Gevolgen Brexit voor EU-burgerschap

Leidt de Brexit tot het eindigen van het EU-burgerschap en daarmee tot het eindigen van de rechten en de vrijheden die worden ontleend aan het EU-burgerschap? En zo ja, dienen er dan voorwaarden of beperkingen te worden gesteld aan het behoud van de rechten en vrijheden van het EU-burgerschap? Deze vragen wil de Rechtbank Amsterdam stellen aan het Europese Hof van Justitie. Op deze manier moet er meer duidelijkheid komen over de gevolgen van de Brexit voor de positie en fundamentele vrijheden van Britse inwoners van de Europese Unie. 

Wat betekent dit voor u?

Door het stellen van de prejudiciële vragen volgt er mogelijk meer duidelijkheid over de positie van de Britse burgers in de EU landen en voor de EU burgers in Groot-Brittannië. Op dit moment geven de Britten, woonachtig in NL, aan schade te ondervinden van de onzekerheid van hun rechtspositie. Onzekerheid over verder verblijf, uitoefenen van beroep en vrij verkeer door de EU. Deze onzekerheid geldt ook voor eventuele echtgenoten en (jonge) kinderen. Mogelijk moeten zij (nu al) een beslissing nemen over nationalisering, wat gevolgen kan hebben voor behoud van Britse nationaliteit.

Achtergrond

In juni 2016 is na een referendum definitief besloten dat het Verenigd Koninkrijk zich zal terugtrekken uit de Europese Unie. De zogeheten ‘Brexit’ komt daarmee steeds dichterbij. Op dit moment zijn de onderhandelingen over de precieze invulling daarvan in volle gang.

Onlangs heeft een aantal in Nederland wonende Britten een kort geding aangespannen tegen de Nederlandse Staat en de Gemeente Amsterdam, omdat zij vrezen voor hun positie in Nederland en de Europese Unie na de Brexit. Als het Verenigd Koninkrijk en de Europese Raad namelijk geen specifieke afspraken maken over de positie en het burgerschap van in EU-lidstaten woonachtige Britten, dan kan de Brexit leiden tot het verlies van hun Europese burgerschap en daarmee een aantal fundamentele rechten en vrijheden die daaruit voortvloeien.

Daarbij gaat het in het bijzonder om hun fundamentele recht om te verblijven, te wonen en te werken in een andere lidstaat van de Europese Unie, en het recht om zich vrij tussen deze staten te verplaatsen. De Nederlandse Staat verweert zich door te stellen dat rechterlijke inmenging niet wenselijk is omdat dit het onderhandelingsproces over de Brexit kan verstoren. De Rechtbank gaat hier niet in mee en stelt dat er een reëel risico is dat de fundamentele rechten en vrijheden van inwoners van de EU die in het bezit zijn van de Britse nationaliteit, zullen worden aangetast door de Brexit.

De vraag of de inbreuk op deze rechten gerechtvaardigd is, is afhankelijk van de voorzienbaarheid van de inbreuk. Op grond van artikel 50 EU Verdrag kan worden gesteld dat alle onderdanen uit EU-lidstaten er rekening mee moesten houden dat de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten uit de EU zou kunnen treden. Zeker gedurende de afgelopen jaren moesten zij er sterker rekening mee houden dat het Verenigd Koninkrijk zich terug zou kunnen trekken uit de EU. Maar de rechtbank stelt wel dat dit nog niet met zich meebrengt dat de eisers ook konden voorzien dat dit zou leiden tot het verlies van een aantal van hun fundamentele rechten, aangezien het VK de eerste lidstaat is die zich terugtrekt uit de Europese Unie en de exacte gevolgen van zo’n terugtrekking dus nog onbekend zijn. Pas bij het kenbaar maken van de Brexit moesten de eisers voor het eerst concreet rekening houden met de mogelijkheid dat hun rechten en vrijheden verloren zouden gaan; dit is nog maar kortgeleden.

 

Contact

Marlous van der Zande - van Wouwe
Senior Manager, PwC Netherlands
Tel: +31 (0)88 792 28 09
E-mailadres

Volg ons