Wat moet de installatiehouder regelen voor de overdracht van CO2-dispensatierechten?

Naderende deadline voor verkoop CO₂-dispensatierechten

CO2-heffing industrie
  • augustus 26, 2026

Installaties die onder de CO2-heffing industrie vallen en meer CO2-dispensatierechten (DPR’s) hebben dan zij nodig hebben, kunnen deze rechten verkopen aan andere installatiehouders. Dit kan tot en met 31 augustus 2026. Daarna sluit de markt voor de handel in deze rechten.

 

De NEa heeft deze DPR’s eerder toegekend op basis van het industrieel emissieverslag en, waar nodig, het verslag dispensatierechten dat installatiehouders hebben ingediend. DPR’s geven installatiehouders vrijstelling van een deel van de CO2-heffing industrie. De aangifte CO2-heffing industrie over 2025 moet uiterlijk op 30 september 2026 zijn ingediend.

 

Let op: de overdracht van DPR’s is belast met btw. In dit bericht leggen wij uit wat dit betekent voor de btw-behandeling van DPR’s. Ook gaan wij in op de gevolgen voor de vennootschapsbelasting en op de mogelijke impact voor afvalverbrandingsinstallaties van een wijziging in de referentieperiode voor het vaststellen van DPR’s.

Wat betekent dit voor jouw onderneming?

Heeft jouw installatie meer DPR’s dan nodig? Dan kunnen deze rechten nog tot en met 31 augustus 2026 worden verkocht. Houd er rekening mee dat bij verkoop btw op de factuur moet worden vermeldt. Is er te weinig btw afgedragen, dan kan de Belastingdienst een naheffingsaanslag opleggen, eventueel met boete en rente. Zorg daarom voor een juiste en volledige factuur aan de afnemer.

Voor de vennootschapsbelasting is van belang dat DPR’s als voorraad worden behandeld. Daardoor komen bepaalde fiscale faciliteiten, zoals investeringsaftrek, niet in aanmerking.

PwC helpt graag om de fiscale gevolgen van de koop of verkoop van DPR’s en andere broeikasgasemissierechten goed in kaart te brengen. Zodat tijdig duidelijk is waar je rekening mee moet houden voor de btw en vennootschapsbelasting.

Hierna lichten wij de achtergrond van de CO2-heffing voor de industrie toe en bespreken wij de belangrijkste btw- en vennootschapsbelastingaspecten.

CO2-heffing industrie

In 2025 vielen ongeveer 350 Nederlandse installaties onder de CO₂-heffing industrie. Deze heffing koppelt een prijs aan elke ton CO₂ die een installatie uitstoot. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken de heffing af te schaffen. Vooruitlopend daarop is het tarief voor 2026 verlaagd. Voor installaties die onder het EU ETS vallen, komt de verschuldigde heffing over 2026 daardoor naar verwachting uit op nihil, omdat het Nederlandse tarief lager is dan de EU ETS-prijs. De afschaffing moet echter nog wettelijk worden vastgelegd. Naar verwachting komt hierover rond Prinsjesdag meer duidelijkheid. Voor de aangifte over 2025 gelden de bestaande regels en tarieven nog wel. Hierna lichten wij toe hoe de heffing over 2025 voor verschillende installatiehouders wordt berekend.

Voor 2025 is de prijs 87,90 euro. Installatiehouders die onder het EU ETS vallen hoeven echter niet het volledige tarief te betalen. Het tarief wordt voor deze zogenoemde ETS-deelnemers verminderd met de prijs van het ETS-emissierecht (EUA) op een bepaald referentie moment. Het bedrag dat aldus is vastgesteld als ETS-prijs voor 2025 is 66,76 euro. Dit bedrag van 66,76 euro wordt afgetrokken van het tarief van de Nederlandse CO2-heffing. Voor ETS-installaties is de per saldo over 2025 te betalen heffing 21,14 euro per ton CO2.

Een Nederlandse ETS-installatie moet over 2025 voor iedere uitgestootte ton CO2, na verminderding met het aantal DPR’s, dus 21,14 euro aan CO2-heffing (87,90 euro minus 66,76 euro) betalen.

Voor de installaties die wel onder de Nederlandse CO2-heffing industrie vallen, maar niet onder het EU ETS, geldt dat de betreffende exploitanten het volledige tarief moeten betalen. Deze installatiehouders betalen voor de industriële emissie van elke ton CO2, minus de DPR's, dus 87,90 euro.

