‘Werkgevers, fondsen en verzekeraars moeten impactanalyse pensioenakkoord maken’

21/06/19

Fundamentele verbetering

‘Het principeakkoord tussen het kabinet en de sociale partners luidt een nieuw hoofdstuk in’, zegt Bastiaan Starink, specialist Retirement and Pensions, People & Organisation bij PwC. Nu ook de grootste vakorganisaties hebben ingestemd met het resultaat van de pensioenonderhandelingen, geeft Starink een eerste reactie.

‘Na zo’n tien jaar werk en overleg van de polder is het goed dat dit pensioenakkoord er ligt’, stelt Starink. In een eerder artikel zette hij al uiteen waaruit het principeakkoord bestaat. De minder snelle stijging van de AOW-leeftijd noemt hij een ‘politiek doorslaggevende en daardoor verstandige beslissing’. De AOW-afspraken en de mogelijkheden om eerder te stoppen met werken voor zware beroepen, zullen waarschijnlijk snel doorgang vinden. Starink: ‘Verder is vooral de overeenstemming voor de vernieuwing van de tweede pijler wat mij betreft een fundamentele verbetering. Het zal leiden tot meer transparantie van pensioenopbouw en minder herverdeling tussen de generaties. Dat leidt tot een systeem dat eerlijker is en op meer vertrouwen van de deelnemers kan rekenen.’

Hoe sluit deze pensioenhervorming aan bij de toekomst van werken?

Starink: ‘Mensen wisselen vaker van baan en blijven minder vaak hun hele loopbaan bij één bedrijf. Er zijn meer zzp’ers en flexwerkers en bedrijven gaan in de gig economy nieuwe contractvormen aan met externe krachten voor projecten. Dit soort ontwikkelingen laat zien dat de toekomst van werken individualistischer is en flexibeler. Een pensioenstelsel waarin individuele pensioenopbouw met minder herverdeling de norm is, past daar beter bij. De overeengekomen arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers en de mogelijkheid dat zij zich aansluiten bij een bedrijfspensioenfonds, zijn verstandige aanvullingen in dit akkoord. Hierdoor worden belangrijke risico’s van de toekomst van werken mogelijk ingedamd.’

Je noemt het akkoord een startpunt van een nieuw hoofdstuk.

‘Ja, de opluchting bij het kabinet, de werkgeversorganisaties en de vakbonden over het bereikte resultaat is begrijpelijk. Het principeakkoord is behalve een resultaat ook een begin. Nu komt het erop aan om de transitie van de tweede pijler te gaan vormgeven. Heet hangijzer daarbij is het gat van zestig miljard euro door de afschaffing van de doorsneesystematiek. Met die afschaffing vervalt de interne subsidie van jongere naar oudere werknemers en gaan huidige deelnemers in de toekomst minder pensioen opbouwen. Hoe gaat dat gat gedicht worden? Ik kijk met spanning naar de regie door de stuurgroep, met daarin leden van het kabinet en de sociale partners, die eind 2020 de uitwerking van de transitie gereed wil hebben.’

Waar zal die zestig miljard compensatie vandaan komen?

‘De vraag is nog of dat bedrag niet lager is; daar wordt nog aan gerekend. Waar het geld vandaan moet komen, verschilt per situatie en is vaak nog onduidelijk. Pensioenfondsen met buffers kunnen een deel van dat geld ervoor gebruiken, maar niet alle fondsen hebben buffers. Daarbij zal een verlaging van de rekenrente zoals werd bepleit door een wetenschappelijke commissie onder leiding van Jeroen Dijsselbloem, de relatieve grootte van de buffers verder onder druk zetten. Bedrijven die voor de pensioenopbouw van werknemers een regeling hebben bij een verzekeringsmaatschappij of een beschikbare premieregeling hebben, zullen het compensatiegeld in overleg met werknemers op tafel moeten krijgen. Versobering van regelingen en uitruil met andere arbeidsvoorwaarden, er zijn allerlei smaken mogelijk. De kunst zal zijn om de transitieperiode te beperken en tegelijkertijd op een evenwichtige manier te compenseren zonder dat er structureel meer geld voor nodig is. Het kan niet de bedoeling zijn dat de loonkosten ervoor moeten stijgen.’

Wat is de volgende stap voor werkgevers en pensioenuitvoerders?

‘Werkgevers zullen elk voor de eigen organisatie een analyse moeten maken, net als pensioenfondsen en pensioenverzekeraars. Want elke organisatie staat voor een eigen vraagstuk. Hoe groot is de pensioenpot en is er een buffer? Hoe is de leeftijdsopbouw? En wat betekent dit voor het transitievraagstuk? Vervolgens zullen zij tot een compensatieplan moeten komen waarmee iedereen kan leven. Bij de financiële vormgeving moet het uitvoeringsvraagstuk niet uit het oog verloren worden – administratieve complexiteit komt immers de transparantie van het systeem, en daarmee het vertrouwen in het systeem, niet ten goede. Op beide onderwerpen kan PwC overigens een bijdrage leveren. Al die aangepaste regelingen moeten worden verwerkt in de administratie; dat wordt nog een hele klus. Er zijn nog heel wat noten te kraken. Maar ik wil in deze week vooral benadrukken dat ik opgetogen ben dat die noten eindelijk gekraakt kunnen gaan worden.’

Contact

Bastiaan Starink

Partner, Amsterdam, PwC Netherlands

Tel: +31 (0)88 792 64 06

Volg ons