De maatregel zal gevolgen hebben voor gevallen waarbij valutarisico's op buitenlandse deelnemingen worden afgedekt met leningen of andere afdekkingsinstrumenten.
De huidige wet biedt belastingplichtigen de mogelijkheid om de deelnemingsvrijstelling toe te passen op resultaten uit instrumenten die strekken tot afdekking van valutarisico's op een deelneming. Deze regeling kan worden toegepast op verschillende soorten hedges, waaronder:
leningen in de valuta van de deelneming;
valutatermijncontracten;
valutaopties; en
combinaties van dergelijke instrumenten.
Deze regeling beoogt te voorkomen dat valutaresultaten op de deelneming zelf buiten de heffing vallen, terwijl corresponderende resultaten op het afdekkingsinstrument belast zouden zijn.
De directe aanleiding voor het wetsvoorstel is het arrest over de liquidatieverliesregeling. De budgettaire derving die dat met zich meebracht, moest worden gedekt. De huidige regeling voor fiscale behandeling van afdekkingsinstrumenten gaat volgens de wetgever verder dan het neutraal afdekken van valutarisico's. Hierin werd dus een oplossing gevonden.
Het gaat met name om situaties waarin een deelneming wordt aangehouden in een valuta die naar verwachting in waarde zal dalen ten opzichte van de euro. In dergelijke gevallen ligt het rentepercentage op een lening in die valuta doorgaans hoger dan op een vergelijkbare lening in euro's. Die renteopslag weerspiegelt niet alleen krediet- en liquiditeitsrisico's, maar ook de marktverwachting dat de valuta in waarde zal afnemen. Economisch bezien vormt een deel van de hogere rente daarmee een vergoeding voor een verwachte toekomstige valutadaling.
Onder de huidige regeling leidt dit tot een fiscaal gunstige uitkomst. De hogere rente op de lening is aftrekbaar, terwijl het volledige valutaresultaat op diezelfde lening op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kan worden gebracht. Per saldo ontstaat daardoor een asymmetrie: de vergoeding voor het verwachte valutaverlies verlaagt de belastbare winst, terwijl het corresponderende valutaresultaat buiten de heffing blijft.
Het wetsvoorstel beperkt het toepassingsbereik van de deelnemingsvrijstelling tot de zogenoemde niet-ingeprijsde voordelen.
Daarmee wordt een onderscheid gemaakt tussen:
valutaresultaten die reeds besloten liggen in de prijs van het afdekkingsinstrument (ingeprijsde valutaresultaten); en
valutaresultaten die voortvloeien uit daadwerkelijke, niet vooraf in de marktprijs verwerkte koersontwikkelingen (niet-ingeprijsde valutaresultaten).
Het ingeprijsde deel van het valutaresultaat komt, zo wordt voorgesteld, voortaan niet langer in aanmerking voor toepassing (op verzoek) van de deelnemingsvrijstelling.
Dit wordt niet bereikt door een beperking van de renteaftrek. Ook wordt niet ingegrepen in de hoogte van de rente zelf. De correctie vindt plaats via een beperking van de deelnemingsvrijstelling. Daardoor wordt een overeenkomstig deel van het valutaresultaat op het hedge-instrument alsnog belast.
Het ingeprijsde valutaresultaat wordt vastgesteld als het verschil tussen de spotkoers en de termijnkoers. De belastingplichtige heeft in beginsel de vrijheid om zelf te bepalen welke bronnen worden gehanteerd als grondslag voor de berekening van de termijnkoers.
Ook wordt het mogelijk om de deelnemingsvrijstelling op verzoek vanaf enig moment niet langer toe te passen op het afdekkingsinstrument. Na zo'n verzoek valt het volledige valutaresultaat in de belaste sfeer, vanaf het moment dat het volledige verzoek door de inspecteur is ontvangen of een latere datum die in het verzoek is opgenomen.
In het wetsvoorstel is verder opgenomen dat het afdekkingsinstrument wordt gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer bij overgang van de belaste naar de onbelaste sfeer en vice versa. Daarnaast wordt ter verduidelijking voorgesteld dat bezwaar en beroep tegen de beschikking uitsluitend betrekking kunnen hebben op het vereiste dat de rechtshandeling strekt tot het afdekken van het valutarisico dat met de deelneming wordt gelopen. Wil een belastingplichtige opkomen tegen het bedrag dat als voordeel uit de rechtshandeling tot de voordelen uit hoofde van de deelneming wordt gerekend, dan kan dat uitsluitend via bezwaar en beroep tegen de aanslag vennootschapsbelasting waarin dat voordeel is opgenomen.
De maatregel zal impact hebben op ondernemingen die buitenlandse deelnemingen in vreemde valuta afdekken met leningen of andere afdekkingsinstrumenten. Juist bij dergelijke leningen of instrumenten speelt het onderscheid tussen (rente)vergoeding en ingeprijsd valutaresultaat een belangrijke rol.
Voor ondernemingen die hier mee te maken hebben, roept het voorstel nog wel een aantal vragen op, bijvoorbeeld:
welke documentatie is nodig om het niet-ingeprijsde deel aannemelijk te maken en
in hoeverre worden ook .(complexe) derivaten waarin een valutacomponent in de prijs zijn verwerkt, geraakt.
Voor bestaande afdekkingsinstrumenten voorziet het wetsvoorstel in overgangsrecht, waarbij twee situaties zijn geregeld:
Het oude recht blijft van toepassing voor zover een voordeel toerekenbaar is aan de periode vóór het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2027. Voorwaarde is dat vóór dat boekjaar een beschikking is afgegeven of een volledig verzoek is ontvangen. Het ingeprijsde voordeel over die periode blijft vrijgesteld, zonder herwaardering naar waarde in het economische verkeer.
Er geldt uitgestelde werking voor instrumenten die vóór 15 september 2026 zijn aangegaan en die op dat moment al onder de deelnemingsvrijstelling vielen of waarvoor vóór die datum een volledig verzoek is ontvangen. Voor het voordeel dat toerekenbaar is aan de periode tot en met 31 december 2027 worden deze instrumenten volledig onder het oude recht afgewikkeld.
De huidige mogelijkheid om een aftrekbare rentevergoeding te combineren met een volledig vrijgesteld valutaresultaat wordt ingeperkt. Hoewel de systematiek van de deelnemingsvrijstelling in stand blijft, zal deze in de toekomst alleen nog (op verzoek) toepassing vinden op valutaresultaten die niet reeds in de prijs van het afdekkingsinstrument zijn verdisconteerd.
Met het wetsvoorstel wordt een meer economische benadering van valutahedges binnen de deelnemingsvrijstelling bereikt.