Vpb-regels zorgorganisaties staan haaks op beleid VWS

30/01/19

Moeten zorgorganisaties vennootschapsbelasting gaan betalen als ze preventieve werkzaamheden verrichten? Als het aan staatssecretaris Menno Snel van Financiën ligt wel. Daarmee zorgt hij voor onnodige kosten en meer regeldruk, en gaat hij in tegen het beleid van zijn collega’s bij Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)

- Door Peter Kooy en Marlijn Moors, PwC-experts op het gebied van de fiscaliteit van zorginstellingen

Vlak voor Kerstmis heeft Snel de vrijstellingsregels voor de vennootschapsbelasting (Vpb) voor zorgorganisaties verder aangescherpt. Behalve dat deze aanscherping voor zorgorganisaties kan leiden tot extra bestuurlijke drukte, extra administratieve lasten of zelfs belastingheffing over de winst, staan de nieuwe regels haaks op het beleid van ministerie van VWS. Daarbij gaat het om de vraag of je preventie onder het kopje zorg kunt plaatsen of niet.

Betaalbare zorg door preventie en minder regeldruk

Het ministerie van VWS zet vol in op preventie, langer thuis wonen en het verminderen van regels in de zorg. Op die manier moet de zorg betaalbaar blijven. Om de gezondheid van alle Nederlanders te verbeteren, heeft minister Hugo de Jonge zelfs een Nationaal Preventieakkoord gesloten met verschillende partijen. Preventie en minder regeldruk zijn naar onze mening inderdaad essentieel om kwalitatief betere zorg te leveren tegen lagere kosten. Juist dit wordt nu gedwarsboomd door de fiscaliteit. Als een zorgorganisatie vrijgesteld wil zijn van belastingheffing over de winst, moet sprake zijn van ‘genezen, verplegen en verzorgen’. Volgens staatssecretaris Snel valt preventie daar in veel gevallen niet onder. In de drang om geen zorggeld te onttrekken aan de sector, vaardigt hij bovendien extra governance-eisen voor zorgorganisaties uit. Dit alles heeft een onnodige heffing over de winsten van zorgorganisaties tot gevolg.

Vpb-besluit zorgorganisaties kan beter

Normaal gesproken betalen zorgorganisaties geen belasting over hun winst. Zij zijn kort gezegd vrijgesteld van vennootschapsbelasting als zij voor minstens negentig procent zorgactiviteiten verrichten én hun winst alleen ten goede kan komen aan het algemeen belang. Het doel van deze eisen is onder meer dat een verstoring van de concurrentie wordt voorkomen. Tot nu toe kunnen we daar weinig tegenin brengen. Over het besluit dat de staatssecretaris van Financiën in december publiceerde, kun je zelfs nog zeggen dat de praktijk er beter mee uit de voeten kan dan voorheen. Maar we zijn van mening dat er nog veel is te verbeteren.

'De staatssecretaris lijkt een drang tot overregulering te hebben.'

Financieringsbron zorginstellingen wordt cruciaal

Zoals gezegd is preventie in de ogen van staatssecretaris Snel geen zorg. Daardoor kunnen preventieve werkzaamheden die zorgorganisaties verrichten (denk daarbij aan een cursus stoppen met roken, maatschappelijk werk of activiteiten op het gebied van jeugdzorg), leiden tot het betalen van vennootschapsbelasting. Een tweede opvallend punt is dat de financieringsbron voor zorginstellingen cruciaal wordt. Activiteiten die bijvoorbeeld worden gefinancierd door het ministerie van Justitie en Veiligheid (zoals forensische zorg) of vanuit de Jeugdwet (zoals jeugdzorg), worden waarschijnlijk niet gezien als zorg. Ook op dit punt lijkt het ministerie van Financiën zijn eigen koers te varen, los van de andere ministeries.

Extra eisen voor zorgorganisaties in bv-vorm

Het andere hoofdonderwerp in het besluit is de zogeheten winstbestemmingstoets. De reden voor die toets is helder: voorkomen dat geld wordt onttrokken aan de zorg, ten gunste van private belangen. De wettekst is op dit punt ook helder: winst mag uitsluitend ten goede komen aan het algemeen belang. Maar de staatssecretaris lijkt een drang tot overregulering te hebben en gaat hierbij naar onze mening zijn bevoegdheid te buiten. Zonder parlementair proces stelt hij nu extra eisen ten opzichte van de wet, zeker als zorgorganisaties een bv zijn. Het gaat dan onder meer om een meervoudig bestuur of de invoering van een onafhankelijke raad van toezicht. Daarbij worden overigens eisen gesteld aan de governance die in strijd zijn met de geldende regels van het burgerlijk wetboek.

Bij veel zorgorganisaties betekenen deze eisen statutaire aanpassingen, met bijbehorende lasten. Opvallend blijft dat de staatssecretaris extra governance-eisen aan zorgorganisaties stelt, terwijl de wettekst daartoe geen directe aanleiding geeft. Dit is ook in strijd is met het beleid van het ministerie van VWS, dat juist minder regeldruk nastreeft.

Publiek-private samenwerking wordt moeilijker

Tot slot bemoeilijkt de staatssecretaris de door het kabinet beoogde samenwerking in het publiek-private speelveld en daarmee het betrekken van de maatschappij. In het besluit staat namelijk dat een zorginstelling geen zeggenschapsaandelen kan uitgeven aan stakeholders, zonder vennootschapsbelastingplichtig te worden. Op grond van de wet moet dit kunnen, maar in het besluit wordt dit uitgesloten. Zoals gezegd is het beleid van het ministerie van VWS gericht op meer preventie, meer publiek-private samenwerking en minder regeldruk. Het nieuwe besluit van de staatssecretaris van Financiën over de zorgvrijstelling is zeker niet in lijn met dit beleid. Preventie en publiek-private samenwerkingen kunnen voor zorgorganisaties leiden tot belastingplicht en er gelden zelfs meer vereisten dan hiervoor. Het besluit is daarmee voor verbetering vatbaar.

Contact

Peter Kooy

Director, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 14 86

Marlijn Moors

Senior Manager, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 16 98

Volg ons