Lagere legesheffing bij gedegen voorbereide aanvraag

Een projectontwikkelaar is wederom leges verschuldigd bij een wijzigingsaanvraag op de omgevingsvergunning. Dat heeft Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een feitelijke procedure beslist.

De rechtbank gaf weliswaar aan dat het aannemelijk was dat de projectontwikkelaar en de gemeente bij het sluiten van de overeenkomsten ervan uitgegaan waren dat eenmaal leges zouden worden geheven, maar dat dat nog niet betekent dat de tweede nota leges zonder meer van tafel moet.

Wat betekent dit voor u?

Het loont altijd de moeite om de gemeentelijke verordening erop na te slaan om na te gaan hoe de optimale aanvraag inhoudelijk eruit moet zien. Dit om onnodige legesbetalingen te voorkomen. Daarbij moet worden bedacht dat gemeenten autonoom zijn in het vaststellen van hun belastingverordeningen en daardoor verschillen kunnen optreden.

Daarnaast kan uit de procedure de les worden getrokken dat het aanbeveling verdient om zich vóór het indienen van de aanvraag (welke dan ook) te vergewissen van de fiscale gevolgen. Zo heeft Rechtbank Gelderland onlangs beslist dat het driemaal indienen van een aanvraagformulier voor hetzelfde bouwplan terecht had geleid tot driemaal legesheffing. Hetzelfde geldt voor de inhoud van de aanvraag. Als niet goed wordt nagedacht en geformuleerd waarvoor de aanvraag wordt gedaan, dan kan dat leiden tot hogere legesheffing dan noodzakelijk. We illustreren dit met een voorbeeld.

Stel dat een aannemer een pand bouwt voor € 2 mln. De helft van de werkzaamheden is vergunningplichtig, de andere helft dus niet. Als de aannemer een aanvraag doet voor het hele project en/of als bouwkosten € 2 mln opgeeft, dan zullen de leges in beginsel over € 2 mln aan bouwkosten worden berekend. Het kan zelfs zo zijn dat het (fiscaal) gunstiger is om voor de werkzaamheden twee verschillende aanneemovereenkomsten te sluiten, want de belastingverordening kan ook aansluiten bij de aanneemsom als heffingsgrondslag (dus inclusief niet-vergunningplichtige delen).

Het is opvallend dat de civiele rechter van mening is dat de BV mogelijk wel een valide punt heeft wat betreft de uitleg van de overeenkomst, maar daar toch niet in wil voorzien. Dat had wel anders gekund vanuit het principe van finale geschilbeslechting.

Een korte schets van de procedure

Een NV had in 2007 plannen om een golfterrein uit te breiden en 35 woningen te bouwen. In 2008 diende de NV daarvoor een aanvraag in voor een bouwvergunning. Voor de realisatie van het project richtte de NV in 2013 een BV op. De gemeente verleende in 2009 de vergunning en bracht de NV daarvoor € 163.531 aan leges in rekening. In 2014 diende de BV voor vier woningen aanvragen in voor gewijzigde omgevingsvergunningen. De gemeente bracht hiervoor € 19.803 aan leges in rekening. De BV was van mening dat de gemeente niet opnieuw leges mocht heffen. Voor zover de gemeente daartoe wel bevoegd zou zijn, stelde de BV dat dan het tarief (€ 39,18) voor een ‘geringe wijziging in het project’ van toepassing was.

De BV stelde bovendien dat het gezien de overeenkomst die zij had met de gemeente het de bedoeling van beide partijen was dat slechts eenmaal leges zou worden geheven en dat destijds bij de NV het vertrouwen was gewekt dat dat het geval zou zijn. De BV wees daarbij op de schriftelijke verklaringen van twee gemeenteambtenaren over de rekenmethodiek die ten grondslag lag aan de overeenkomst met de gemeente.

Geen opgewekt vertrouwen

De rechtbank stelde voorop dat in deze procedure de vraag aan de orde was of heffing achterwege moet blijven wegens strijd met de wet of met het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank gaf aan dat de door de BV aangevoerde argumenten geen grond boden voor het oordeel dat heffing achterwege moest blijven. Het was niet gebleken dat de heffingsambtenaar een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging gedaan dat niet geheven zou worden bij de tweede aanvraag. Daarmee was ook geen sprake van een (impliciete) standpuntbepaling.

Civiele rechter moet beslissen

De rechtbank stelde voorop dat - als er vanuit moest worden gegaan dat sprake was van een leemte in de overeenkomst - hoe dan in de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen de contractspartijen ermee om moet worden gegaan met het feit dat op grond van de verordening leges verschuldigd zijn bij een tweede aanvraag. De rechtbank merkte op dat dit een civielrechtelijk vraagstuk is. Ook zag de rechtbank geen reden om als fiscale rechter op basis van de overeenkomst van de juiste wetstoepassing op grond van de verordening af te wijken. De BV moet volgens de fiscale rechter daarvoor maar bij de civiele rechter aankloppen.

Geen geringe wijziging

Over de vraag of al dan niet sprake was van een geringe wijziging, was de rechtbank kort. De BV had niet weersproken dat de wijzigingen van de woningen veel meer inhielden dan vergunningvrije aanpassingen zoals bepaalde opties voor verschillende deuren of kozijnen. Het tarief voor geringe wijzigingen was daardoor niet van toepassing.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29-1-2018, nr. 16/8554

Contact

Raymond van den Berg
Senior Manager
Tel: +31 88 792 63 85
E-mailadres

Volg ons