aan de periode waarin het betrokken lichaam belastingplichtig is (‘compartimentering’), aldus de Hoge Raad.
Aan dit oordeel doet evenmin af dat de bezittingen en schulden van een lichaam bij het begin van zijn belastingplicht als regel op de openingsbalans worden gesteld op de waarden in het economische verkeer van die bezittingen en schulden. Naar het oordeel van de Hoge Raad knoopt het opgeofferde bedrag in de zin van de liquidatieverliesregeling niet aan bij een balanspost, maar vormt deze een extracomptabele grootheid. Voor de bepaling van een liquidatieverlies is het dan ook niet van belang op welke wijze de belastingplichtige de deelneming op haar balans heeft gewaardeerd.
Anders dan de staatssecretaris in zijn beroepschrift in cassatie, is de Hoge Raad van oordeel dat aan het voorgaande evenmin afdoet dat de in de wet voorgeschreven wijze van berekening van een liquidatieverlies tot gevolg kan hebben dat over de periode van de belastingplicht van een lichaam niet diens totale winst wordt belast; deze berekeningsmethode kan overigens evenzeer tot gevolg hebben dat over de periode van belastingplicht meer wordt belast dan de totale winst van het lichaam. Dit is niet in strijd met doel en strekking van de liquidatieverliesregeling: die regeling beoogt immers niet om aan te sluiten bij de bepaling van de totaalwinst van het lichaam dat de deelneming houdt, maar om aan dit lichaam een tegemoetkoming te geven voor de verrekenbare verliezen van de deelneming die door de liquidatie en vereffening daarvan voorgoed verloren zijn gegaan.
