Gelijkheidsbeginsel belette heffing van reclamebelasting

Als een gemeente op basis van beleid of met een oogmerk van begunstiging geen reclamebelasting heft in bepaalde situaties, dan kan dat ertoe leiden dat heffing van reclamebelasting op basis van het gelijkheidsbeginsel in andere gevallen ook achterwege moet blijven. Illustratief hierbij is een uitspraak van Hof Amsterdam.

Korte schets van de procedure

In de procedure ontving een bedrijf voor het jaar 2013 twee aanslagen reclamebelasting vanwege openbare aankondigingen in een wachthuisje en een verlichte reclamezuil waarvan het bedrijf eigenaar was. Het bedrijf was onder andere van mening dat de aanslagen onterecht waren opgelegd omdat de gemeente geen reclamebelasting hief van openbare aankondigingen van culturele activiteiten. De gemeentelijke verordening bevatte echter geen vrijstelling voor deze activiteiten. De gemeente stelde dat zij dit deed op basis van beleid en met het oog op het maatschappelijke belang van de culturele aspecten. Rechtbank Amsterdam vond dat argument een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid en liet de aanslagen in stand.

In hoger beroep kwam Hof Amsterdam tot een andere afweging. Het Hof was het met het bedrijf eens dat de Verordening geen juridische basis bood voor de uitzondering. Het voorwerp van heffing volgens de Verordening betrof namelijk de ‘openbare aankondiging’, dus ook openbare aankondigingen met daarop culturele activiteiten. Het Hof stelde vast dat dergelijke aankondigingen niet in de Verordening waren vrijgesteld. Hieraan verbond het Hof de conclusie dat het beleid van de gemeente geen wettelijke grondslag had en een onrechtmatige afwijking van de Verordening inhield.  Het Hof was van oordeel dat dit niet tot een onverbindendverklaring van de Verordening kon leiden, nu het beleid niet op de Verordening was gebaseerd en de Verordening voor het overige geen onrechtmatige elementen bevatte.

Het Hof bekeek vervolgens de door de gemeente aangevoerde redenen om de culturele activiteiten buiten de heffing te laten. Volgens het Hof zijn dat: een pleitbare uitleg van de Verordening, redenen van doelmatigheid of daarmee samenhangende redenen van uitvoeringstechnische aard en de maatschappelijke wenselijkheid van de uitzondering. Geen van deze redenen was volgens het Hof een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor de gemaakte uitzondering. Het Hof concludeerde vervolgens dat de uitzondering dan op een oogmerk van begunstiging berust.

Nu met een oogmerk van begunstiging geen reclamebelasting werd geheven van aankondigingen van culturele activiteiten, kwam het Hof tot het oordeel dat op grond van het bestuursrechtelijke gelijkheidsbeginsel ook de heffing van reclamebelasting van aankondigingen van niet-culturele activiteiten achterwege moet blijven. Het Hof stelde het bedrijf in het gelijk en vernietigde de aanslagen reclamebelasting.

Wat betekent dit voor uw gemeente?

Het verdient aanbeveling dat gemeenten terughoudend zijn met het voeren van begunstigend beleid, want het vinden van redelijke en objectieve rechtvaardigingsgronden voor het maken van onderscheid is een lastige klus. Een rondgang in de rechtspraak hierover leert dat rechters de aangevoerde gronden behoorlijk kritisch tegen het licht houden. En als een gemeente dan toch een bepaalde uitzondering wil maken, dan verdient het bewandelen van de koninklijke weg – het opnemen van een vrijstelling in de Verordening – zeker de voorkeur.

Wat betekent dit voor uw bedrijf?

Het maakt uit formeel-juridisch oogpunt een groot verschil uit of een gemeente bepaalde activiteiten vrijstelt op grond van een Verordening of op grond van begunstigend beleid. Indien vrijstelling in de Verordening worden opgenomen, dan worden deze slechts marginaal getoetst door de rechter.

Verordening

Een rechter kan pas in een Verordening ingrijpen als de gemaakte keuze van een gemeente leidt tot een onredelijke en willekeurige heffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad. Daarvan is bijvoorbeeld sprake bij een ongelijke behandeling waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. In dat geval kan de rechter in het uiterste geval zelfs overgaan tot onverbindendverklaring van de gehele Verordening. Dat leidt er dan toe dat alle aanslagen uit hoofde van die verordening die nog niet onherroepelijk vaststaan, geen juridisch basis meer hebben en niet meer betaald hoeven te worden. De financiële impact van zo’n beslissing kan voor een gemeente substantieel zijn. Staat de aanslag van een naderhand vernietigde Verordening wel onherroepelijk vast - omdat geen bezwaar en beroep is ingesteld - dan kan het betaalde bedrag toch niet teruggevorderd worden.

Begunstigend beleid

Bij een begunstigend beleid is doorgaans sprake van een of enkele individuele gevallen. Voor zover de rechter tot het oordeel komt dat het begunstigende beleid leidt tot een schending van het gelijkheidsbeginsel, is alleen degene die de procedure heeft gevoerd, gebaat bij de uitkomst van de procedure. Een verdere uitstraling heeft de procedure in principe niet, behalve voor vergelijkbare gevallen waarin de aanslag ook nog niet onherroepelijk vaststaat. De financiële impact van een rechterlijke beslissing is voor een gemeente beduidend minder groot.

 

Contact

Raymond van den Berg
Senior Manager
Tel: +31 88 792 63 85
E-mailadres

Volg ons