Bedrijven met een tekort aan DPR’s kunnen in de periode van mei tot en met augustus 2026 DPR’s kopen van de andere bedrijven. Dit is tegen een marktprijs die naar verwachting lager is dan het tarief CO2-heffing dat geldt voor 2025.

Het is voor de praktijk van belang dat zowel de aan- als verkoop van DPR’s binnen de reikwijdte van de btw vallen. Bedrijven dienen de btw tijdig en juist te verwerken.

Omzetbelasting (btw)

De exploitant van de Nederlandse industriële installatie die onder de CO2-heffing industrie valt, zal een Nederlandse btw-ondernemer zijn. De reden is dat de exploitant zelf in Nederland is gevestigd. De koper van een DPR zal ook een Nederlandse btw-ondernemer zijn. Voor de toepassing van de Nederlandse omzetbelasting (btw) wordt de overdracht door een ondernemer van emissierechten tegen vergoeding aangemerkt als dienst. Deze dienst valt binnen de werkingssfeer van de Nederlandse btw en is dus belast met 21 procent btw. Deze btw dient volgens de normale regels in rekening en in vooraftrek te worden gebracht.

Het verlenen van een dienst tegen vergoeding binnen een fiscale eenheid omzetbelasting is uiteraard niet met btw belast. Daarnaast wordt in een aantal gevallen de btw niet bij de dienstverrichter, maar bij de afnemer van de dienst geheven (verlegging van de btw-schuld). De reden is fraude met btw te voorkomen (bijvoorbeeld btw-carrouselfraude).

Voor de praktijk is van belang dat de btw-behandeling van de overdracht van DPR’s anders is dan de btw-behandeling van de overdracht van EU ETS-emissierechten. Voor de overdracht van een EU-ETS recht geldt expliciet de lokale, Nederlandse, btw-verleggingsregeling. Bij de overdracht van DPR’s tegen vergoeding geldt deze verleggingsregeling wettelijk niet.

De verleggingsregeling voor de overdracht van broeikasgasemissierechten geldt (ex artikel 24ba lid 1 onderdeel f Uitvoeringsbesluit omzetbelasting) namelijk alleen voor:

  • de emissierechten als omschreven in art. 3 van Richtlijn nr. 2003/87/EG (handel in broeikasgasemissierechten binnen de EU, ETS) die overdraagbaar zijn overeenkomstig art. 12 van deze richtlijn, en

  • de overdracht van andere eenheden die door exploitanten (personen die een installatie exploiteren) kunnen worden gebruikt om aan deze EU ETS-richtlijn te voldoen.

Deze wettelijke verlegging betreft - qua definitie - dus andere broeikasgasemissierechten dan de DPR’s in de zin van de Wet CO2 -heffing industrie (zoals gedefinieerd in artikel 71h, onderdeel d, van de Wet belasting op milieugrondslag).

Kwalificatie voor de vennootschapsbelasting

In Nederland kwalificeren DPR's voor de vennootschapsbelasting als voorraad en niet als bedrijfsmiddel. Voor voorraad kan – anders dan voor een bedrijfsmiddel – geen gebruik worden gemaakt van fiscale faciliteiten zoals bijvoorbeeld de herinvesteringsreserve en de toepassing van de milieu investeringsaftrek.

Hoewel technisch discussie mogelijk zou zijn of een DPR kwalificeert als bedrijfsmiddel, heeft de wetgever expliciet bepaald dat de emissierechten moeten worden aangemerkt als voorraad en daarmee toepassing van de vennootschapsbelastingfaciliteiten voor bedrijfsmiddelen uitgesloten. Voor de vennootschapsbelasting moeten de dispensatierechten worden gewaardeerd op kostprijs of lagere marktwaarde, waardoor DPR's die om niet zijn toegewezen op nihil worden gewaardeerd. Aangekochte DPR's  dienen te worden gewaardeerd op de aankoopprijs inclusief eventuele aankoopkosten.

Altijd op de hoogte

Meld u aan voor PwC Belastingnieuws

Contact us

Saskia Hadewegg Scheffer

Saskia Hadewegg Scheffer

Tax Partner, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 385 71 93

Niels Muller

Niels Muller

Partner, Energy transition and sustainable energy, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 160 08 61

Sander Borremans

Sander Borremans

Senior Manager Indirect Taxes, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)61 029 42 75

Mart Mulder

Mart Mulder

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)65 346 73 41

Volg ons